Centrale Raad van Beroep, 18-03-2015 / 14-222 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:829

Inhoudsindicatie
Herziening indicatie voor AWBZ-zorg. Appellant heeft in zich in hoger beroep op dezelfde gronden als de door de rechtbank reeds verworpen gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de in beroep aangevoerde gronden en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust ten volle. Geen sprake van een situatie waarin AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd voordat behandeling in het kader van de Zvw is aangevangen. Een bestuursorgaan mag een gemaakte fout in beginsel herstellen. Gelet op het feit dat CIZ een overgangstermijn van zes weken heeft gehanteerd is er in het geval van appellant, die slechts een geringe indicatie had, geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-03-24
Zaaknummer
14-222 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/222 AWBZ

Datum uitspraak: 18 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 december 2013, 13/1580 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015. Voor appellant is verschenen mr. Weldam. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is tot februari 2012 in verband met psychische problematiek onder behandeling geweest van Altrecht, Fact Utrecht Noordwest (Fact). De behandeling is afgesloten toen bleek dat de psychotische klachten met medicatie onder controle waren. Voor zijn persoonlijkheidsstoornis is hij door Fact doorverwezen naar de afdeling persoonlijkheidsstoornissen van Altrecht, het Ambulatorium. Voor een behandeling bij het Ambulatorium bestaat een wachttijd van ongeveer anderhalf jaar. Ter overbrugging van deze wachttijd heeft de huisarts appellant, op advies van Altrecht, verwezen naar Indigo.


1.2.

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft CIZ appellant op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor Begeleiding Individueel (BI), klasse 2. Op 25 augustus 2012 heeft appellant een aanvraag ingediend bij CIZ voor uitbreiding van de indicatie met een hogere klasse BI, Begeleiding Groep (BG) en Persoonlijke Verzorging (PV).


1.3.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft CIZ een indicatieonderzoek verricht. Uit dit onderzoek bleek dat er geen reden was aan appellant in verband met zijn lichamelijke klachten PV toe te kennen. Behandeling daarvan op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is voorliggend. Met betrekking tot de psychische klachten is geconcludeerd dat begeleiding kan worden geboden vanuit de behandeling door Altrecht, zodat de indicatie voor

AWBZ-zorg kan worden beëindigd c.q. verminderd.


1.4.

Bij (primair) besluit van 10 oktober 2012 heeft CIZ appellant geïndiceerd voor de functie BI, klasse 1, voor de periode van 10 oktober 2012 tot 18 juni 2027. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft de medisch adviseur van CIZ een onderzoek ingesteld. De medisch adviseur concludeerde dat bij appellant sprake is van een chronisch psychiatrische aandoening. Maar omdat appellant voor de behandeling daarvan op de wachtlijst van het Ambulatorium was geplaatst, diende de begeleiding van appellant gedurende de wachttijd door die instelling verschaft te worden. Appellant kan daarom geen aanspraak maken op AWBZ-zorg. Bij besluit van 31 januari 2013 (bestreden besluit), tekstueel gecorrigeerd bij besluit van 21 februari 2013, heeft CIZ besloten de indicatie voor BI, klasse 1, te beëindigen met ingang van 8 maart 2013, zes weken na de datum van het bestreden besluit.


2. Appellant heeft beroep tegen het bestreden besluit ingesteld. Hij heeft daarbij onder meer aangevoerd dat het verbod op reformatio in peius is geschonden nu CIZ in reactie op zijn bezwaarschrift zijn indicatie heeft beëindigd. Voorts heeft appellant gesteld dat CIZ appellant niet zonder nader onderzoek naar zijn zorgbehoefte naar de Zvw had mogen verwijzen. Zolang appellant op de wachtlijst van het Ambulatorium staat, beschikt die instelling niet over een dossier van appellant en heeft dan ook geen inzicht in zijn zorgbehoefte. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek van de medisch adviseur in bezwaar onvoldoende zorgvuldig was omdat hij appellant niet persoonlijk heeft onderzocht of op huisbezoek is geweest.


3.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het aan de besluitvorming ten grondslag liggende medische onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest, nu daarbij alle voorhanden medische informatie is betrokken en aanvullende informatie is opgevraagd bij de aan appellant toegewezen sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Indigo.


3.2.

Met betrekking tot de op AWBZ-zorg voorliggende voorziening van behandeling op grond van de Zvw heeft de rechtbank als volgt overwogen. De behandeling bij het Ambulatorium wordt vanuit de Zvw vergoed. Ter overbrugging van de wachttijd tot de aanvang van die behandeling was appellant door de huisarts voor begeleiding verwezen naar Indigo. Ook deze begeleiding door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van Indigo wordt bekostigd vanuit de Zvw. Behandeling en begeleiding vanuit de Zvw is een op zorg op grond van de AWBZ voorliggende voorziening en daarom is bij het bestreden besluit terecht de indicatie voor BI op grond van de AWBZ beëindigd.


4. Appellant heeft in zich in hoger beroep op dezelfde gronden als de door de rechtbank reeds verworpen gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting is daar namens appellant aan toegevoegd dat hij aan het primaire besluit van 10 oktober 2012 het vertrouwen mocht ontlenen dat hij recht had op AWBZ-zorg. Als appellant had geweten dat het primaire besluit onjuist was, zou hij geen bezwaar daartegen hebben gemaakt en was de indicatie doorgelopen. Appellant stelt schade te hebben ondervonden, omdat zijn persoonsgebonden budget (pgb) voor BI beëindigd is nog voordat hem door de gemeente een pgb was toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. In het licht daarvan acht appellant de door CIZ gehanteerde overgangstermijn van zes weken onevenredig kort.


5.1.

De Raad stelt voorop dat hij zich verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de in beroep aangevoerde gronden en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust ten volle. De Raad voegt hier het volgende aan toe.


5.2.

Uit de rechtspraak van de Raad blijkt dat zich een tweetal situaties kunnen voordoen waarin AWBZ-zorg moet worden geïndiceerd voordat behandeling in het kader van de Zvw is aangevangen (onder andere CRvB 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2622 en CRvB 23 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2623). In het eerste geval zoekt of accepteert de betrokkene de behandeling niet op gronden die verband houden met zijn ziekte of aandoening, in het tweede geval is de behandeling (nog) niet beschikbaar. In beide gevallen moet een risico op verwaarlozing van de verzekerde bestaan. Ter zitting is namens CIZ te kennen gegeven dat naar aanleiding van deze jurisprudentie in de beroepsfase alsnog is bekeken of een van deze twee situaties zich in dit geval heeft voorgedaan. Weliswaar was de behandeling bij het Ambulatorium (nog) niet beschikbaar door de wachtlijst, maar omdat appellant door de huisarts is verwezen naar Indigo voor begeleiding tijdens de wachttijd, kon hij geen aanspraak maken op BI op grond van de AWBZ.


5.3.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij erop mocht vertrouwen dat het indicatiebesluit van 10 oktober 2012 juist was, merkt de Raad het volgende op. Uit de rechtspraak van de Raad volgt dat een bestuursorgaan een gemaakte fout in beginsel mag herstellen, dat wil zeggen voor zover daardoor de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet worden geschonden. Gelet op het feit dat CIZ een overgangstermijn van zes weken heeft gehanteerd is er in het geval van appellant, die slechts een geringe indicatie had, geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van zo’n schending. Een in het verleden gemaakte - begunstigende - fout biedt geen garantie voor de toekomst. Dat CIZ appellant, zoals hij stelt, schade zou hebben berokkend door een juiste indicatie te stellen valt dan ook niet in te zien.


5.4.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015.




(getekend) H.C.P. Venema




(getekend) K. de Jong





HD