Centrale Raad van Beroep, 09-01-2015 / 13-405 WAO-T


ECLI:NL:CRVB:2015:8

Inhoudsindicatie
Herbeoordeling na fraudeonderzoek. Intrekking WAO-uitkering na 25 jaar: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Juistheid medische grondslag. de Noodzakelijkheid van een jobcoach is expliciet vastgelegd in de FML. Dit betekent ook dat de Raad de rechtbank niet volgt in haar oordeel dat, ervan uitgaande dat appellant eerst in aanmerking komt voor een jobcoach als hij daadwerkelijk (betaalde) werkzaamheden gaat verrichten, binnen de geduide functies voldoende ruimte is voor een jobcoach. Opdracht herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-09
Publicatiedatum
2015-01-13
Zaaknummer
13-405 WAO-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/64 met annotatie van M. Koolhoven
Uitspraak

13/405 WAO-T

Datum uitspraak: 9 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van

19 december 2012, 12/916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman. Tevens was aanwezig als getuige-deskundige M.A. van der Valk, arbeidsdeskundige.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 1 april 1983 werkloos geworden. Met ingang van 1 oktober 1986 is hij wegens psychische problematiek in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek [naam] heeft het Uwv in 2011 heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellant. Op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv heeft psychiater dr. A.J.W.M. Trompenaars bij appellant een psychiatrisch consult verricht. In zijn rapport van 17 mei 2011 heeft Trompenaars te kennen gegeven dat op basis van dit consult niet goed is in te schatten of bij appellant sprake is van psychiatrische problemen. Wel is naar alle waarschijnlijkheid geen sprake van een ernstig en chronisch vitaal toestandsbeeld. Ook heeft hij bij appellant geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van duidelijke schizoïde persoonlijkheidstrekken. Trompenaars concludeert dat er een zeer duidelijke discrepantie bestaat tussen de klachten zoals weergegeven in het medische dossier van appellant en diens feitelijke presentatie. Hij adviseert daarom een uitgebreide psychiatrische expertise.


1.3.

Vervolgens heeft psychiater dr. J.J. van Egmond bij appellant een psychiatrisch onderzoek verricht en van zijn bevindingen op 3 oktober 2011 verslag gedaan. Op grond van zijn onderzoek heeft Van Egmond gesteld dat bij appellant sprake is van een chronische of recidiverende depressie, deels in remissie. Tevens heeft appellant trekken van een afhankelijke en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Ook is sprake van doofheid en klachten van oorsuizen. Als specifieke voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid heeft Van Egmond te kennen gegeven dat appellant bij re-integratie in het arbeidsproces de gelegenheid moet worden gegeven te wennen aan het verrichten van werkzaamheden. Als toelichting is gegeven dat appellant op grond van depressieve klachten en/of persoonlijkheidsstoornis heeft vermeden de afgelopen 25 jaar te werken.


1.4.

In zijn rapport van 12 oktober 2011 heeft de verzekeringsarts op grond van alle beschikbare informatie geconcludeerd dat appellant belastbaar is volgens de door hem in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 april 2011 vastgelegde mogelijkheden en beperkingen. Volgens deze FML is appellant aangewezen op een voorspelbare werksituatie. Daarnaast is zijn horen beperkt, kan hij ongeveer 15 kg tillen of dragen en kan hij niet ruim boven normaal frequent zware lasten hanteren tijdens het werk.


1.5.

Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 november 2011 de

WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 januari 2012 ingetrokken op de grond dat appellant per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.


1.6.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aantal beperkingen toegevoegd aan de FML. Naast de reeds door de verzekeringsarts vastgelegde beperkingen is appellant ook aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is. Als (overige) specifieke voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegevoegd: “cliënt heeft nood aan een jobcoach om zijn werkzaamheden naar behoren te kunnen verrichten vanwege vermijdend en ontwijkend gedrag en een afhankelijke opstelling.”


1.7.1.

Op basis van de aldus aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd. Zij heeft geconcludeerd dat de door haar geselecteerde tot de SBC-codes 111172, 111190, 111180, 111171 en 111220 behorende functies geschikt voor appellant zijn. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is nihil.


1.7.2.

Over de noodzakelijkheid tot inschakeling van een jobcoach heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de volgende categorale motivering gegeven:


“Tijdens de begeleiding van de heer [A.] bij zijn werkzaamheden kan jobcoaching als voorziening (ook wel Persoonlijke Ondersteuning genoemd) als instrument worden ingezet. Het doel hiervan is de heer [A.] in staat te stellen om op een reguliere werkplek te werken en zijn baan te behouden. Bij deze voorziening is vooral het begeleidende aspect (de persoonlijke ondersteuning) belangrijk. Naast het wegnemen van belemmeringen op de werkplek heeft de jobcoach een coachende ofwel sturende taak. Omdat de heer [A.] gestimuleerd en gemotiveerd dient te worden en zo nodig extra geïnstrueerd te worden bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, is hij aangewezen op een voorziening jobcoaching. Het protocol jobcoaching wordt toegepast indien er sprake is van een dienstverband van minstens 12 uur per week en de loonwaarde tenminste 35% van het minimumloon bedraagt. De geduide functies voldoen aan deze voorwaarden. De begeleiding duurt in de regel maximaal

3 jaar. Het is aannemelijk dat de heer [A.] in een periode van 3 jaar voldoende begeleid is om hem te activeren en zo nodig extra te instrueren. Een voorziening staat functieduiding niet in de weg.”


1.7.3.

Bij de functiespecifieke motiveringen staat vermeld:

SBC-code 111172: functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie: “Bovendien is er sprake van een meewerkend voorman die mondelinge instructies geeft.”


SBC-code 111190: functie inpakker (handmatig):

“Bovendien is er sprake van directe leiding van een productiecoördinator die mondelinge instructies geeft.”


SBC-code 111180: functie productiemedewerker industrie:

“Bovendien is er sprake van directe leiding van een chef die behoudens de schriftelijke informatie en tekeningen aanvullende mondelinge instructies geeft.”


SBC-code 111171: functie productiemedewerker metaal en elektro-industrie:

“Bovendien is er sprake van leiding door een groepsleider, die hem zo nodig mondelinge instructies geeft, behoudens de schriftelijke instructie en montagetekeningen.”


SBC-code 111220: functie medewerker logistiek:

“Bovendien is er sprake van leiding door een assistent coördinator logistiek. Ontvangt dagelijks schriftelijk werkopdrachten.”


1.8.

Bij besluit van 25 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 november 2011 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

4 februari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH2445) heeft de rechtbank vooropgesteld dat het Uwv op grond van artikel 23, eerste lid, van de WAO bevoegd is zo vaak hij dat nodig oordeelt degene die in het genot is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op te roepen in verband met de aanspraak op of het genot van die uitkering. Nu van misbruik van die bevoegdheid niet is gebleken, kan de rechtbank niet inzien dat het aan het Uwv niet vrijstond de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant te beoordelen. Daaraan doet niet af dat de herbeoordeling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een fraudeonderzoek. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv, met inachtneming van alle beschikbare medische gegevens, waaronder die van de behandelend psychiater, de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen op de datum in geding zorgvuldig heeft onderzocht en niet onjuist heeft ingeschat. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt moeten worden geacht. Ervan uitgaande dat appellant eerst in aanmerking komt voor een jobcoach als hij daadwerkelijk (betaalde) werkzaamheden gaat verrichten, is de rechtbank ten slotte van oordeel dat binnen de geselecteerde functies voldoende ruimte is voor een jobcoach.


3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat de intrekking van de WAO-uitkering - na

25 jaar - disproportioneel en in strijd is met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder heeft appellant aangevoerd dat de FML een onvolledig en onjuist beeld geeft van de beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellant een brief van psychiater B.H.M.J. Sonnenschein van 7 maart 2013 ingediend. Ten slotte heeft appellant naar voren gebracht dat het Uwv niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze de begeleiding door een jobcoach daadwerkelijke invulling krijgt in de geselecteerde functies en of in die functies wel ruimte is voor inschakeling van en begeleiding door een jobcoach. Appellant meent dan ook dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet toereikend is gemotiveerd. Door te oordelen dat de kwestie van de jobcoach pas aan de orde komt als appellant daadwerkelijk werk heeft gevonden, heeft de rechtbank volgens appellant de kwestie van de jobcoach tot een dode letter gemaakt.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van

25 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1839, volgt dat de intrekking van de

WAO-uitkering van appellant niet kan worden beschouwd als een ontneming van eigendom (“possession”) als door het EP beschermd. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding terug te komen van deze vaste rechtspraak.


4.2.

Evenals de rechtbank acht de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk. De brief van psychiater Sonnenschein geeft geen aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 29 september 2014 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat in deze brief geen grond is gelegen de visie omtrent de belastbaarheid, zoals vastgelegd in de in bezwaar aangepaste FML, te wijzigen. Er is geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten.


4.3.

De Raad stelt voorop dat in de situatie van appellant de noodzakelijkheid van een jobcoach expliciet is vastgelegd in de FML. Dit betekent dat bij de selectie van functies rekening moet worden gehouden met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geformuleerde voorwaarden, zoals vastgelegd in de FML. Vervolgens zal inzichtelijk moeten worden gemaakt dat de geselecteerde functies aan deze voorwaarden voldoen. Daar ligt hier het probleem. Appellant wordt gevolgd in zijn stelling dat het Uwv ter motivering van zijn standpunt dat de voor appellant geselecteerde functies voldoen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML noodzakelijk geachte specifieke voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren in arbeid, te weten de inschakeling van een jobcoach, niet heeft kunnen volstaan met de daarvoor in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven motivering, zoals hiervoor onder 1.7.2 en 1.7.3 weergegeven. Gelet op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 april 2012 gegeven motivering van de noodzakelijke inschakeling van een jobcoach, had het op de weg van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gelegen nader te onderzoeken of en te onderbouwen dat bij inschakeling van een jobcoach bij de concrete uitoefening van de geselecteerde functies ook een mate van begeleiding, stimulering, motivering, instructie en sturing mogelijk is die in voldoende mate tegemoetkomt aan de specifieke beperkingen van appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dit niet gedaan. Evenmin blijkt uit de summiere functiespecifieke motivering of in de geselecteerde functies functionarissen als de meewerkend voorman, de productiecoördinator, de chef, de groepsleider of de assistent coördinator logistiek op de werkvloer in voldoende mate zijn toegerust en door de werkgever gefaciliteerd zijn of kunnen worden om op een regelmatige en zorgvuldige wijze te kunnen voldoen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML vastgelegde voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant in arbeid. Ook daarnaar zal nader onderzoek moeten worden verricht en is nadere motivering van het standpunt van het Uwv onontbeerlijk. Dit betekent ook dat de Raad de rechtbank niet volgt in haar oordeel dat, ervan uitgaande dat appellant eerst in aanmerking komt voor een jobcoach als hij daadwerkelijk (betaalde) werkzaamheden gaat verrichten, binnen de geduide functies voldoende ruimte is voor een jobcoach.


4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel in rechte geen stand kan houden.


4.5.

De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan bovenstaande uitkomst wordt gegeven. Daarbij stelt hij voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuursrechter eerst dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hij zelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuursrechter na te gaan of een - formele dan wel informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.


4.6.

In dit geval leent de aard van de vastgestelde gebreken zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het betrokken bestuursorgaan. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen de in 4.3 en 4.4 gesignaleerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het besluit van 25 mei 2012 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) E. Heemsbergen






nk