Centrale Raad van Beroep, 04-03-2015 / 12-6230 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:777

Inhoudsindicatie
Beëindiging uitkering ingevolge de ZW. De beperkingen van appellante zijn niet onjuist ingeschat. Het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt moet worden geacht voor de functie van snackbereider wordt onderschreven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
12-6230 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6230 ZW

Datum uitspraak: 4 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

11 oktober 2012, 12/1863 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M.J. Langelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als magazijnmedewerker/orderpicker. Op 19 januari 2009 is zij voor dit werk uitgevallen als gevolg van psychische klachten, alsmede bekken- en rugklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van

2 mei 2011 is, in overeenstemming met rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, vastgesteld dat appellante met ingang van 17 januari 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Aan dit besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat zij geschikt wordt geacht voor een drietal functies, waaronder de functie van snackbereider. De vervolgens aan appellante op grond van de Werkloosheidswet toegekende uitkering is met ingang van 17 juni 2011 beëindigd.


1.2.

Op 22 oktober 2011 heeft appellante, nadat de aan haar toegekende uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg was beëindigd, zich wederom ziek gemeld, waarna haar met ingang van die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend. Vervolgens is een verzekeringsarts, nadat hij appellante op zijn spreekuur had onderzocht, in zijn rapport van 24 november 2011 tot de conclusie gekomen dat appellante geschikt moet worden geacht voor de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functie van snackbereider. Overeenkomstig dit rapport is bij besluit van 24 november 2011 vastgesteld dat de aan appellante toegekende ZW-uitkering met ingang van 1 december 2011 wordt beëindigd.


1.3.

In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij als gevolg van haar klachten niet in staat is om arbeid te verrichten. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij voor haar rugklachten onder behandeling staat van een fysiotherapeut. Tevens heeft zij erop gewezen dat zij voor deze klachten door haar huisarts verwezen is naar een specialist om te onderzoeken of sprake is van een hernia. Appellante heeft eveneens naar voren gebracht dat zij recent pijn in haar borst heeft gekregen.


1.4.

Nadat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante had gezien op een hoorzitting en in een rapport van 28 februari 2012 te kennen had gegeven zich te kunnen verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts, heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2011 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


2. In beroep heeft appellante ter ondersteuning van haar standpunt dat zij niet in staat is werkzaamheden te verrichten nadere informatie overgelegd, waaronder informatie van de behandelend sector.


3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de medische situatie van appellante. Daarbij heeft de rechtbank gemotiveerd uiteengezet dat de omstandigheid dat appellante niet lichamelijk is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding vormt voor een andersluidende conclusie. Daarnaast is de rechtbank niet op grond van de door appellante overgelegde informatie tot de conclusie kunnen komen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellante onjuist heeft ingeschat. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen toereikend hebben gemotiveerd dat appellante in staat moet worden geacht de functie van snackbereider te verrichten. Daartoe is overwogen dat het een lichte functie betreft waarbij ingrediënten op pizza’s moeten worden gelegd en waarbij afwisselend kan worden gestaan en gezeten. Verder hoeft er in de functie slechts één keer per vier uur één kilogram getild te worden. De rechtbank heeft het beroep dan ook ongegrond verklaard.


4. In hoger beroep heeft appellante, onder herhaling van de eerder in de procedure naar voren gebrachte gronden, medische informatie overgelegd, waaronder stukken van een neuroloog, radioloog, fysiotherapeut en stukken afkomstig van de polikliniek verloskunde. Hierop is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd met een rapport van 19 november 2014.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld.


5.2.

Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen gaat het daarbij om elk van de functies afzonderlijk, zodat voldoende is wanneer de hersteldmelding wordt gedragen door tenminste één van de destijds geselecteerde functies.


5.3.

Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de medische situatie wordt onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat beide verzekeringartsen appellante hebben gezien en dat zij bij hun beoordeling de beschikking hebben gehad over informatie van de behandelende sector. Op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de in hoger beroep overgelegde gegevens, kan niet worden geoordeeld dat de verzekeringsartsen de medische situatie van appellante op 1 december 2011 onjuist hebben ingeschat. Daarbij wordt overwogen dat deze medische gegevens voldoende laten zien dat de rug- en bekkenklachten van appellante niet terug te voeren zijn op medisch objectiveerbare afwijkingen en dat de arm- en elleboogklachten zich pas na 1 december 2011 hebben gemanifesteerd. Het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt moet worden geacht voor de functie van snackbereider wordt eveneens onderschreven. De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel over die geschiktheid hebben gebracht.


5.4.

Uit wat is overwogen in 5.2 en 5.3 volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T van den Corput en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) G.J. van Gendt



IvR