Centrale Raad van Beroep, 23-03-2015 / 13-6117 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:888

Inhoudsindicatie
Weigering uitkering ingevolge de WAO na toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad stelt vast dat, noch indien wordt uitgegaan van 10 april 2002, noch indien wordt uitgegaan van 7 augustus 2002, de (eventuele) toeneming van de arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 januari 2013 is gelegen binnen de in de artikelen 39a en 43a van de WAO genoemde termijn van vijf jaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-23
Publicatiedatum
2015-03-25
Zaaknummer
13-6117 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/136
Uitspraak

13/6117 WAO

Datum uitspraak: 23 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 september 2013, 13/2920 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2015. Namens appellante is

mr. B. Arabaci, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 10 april 2001 uitgevallen voor haar werk als schoonmaakster. Haar is na de toen geldende wachttijd van 52 weken met ingang van 10 april 2002 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Op 10 juli 2002 heeft zij zich opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 16 januari 2003 is zij vervolgens met ingang van

7 augustus 2002 in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het Uwv het besluit van 16 januari 2003 ingetrokken en heeft het Uwv alsnog geweigerd aan appellante met ingang van

7 augustus 2002 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat de arbeidsongeschiktheid per deze datum minder dan 15% bedroeg. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 juli 2012 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.


1.3.

Appellante heeft op 17 januari 2013 gemeld dat bij haar per 1 januari 2013 sprake is van toegenomen klachten.


1.4.

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 29 januari 2013 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat het alleen mogelijk is een dergelijke uitkering te ontvangen “als u korter dan vijf jaar geleden ook een WAO- uitkering heeft gehad en daar werkelijk recht op had of binnen vijf jaar nadat uw eerdere aanvraag voor een

WAO- uitkering in aansluiting op de wachttijd van 52 weken is afgewezen”. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 12 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de melding van de verslechterde gezondheid binnen vijf jaar is gedaan, nu het Uwv bij besluit van 16 januari 2009 weer uitkering aan appellante heeft toegekend en zij voor het laatst in het jaar 2011 WAO-uitkering heeft genoten. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat het appellante gaat om de terugvordering die is voortgevloeid uit het alsnog weigeren van een

WAO-uitkering per 7 augustus 2002. Volgens appellante is sprake van een uitzonderingsgeval, op grond waarvan de formele rechtskracht van het besluit van

25 juli 2012 doorbroken dient te worden. In dat kader voert appellante aan dat bij haar sprake is van ernstige psychopathologie.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. In hoger beroep stelt het Uwv zich op het standpunt dat noch op grond van artikel 39a van de WAO, noch op grond van artikel 43a van de WAO recht bestaat op WAO-uitkering omdat de toeneming van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar heeft plaatsgevonden.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

In geschil is of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit, dat - kort gezegd - inhoudt dat met ingang van 29 januari 2013 geen recht bestaat op WAO-uitkering omdat appellante zich niet binnen een termijn van vijf jaar opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld, moet worden gevolgd.


4.2.

Ingevolge artikel 39a, eerste lid, van de WAO vindt ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd. Artikel 43a, eerste lid, van de WAO bepaalt dat indien degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, of die na afloop van de in artikel 19, eerste lid, van de WAO bedoelde wachttijd van 52 weken ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid, maar geen recht had op toekenning van een

WAO-uitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.


4.3.

De Raad stelt vast dat, noch indien wordt uitgegaan van 10 april 2002, noch indien wordt uitgegaan van 7 augustus 2002, de (eventuele) toeneming van de arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 januari 2013 is gelegen binnen de in de artikelen 39a en 43a van de WAO genoemde termijn van vijf jaar. Dat in 2009 een WAO-uitkering aan appellante is toegekend en zij in 2011 nog een WAO-uitkering ontving doet daar niet aan af, omdat de uitkering die appellante bij besluit van 16 januari 2003 was toegekend, haar blijkens het besluit van

25 juli 2012 zonder rechtsgrond was toegekend. De “toekenning” uit 2009 waarop appellante doelt hield slechts in dat de eerdere intrekking van WAO-uitkering per 2 april 2008 ongedaan werd gemaakt en zij onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt werd geacht. Deze toekenning is eveneens herzien bij het besluit van 25 juli 2012. Tegen dit besluit, betreffende de intrekking van de toekenning per 7 augustus 2002 en weigering op en na die datum een WAO-uitkering toe te kennen, heeft appellante geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Er bestaat geen basis voor een uitzondering op de formele rechtskracht van dit besluit.


4.4.

Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein


GdJ