Centrale Raad van Beroep, 13-03-2015 / 13-3718 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:772

Inhoudsindicatie
Beëindiging uitkering ingevolge de ZW. De rechtbank terecht geoordeeld dat appellant met ingang van 25 oktober 2012 niet ongeschikt was te achten voor zijn arbeid in de zin van de ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-13
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-3718 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3718 ZW

Datum uitspraak: 13 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 juni 2013, 13/1205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Polat-Kiliç, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015. Namens appellant is

mr. Polat-Kiliç verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was, via een uitzendbureau, werkzaam als medewerker in een tomatenkas voor 40 uur per week. Op 26 september 2011 is hij wegens stress, hart- en rugklachten voor dit werk uitgevallen. Later zijn hier ook buik-, nek- en psychische klachten bijgekomen. Als gevolg hiervan is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.2.

In het kader van deze ziekmelding is appellant op het spreekuur gezien van de verzekeringsarts, laatstelijk op 18 oktober 2012. Naar aanleiding van de bevindingen uit dit spreekuuronderzoek en de in het dossier aanwezige (medische) gegevens, concludeerde de verzekeringsarts dat appellant per 25 oktober 2012 weer in staat kon worden geacht zijn arbeid te verrichten. Dienovereenkomstig is bij besluit van 18 oktober 2012 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 25 oktober 2012 beëindigd. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 januari 2013 ten grondslag.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig of onvolledig te achten, noch bestaat er aanleiding voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep ieder afzonderlijk hebben vastgesteld dat bij appellant geen sprake meer is van medisch objectiveerbare belemmeringen die hem beletten zijn werk als kasmedewerker te verrichten. Met betrekking tot de door appellant in beroep overgelegde informatie is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier in zijn rapport van 26 april 2013 afdoende op heeft gereageerd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat appellant met ingang van 25 oktober 2012 in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd. Samengevat stelt appellant zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig heeft geacht. Het Uwv heeft inschattingen over de arbeidsongeschiktheid van appellant gemaakt, zonder dat bij alle behandelaars informatie is opgevraagd over zijn medische situatie. Ten onrechte heeft de rechtbank de klachten van appellant als subjectief benoemd, terwijl zijn klachten wel objectiveerbaar zijn. Appellant acht zich niet in staat te werken. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep een brief van zijn huisarts Baskaya van 19 januari 2015, een medicatieoverzicht 2014/2015, een afspraakbevestiging bij het Hartcentrum Den Haag-Delft op 12 februari 2015, een brief van psycholoog Isik en een afsprakenkaart van I-Psy overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen wordt onderschreven. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de artsen van het Uwv in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellant op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt is voor de maatgevende arbeid. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts een dossieronderzoek heeft verricht, appellant zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht en inlichtingen heeft ingewonnen bij en verkregen van de huisarts van appellant. Deze inlichtingen zijn bij de beoordeling van appellants belastbaarheid meegewogen. De verzekeringsarts concludeert in zijn rapport van 18 oktober 2012 dat bij appellant geen sprake is van beperkingen als gevolg van ziekte die hem belemmeren in de uitvoering van het eigen werk, dat als licht fysiek werk wordt beschouwd. Daarnaast overweegt de verzekeringsarts dat werkhervatting een gunstige invloed op de gezondheid van appellant kan hebben. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle in het dossier aanwezige medische informatie bestudeerd, appellant op de hoorzitting gezien en hem aansluitend lichamelijk en psychisch onderzocht. Daarnaast heeft hij bij de behandelend MDL-internist en bij I-Psy informatie opgevraagd en deze informatie bij zijn beoordeling betrokken. In zijn rapport van 3 januari 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de hart-, rug- en darmklachten alsmede de psychische klachten van appellant beoordeeld en geconcludeerd dat geen reden bestaat om af te wijken van het standpunt van de verzekeringsarts. De Raad ziet, evenals de rechtbank, in de door appellant in beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 8 maart 2013 en 26 april 2013 voldoende gemotiveerd waarom de in bezwaar en beroep overgelegde informatie hem geen aanleiding geeft een ander standpunt in te nemen.


4.3.

In de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie worden onvoldoende aanknopingspunten gezien om aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsartsen te twijfelen. Niet alleen dateren deze stukken van (ver) na de in geding zijnde datum van 25 oktober 2012, maar ze bevatten ook geen informatie waaruit blijkt dat de beperkingen van appellant per die datum zijn onderschat. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat appellant met ingang van 25 oktober 2012 niet ongeschikt was te achten voor zijn arbeid in de zin van de ZW.


4.4.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2015.



(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) W. de Braal



JL