Centrale Raad van Beroep, 13-03-2015 / 13-2699 WAZ


ECLI:NL:CRVB:2015:780

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Niet aannemelijk gemaakt dat het besluit op bezwaar zo laat is ontvangen dat niet meer tijdig beroep kon worden ingesteld. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-13
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-2699 WAZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2015/175 met annotatie van mr. R. Ortlep
Uitspraak

13/2699 WAZ

Datum uitspraak: 13 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2013, 12/4684 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Spanje (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 januari 2015 heeft het Uwv desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 april 2012 heeft het Uwv bepaald dat appellantes uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) over de periode van

1 januari 2010 tot en met 1 januari 2011 niet wordt uitbetaald in verband met haar inkomsten over die periode.

Bij besluit van 1 mei 2012 heeft het Uwv de teveel betaalde WAZ-uitkering over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 ten bedrage van € 13.723,38 van appellante teruggevorderd. Het bezwaar van appellante tegen deze besluiten is bij besluit van

2 augustus 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift buiten de termijn van zes weken is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat nu zij in Spanje woont het gerechtvaardigd is indien de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift pas aanvangt vanaf de datum waarop het besluit haar heeft bereikt. Appellante heeft gesteld het bestreden besluit pas na drie weken na de dag van verzending daarvan te hebben ontvangen. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het Uwv beschikte over het emailadres van appellante zodat het een kleine moeite was geweest om het bestreden besluit ook per email aan appellante te sturen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch kan worden verzonden. Volgens artikel 2:14, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan een bericht elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Volgens artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat voor een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.2.

De beroepstermijn geldt, nu bij wet geen afwijkende termijn is geregeld, ook indien de belanghebbende in het buitenland verblijft. Dus geldt ook voor appellante, die in Spanje woonachtig is, een termijn van zes weken. Het bestreden besluit is gedateerd 2 augustus 2012. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dit besluit, gericht aan het juiste adres van appellante, op een andere datum is verzonden, zodat hij er van uit gaat dat het besluit op 2 augustus 2012 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is aangevangen op 3 augustus 2012. De laatste dag van die termijn is dan 13 september 2012. Aangezien het voorlopig beroepschrift van appellante, gedateerd 18 september 2012, op 18 september 2012 per fax bij de rechtbank is ingekomen, is de beroepstermijn overschreden.


4.3.

Indien de geadresseerde aantoont dan wel voldoende aannemelijk maakt dat de ontvangst van het besluit op een zodanig tijdstip heeft plaatsgevonden, dat, gelet op de omstandigheden van het geval, moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet binnen de termijn een (voorlopig) bezwaar- of beroepschrift kon worden ingediend, kan daarin een grond zijn gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten in de zin van artikel 6:11 van de Awb (uitspraak van de Raad van 7 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7061). Appellante is daarin niet geslaagd. De enkele omstandigheid dat zij woonachtig is in Spanje, is daartoe onvoldoende. Appellante heeft geen enkel (bewijs)stuk ingebracht waaruit de late ontvangst blijkt of aannemelijk wordt.


4.4.

Uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb volgt dat de geadresseerde langs elektronische weg voldoende bereikbaar moet zijn en dat deze duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt langs die weg bereikbaar te zijn voor het bericht of de berichten waar het om gaat. Aan deze voorwaarden is in dit geval niet voldaan. Gelet hierop kan een bekendmaking van het bestreden besluit op klassieke wijze - door toezending of uitreiking van een schriftelijk stuk - niet achterwege blijven.


4.5.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Evenals de rechtbank heeft gedaan, wordt geoordeeld dat niet is gebleken dat appellante gedurende de gehele beroepstermijn niet in staat is geweest om een (pro forma) beroepschrift in te (laten) dienen. De gestelde slechte gezondheid en slechte mobiliteit van appellante leiden niet tot een andere conclusie. De Raad merkt daarbij op dat appellante ook in staat is geweest tijdig in bezwaar te komen.


4.6.

De rechtbank is derhalve terecht tot de conclusie gekomen dat het beroep niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.


4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

13 maart 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein




NW