Centrale Raad van Beroep, 12-02-2015 / 13-3509 WUV


ECLI:NL:CRVB:2015:809

Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:1975. Motivering in nieuwe beslissing op bezwaar houdt ook geen stand. De Raad zal ervan afzien verweerder opnieuw op te dragen dit gebrek te herstellen en zal thans uitgaan van hetgeen appellant op dit punt heeft verklaard. Blijkens die verklaring wordt appellant wekelijks door zijn huisarts gezien en houdt de huisarts daarnaast nadrukkelijk de vinger aan de pols door middel van frequente contacten met de therapeute. Hiermee is in voldoende mate voldaan aan de criteria voor indirect toezicht zoals gesteld in de beleidsregels van verweerder. De Raad voorziet zelf in de zaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-12
Publicatiedatum
2015-03-19
Zaaknummer
13-3509 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3509 WUV, 14/5797 WUV

Datum uitspraak: 12 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 12 juni 2014 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:1975 (tussenuitspraak) gedaan, waarbij verweerder is opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 30 mei 2013 (bestreden besluit) te herstellen.

Ter uitvoering van deze opdracht heeft verweerder op 20 augustus 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Appellant heeft op deze beslissing een reactie gegeven.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Een nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2014. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uiteenzetting van de feiten en het geschil verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Kort samengevat gaat het om de afwijzing, bij besluit van 29 maart 2013, van een verzoek op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) om een voorziening voor massagetherapie in een praktijk voor natuurgeneeskunde.


1.2.

In de tussenuitspraak is, kort samengevat, overwogen dat de enkele vaststelling dat de therapie niet wordt gegeven door een BIG-geregistreerde behandelaar, nog geen toereikende grondslag vormt voor het weigeren van de gevraagde voorziening. Er moet immers worden geacht aan de desbetreffende voorwaarde te zijn voldaan als de therapie wordt gegeven op advies en onder (direct of indirect) toezicht van een BIG-geregistreerde verwijzer (CRvB

1 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7221). Die BIG-geregistreerde verwijzer is in dit geval in beeld in de persoon van de huisarts van appellant. Noch uit het bestreden besluit, noch uit hetgeen namens verweerder bij de Raad naar voren is gebracht, komt naar voren dat verweerder heeft onderzocht of langs deze weg aan de toekenningsvoorwaarden is of kan worden voldaan.


2. Bij het nieuwe besluit van 20 augustus 2014 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding in beroep betrokken.


2.1.

In het nieuwe besluit heeft verweerder uiteengezet dat de voorwaarde van direct of indirect toezicht door een BIG-geregistreerde behandelaar aldus moet worden begrepen dat het toezicht moet plaatsvinden door een op het bewuste gebied gekwalificeerde behandelaar, die voor de behandeling de volledige verantwoordelijkheid wil en kan nemen. Dit houdt in dat voor gesprekken een psychiater of psychotherapeut als toezichthouder kan gelden, en voor de massage een fysiotherapeut. De huisarts kan dus niet als toezichthouder optreden voor massagetherapie in combinatie met gesprekken. Er wordt dan ook niet voldaan aan de in de beleidsregels van verweerder gestelde voorwaarde van direct of indirect toezicht door een BIG-geregistreerde behandelaar.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Voorop moet worden gesteld dat appellant heeft weersproken dat de therapie van de natuurgeneeskundige naast massage ook gesprekken omvat. Verweerder heeft aan een mededeling van de huisarts die in die richting lijkt te wijzen een te ver strekkende betekenis gehecht. Aan de orde is enkel en alleen massage ter bestrijding van de door appellant ervaren chronische pijnklachten. De Raad ziet geen reden deze verklaring van appellant, die bevestiging vindt in het gegeven dat in een tweetal door hem overgelegde nota’s slechts massagetherapie in rekening is gebracht, in twijfel te trekken en zal deze in het navolgende tot uitgangspunt nemen.


3.2.

Het op schrift gestelde beleid van verweerder op het punt van het hier aan de orde zijnde toezicht door een BIG-geregistreerde behandelaar luidt als volgt:

“De behandeling wordt door of onder toezicht van een arts gegeven. Onder medisch toezicht wordt verstaan:

1. direct toezicht: het door of in aanwezigheid van de BIG-geregistreerde behandelaar uitgevoerd;

2. indirect toezicht: in het instituut/de praktijk, waar de BIG-geregistreerde behandelaar werkt, uitgevoerd. Hierbij is het een voorwaarde dat de BIG-geregistreerde behandelaar de verantwoordelijkheid neemt voor het behandelplan, aanspreekbaar is voor de volledige behandeling en regelmatig contact heeft met de niet (zelfstandig) erkende, behandelaar.”


3.3.

Vastgesteld wordt dat de onder 2.1 beschreven, thans door verweerder geformuleerde nadere voorwaarde ten aanzien van de kwalificatie van de BIG-geregistreerde toezichthouder, niet in de beleidsregels is terug te vinden. Wel spreken de beleidsregels nadrukkelijk van toezicht door een arts. Een fysiotherapeut is geen arts. Niet de door appellant opgeworpen mogelijkheid van toezicht door de huisarts, maar juist het door verweerder verlangde toezicht door een fysiotherapeut levert dus strijd op met verweerders eigen, vastgestelde beleid. Dit mede in aanmerking genomen, moet worden geoordeeld dat de onder 2.1 bedoelde nadere voorwaarde ten onrechte aan appellant is tegengeworpen. Hoewel op zichzelf wel situaties denkbaar zijn waarin een te grote discrepantie tussen het vakgebied van de behandelaar enerzijds en dat van de toezichthouder anderzijds aan een adequaat toezicht in de weg zou kunnen staan, is dat in dit geval niet aan de orde. Massagetherapie houdt geen gecompliceerde of specialistische medische behandeling in. Een huisarts mag in staat worden geacht zich een gedegen oordeel te vormen over het verloop van zo’n therapie, alsmede over het effect ervan op klachten als die waarmee appellant heeft te kampen. Een en ander betekent dat ook het nieuwe besluit van verweerder niet op een deugdelijke motivering berust.


3.4.

Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat verweerder, in aanmerking genomen het in beeld zijn van de huisarts, ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of langs de weg van direct of indirect toezicht aan de toekenningsvoorwaarden is of kan worden voldaan. Verweerder heeft daarin, gezien het overwogene onder 3.3 ten onrechte, geen aanleiding gezien om alsnog de precieze rol van de huisarts ten aanzien van de therapie te onderzoeken. De Raad zal ervan afzien verweerder opnieuw op te dragen dit gebrek te herstellen en zal thans uitgaan van hetgeen appellant op dit punt heeft verklaard. Blijkens die verklaring wordt appellant wekelijks door zijn huisarts gezien en houdt de huisarts daarnaast nadrukkelijk de vinger aan de pols door middel van frequente contacten met de therapeute. Hiermee is in voldoende mate voldaan aan de criteria voor indirect toezicht zoals gesteld in de beleidsregels van verweerder. In aanmerking genomen dat de praktijkruimtes van huisarts en therapeute zich in elkaars nabijheid bevinden, acht de Raad het in dit geval niet aanvaardbaar om onverkort vast te houden aan de in dat beleid opgenomen vereiste dat het toezicht wordt uitgevoerd in het instituut/de praktijk van de BIG-geregistreerde behandelaar. Conclusie van een en ander is dat de gevraagde voorziening ten onrechte niet is toegekend.


3.5.

Het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het overwogene in deze uitspraak, leidt tot de volgende uitkomst. Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. De Raad zal dit besluit daarom vernietigen. Het overwogene in deze uitspraak betekent dat ook het nieuwe besluit van 20 augustus 2014 geen stand kan houden. De Raad zal ook dit besluit vernietigen. Gelet op het overwogene onder 3.4 zal de Raad het primaire besluit van 29 maart 2013 herroepen en appellant met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, de gevraagde voorziening toekennen.


4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 30 mei 2013 gegrond en vernietigt dit

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2014 gegrond en vernietigt dit

besluit;

- herroept het primaire besluit van 29 maart 2013, kent aan appellant toe de door hem

verzochte vergoeding van de kosten van massagetherapie in de praktijk voor

natuurgeneeskunde en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde

besluiten;

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 44,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en B.J. van de Griend en

D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2015.




(getekend) R. Kooper




(getekend) E. Heemsbergen



HD