Centrale Raad van Beroep, 20-02-2015 / 13-1144 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:759

Inhoudsindicatie
Toekenning aan werknemer van een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De werkgever vindt dat werknemer recht heeft op een IVA-uitkering. De Raad oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die werknemer niet heeft gezien tijdens een spreekuurcontact, heeft in het licht van wat door appellante naar voren is gebracht onvoldoende onderzocht of op de datum in geding kan worden gesproken van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van werknemer. Gelet op de specifieke problematiek van werknemer had het op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen nadere informatie in te winnen bij de behandelend artsen, met name orthopedisch chirurg Van der Heide en revalidatiearts Teplova, over de herstelmogelijkheden van werknemer. Via de tussenuitspraak geeft de Raad opdracht dit gebrek te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-1144 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1144 WIA-T

Datum uitspraak: 20 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 januari 2013, 12/2785 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft als partij tevens deelgenomen [naam werknemer], wonende te [woonplaats] (werknemer)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Desgevraagd heeft [naam werknemer] (werknemer) schriftelijk meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen. Werknemer heeft daarbij toestemming verleend zijn medische gegevens aan appellante ter kennis te brengen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken in het geding gebracht en vragen van de griffier van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2015. Namens appellante is

mr. Heek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Werknemer is niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Werknemer is laatstelijk bij appellante werkzaam geweest als vakverantwoordelijk verkoopmedewerker. Op 1 maart 2010 is hij uitgevallen wegens beperkingen als gevolg van complicaties na een operatie aan een aangeboren maagafwijking.


1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag van werknemer om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat werknemer een aantal ernstige fysieke beperkingen heeft als gevolg van complicaties na operatie. Werknemer is rolstoelgebonden en functioneel éénarmig. Tevens heeft werknemer psychische klachten en verwerkingsproblemen. De verzekeringsarts acht ook een urenbeperking aan de orde. Omdat werknemer wordt behandeld, verwacht de verzekeringsarts een afname van de klachten en een verbetering van de belastbaarheid. De in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 januari 2012 neergelegde beperkingen zijn niet duurzaam. De arbeidskundige heeft geconcludeerd dat op grond van de in de FML neergelegde beperkingen geen functies kunnen worden geselecteerd.


1.3.

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor werknemer, in aansluiting op de wettelijke wachtperiode van 104 weken, op grond van de Wet WIA met ingang van 18 maart 2012 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.


2.1.

Tegen het besluit van 16 februari 2012 heeft appellante bezwaar gemaakt. Appellante is van mening dat werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hij recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een rapport van de arts N. Bakker, verbonden aan Ergatis, arbeid en gezondheid, van 8 mei 2012 bij het Uwv ingediend.


2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich na bestudering van de dossiergegevens op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts voldoende duidelijk heeft gemaakt dat een meer dan geringe kans op verbetering bestaat. Van een revalidatiebehandeling mag in algemene zin een verbetering van het functioneren worden verwacht en dat geldt zeker als het gaat om een vrij intensieve behandeling, zoals hier aan de orde. De depressieve klachten van werknemer zijn goed te behandelen. Daarom mag verbetering van de psychische belastbaarheid worden verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat van duurzame arbeidsbeperkingen nog geen sprake is.


2.3.

Bij besluit van 19 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.


3. In beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat bij werknemer sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Volgens appellante is de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid niet toereikend gemotiveerd. Het Uwv had deze conclusie niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante verwezen naar het in bezwaar ingebrachte rapport van Ergatis van 8 mei 2012 en naar informatie van revalidatiearts

A.E. Teplova van 27 april 2012.


4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


5.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd. In het rapport van Ergatis van 8 mei 2012 is gemotiveerd waarom de komende één tot twee jaar geen verbetering wordt verwacht op het gebied van mobiliteit en duurbelasting. De revalidatie van werknemer is slechts gericht op bestendiging van de reeds bereikte situatie. Volgens appellante is bij werknemer met ingang van 18 maart 2012 sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en dient hij in aanmerking te komen voor een IVA-uitkering.


5.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


6.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.


6.2.

De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen de vraag betreft of de volledige arbeidsongeschiktheid van werknemer met ingang van 18 maart 2012 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat hij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de toegekende WGA-uitkering.


6.3.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


6.4.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:BH1896) geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


6.5.

In zijn uitspraak van 9 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1729) heeft de Raad geoordeeld dat bij de vraag of de bij werknemer vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is, slechts verbeteringen van de belastbaarheid van werknemer die van invloed zijn op zijn mogelijkheden tot het verrichten van arbeid relevant zijn.


6.6.1.

Uit de informatie van de revalidatiearts Teplova van 27 april 2012 komt over het bij werknemer ingezette revalidatietraject het volgende naar voren. Bij werknemer is sprake van ernstige mobiliteitsbeperkingen, waarvoor hij van 20 september 2010 tot en met

21 maart 2011 was opgenomen in Sophia Revalidatie Den Haag. Aansluitend vindt poliklinische revalidatiebehandeling plaats, met als doel: het bereiken van optimale zelfstandigheid met gebruik van hulpmiddelen. Het streven van de fysiotherapie is om een kort stukje binnenshuis met rollator te kunnen lopen, wat maximaal haalbaar zal zijn. Naast een beperkte sta- en loopfunctie is de armfunctie beperkt. Werknemer heeft nog steeds hulp vanuit de thuiszorg nodig. De revalidatiearts vermeldt in zijn brief van 27 april 2012 ook dat werknemer in verband met aanwijzingen voor een posttraumatisch stresssyndroom, gerelateerd aan de opname op de intensive care, met goed resultaat een EMDR-behandeling heeft gehad. De revalidatie zal medio juni/juli 2012 worden afgerond. De resterende weken wordt verder gewerkt om de aanwezige vaardigheden zoals kort staan en lopen sterker te maken, zodat werknemer die zelf in de thuissituatie kan toepassen. Verder zal nog veel aandacht aan de acceptatie en verwerking van de huidige situatie van werknemer worden besteed. Concluderend verwacht de revalidatiearts binnen de komende één tot twee jaar niet veel verbetering van de mobiliteit van werknemer. Ook de duurbelasting zal beperkt blijven. Werknemer zal de rest van zijn leven gebruik moeten maken van hulpmiddelen en mogelijk onderhoudende therapie moeten krijgen om het huidige niveau te kunnen onderhouden.


6.6.2.

Orthopedisch chirurg dr. H.J.L. van der Heide benoemt in zijn brief van

27 april 2012 (zie rapport Ergatis, blz. 7) het ziektebeloop van werknemer als zeer ernstig. Volgens deze arts is er een zeer geringe kans op minimale verbetering. Het zeer ernstige ziektebeeld zal zeker tot blijvende invaliditeit aanleiding geven.


6.7.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die werknemer niet heeft gezien tijdens een spreekuurcontact, heeft in het licht van wat door appellante naar voren is gebracht onvoldoende onderzocht of op de datum in geding kan worden gesproken van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van werknemer. Gelet op de specifieke problematiek van werknemer had het op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen nadere informatie in te winnen bij de behandelend artsen, met name orthopedisch chirurg Van der Heide en revalidatiearts Teplova, over de herstelmogelijkheden van werknemer. Van een deugdelijke en op deze werknemer toegespitste afweging, als omschreven in 6.4 en 6.5, kan niet worden gesproken.


7. Gelet op wat is overwogen onder 6.1 tot en met 6.7 berust het bestreden besluit op onvoldoende onderzoek en een gebrekkige motivering, zodat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


8. Om te komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven de aan het bestreden besluit klevende gebreken te herstellen. Daarbij dient in ieder geval bij de behandelend sector geïnformeerd te worden naar het mogelijk resultaat van de behandeling(en) van werknemer, in relatie tot een mogelijk te verwachten relevante verbetering van diens belastbaarheid.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen overeenkomstig wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) W. de Braal







MK