Centrale Raad van Beroep, 18-03-2015 / 13-5242 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:824

Inhoudsindicatie
Intrekking WW-uitkering. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat de wettelijke grondslag van het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd en dat de intrekking van de WW-uitkering had moeten worden gebaseerd op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW, en artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Appellant heeft het Uwv niet medegedeeld dat hij ook na de vakantie in Pakistan heeft verbleven. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Dwingend recht. Geen ruimte om rekening te houden met de omstandigheid dat appellant mogelijk buiten zijn schuld, namelijk wegens door hem gestelde ziekte, buiten Nederland heeft verbleven. Vernietiging bestreden besluit met in standlating rechtsgevolgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
13-5242 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/5242 WW

Datum uitspraak: 18 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2013, 12/5902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN


1.1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 oktober 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld verlies van 38 arbeidsuren.


1.2.

Appellant heeft het Uwv gemeld dat hij van 23 oktober 2011 tot en met 20 november 2011 op vakantie gaat. Bij besluit van 14 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant gedurende de door hem opgegeven vakantieperiode recht heeft op WW-uitkering.


1.3.

Appellant is op 29 november 2011 zonder bericht niet verschenen op een afspraak met zijn werkcoach. Hij heeft ook niet gereageerd op een daarna door de werkcoach verstuurd sms-bericht en een brief met het verzoek om contact op te nemen. Bij besluit van 4 januari 2012 heeft het Uwv de betaling van de WW-uitkering met ingang van 19 december 2011 opgeschort, omdat het niet kon vaststellen of appellant nog recht had op een WW-uitkering en hoe hoog die zou moeten zijn. Het Uwv heeft appellant verzocht om vóór 11 januari 2012 een nieuwe afspraak te maken met zijn werkcoach, en daarbij aangetekend dat als hij niet reageert, of pas na 11 januari 2012, dit gevolgen kan hebben voor zijn uitkering.


1.4.

Omdat appellant niet heeft gereageerd op het besluit van 4 januari 2012, heeft het Uwv bij besluit van 12 juni 2012 de WW-uitkering van appellant ingetrokken per 19 december 2011. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 juni 2012, en heeft in dat kader gesteld dat hij in Pakistan op 13 november 2011 ernstig ziek is geworden, tot eind februari 2012 in Pakistan is gebleven, maar door de slechte communicatiemiddelen niet eerder in contact heeft kunnen treden met het Uwv.


1.5.

Bij besluit van 19 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juni 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daaraan, zoals mede is gebleken uit de in de loop van de procedure door het Uwv verstrekte inlichtingen, ten grondslag gelegd dat de intrekking per 19 december 2011 berust op het standpunt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan niet kon worden vastgesteld of nog recht op WW-uitkering bestond. Daarmee heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij niet in staat was om eerder in contact te treden met het Uwv over zijn ziekte, en dat de rechtbank dan ook ten onrechte heeft geoordeeld dat hij verwijtbaar heeft gehandeld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.


4.2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW eindigt het recht op uitkering zodra de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19.


4.3.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW trekt het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.


4.4.

Op grond van artikel 25 van de WW, voor zover hier van belang, is de werknemer verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.


4.5.

Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv te kennen gegeven dat de wettelijke grondslag van het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd en dat de intrekking van de WW-uitkering van appellant per 19 december 2011 had moeten worden gebaseerd op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW, en artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.


4.6.

Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, te worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, dat besluit wegens strijdt met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen en bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.


4.7.

Niet in geschil is dat appellant het Uwv niet heeft medegedeeld dat hij ook na de in 1.2 vermelde vakantie, en ook op en na 19 december 2011, in Pakistan heeft verbleven. Daarmee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.


4.8.

Zoals in 1.2 is vermeld, heeft appellant het Uwv meegedeeld dat hij van plan was om van 23 oktober 2011 tot en met 20 november 2011 op vakantie te gaan. Appellant heeft tijdens de bezwaarprocedure te kennen gegeven dat hij tijdens zijn vakantie in Pakistan op

13 november 2011 ernstig ziek is geworden, niet mocht vliegen en uiteindelijk pas eind februari 2012 naar Nederland is teruggekeerd. Hieruit blijkt dat in ieder geval op

19 december 2011 sprake was van een verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie. Op grond van de uitsluitingsgrond, neergelegd in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, had appellant vanaf in ieder geval 19 december 2011 geen recht op een WW-uitkering.


4.9.

De artikelen 19, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d van de WW zijn dwingendrechtelijke bepalingen. Deze bieden dan ook geen ruimte om rekening te houden met de omstandigheid dat appellant mogelijk buiten zijn schuld, namelijk wegens door hem gestelde ziekte, buiten Nederland heeft verbleven. In dit verband wordt ook verwezen naar een uitspraak van de Raad van 15 oktober 1991 (ECLI:NL:CRVB:1991:AK9462). Het Uwv heeft dan ook terecht met toepassing van deze artikelen en artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW de WW-uitkering van appellant ingetrokken per 19 december 2011.


4.10.

Gelet op hetgeen onder 4.7 tot en met 4.9 is overwogen zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten. Voor toewijzing van de vordering van appellant tot veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding bestaat in deze situatie geen aanleiding. Het verzoek zal worden afgewezen.


5. Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van aan appellant verleende rechtsbijstand, begroot op € 980,- in beroep en € 490,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 oktober 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.470,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) J.C. Hoogendoorn



HD