Centrale Raad van Beroep, 21-01-2015 / 13-1007 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:92

Inhoudsindicatie
Weigering WAO-uitkering, geen sprake van toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor zij in 2009 een WAO-uitkering ontving. Beëindiging ZW-uitkering. “Zijn arbeid”. Geschikt voor ten minste één van de in het kader van de WAO geduide functies. Voldoende medische grondslag. Geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat beperkingen zijn onderschat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-22
Zaaknummer
13-1007 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1007 WAO, 13/4251 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord Nederland van

7 januari 2013, 12/761 (aangevallen uitspraak 1) en van 28 juni 2013, 13/284 (aangevallen uitspraak 2).

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, de hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als conciërge. Per 15 augustus 1995 heeft zij zich ziek gemeld met aan zwangerschap gerelateerde klachten alsmede nek-, rug- en schouderklachten. Per einde wachttijd (13 augustus 1996) is zij volledig arbeidsongeschikt beschouwd en is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2009 heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd om de aan appellante verstrekte WAO-uitkering per 20 maart 2009 in te trekken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. De rechtbank Groningen heeft het tegen het besluit van 28 oktober 2009 ingestelde beroep bij uitspraak van 23 maart 2010 ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Raad, bij uitspraak van 18 november 2011, is bevestigd.


1.2.

Op 11 oktober 2011 heeft appellante bij het Uwv een melding van verslechterde gezondheid ingediend.


1.3.

Bij besluit van 25 november 2011 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij, na een verkorte wachttijd van vier weken, geen WAO-uitkering krijgt omdat geen sprake is van toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor zij tot 20 maart 2009 een WAO-uitkering ontving. Aan dit besluit is een rapport van een verzekeringsarts van

24 november 2011 ten grondslag gelegd, die heeft geconcludeerd dat het bestaande belastbaarheidspatroon, vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

12 oktober 2009 nog immer ongewijzigd van toepassing was.


1.4.

Bij besluit van 6 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 november 2011 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan bestreden besluit 1 het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juli 2012 ten grondslag gelegd, waarin deze arts concludeert dat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de (primaire) verzekeringsarts. Wel is sprake van toegenomen beperkingen vanwege incontinentieklachten, maar deze klachten komen voort uit een andere ziekteoorzaak. Appellante heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.


1.5.

Op 2 augustus 2012 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld vanwege suikerziekte, nek-, schouder-, been- en blaasklachten. Vervolgens heeft zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. In overeenstemming met de onderzoeksbevindingen van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, vastgelegd in hun respectieve rapporten van 4 december 2012, waarin geconcludeerd is dat appellante geschikt is te achten voor de, in het kader van de

WAO-beoordeling in 2009 geduide functie van productiemedewerker confectie, heeft het Uwv bij besluit van 7 december 2012 de ZW-uitkering van appellante per 14 december 2012 beëindigd.


1.6.

Bij besluit van 11 februari 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 december 2012 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 is het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 februari 2013 door het Uwv ten grondslag gelegd. Ook tegen bestreden besluit 2 heeft appellante beroep ingesteld.


2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de beoordeling door de verzekeringsartsen onjuist of onzorgvuldig te achten. De informatie die appellante in beroep heeft overgelegd heeft de rechtbank niet doen twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank is gebleken dat de door appellante genoemde rapporten van medisch adviseur D.J. Schakel al zijn beoordeeld in de procedure inzake de beëindiging van de WAO-uitkering van appellante. In dat verband verwijst de rechtbank naar de

(in 1.1 genoemde) uitspraak van de Raad van 18 november 2011, waarin de Raad in de rapporten van Schakel geen aanleiding heeft gezien de FML van 12 oktober 2009 voor onjuist te houden. Door appellante zijn geen verdere medische stukken ingebracht waaruit blijkt van een toename van de beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor zij eerder een WAO-uitkering ontving.


2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar haar overwegingen in aangevallen uitspraak 1, geoordeeld dat de rapporten van de verzekeringsartsen met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen en dat zij hun conclusies inzichtelijk hebben gemotiveerd. Bij hun beoordeling hebben de verzekeringsartsen de beschikbare medische informatie betrokken. Appellante heeft haar stelling dat aan het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gebreken kleven, niet nader onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 14 december 2012 geen recht meer had op een uitkering ingevolge de ZW.


3.1.

Appellante heeft zich in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 (samengevat) op het standpunt gesteld dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar de rapporten van medisch adviseur Schakel.


3.2.

Tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante aangevoerd dat, waar het betreft de

CTS-klachten, wel sprake was van een verslechtering die al langere tijd bestond. Zij heeft ook hiertoe verwezen naar de rapporten van medisch adviseur Schakel.


De Raad oordeelt als volgt.


131007 WAO


4.1.

In artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden indien degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de uitkering werd genoten en onafgebroken vier weken heeft geduurd.


4.2.

Wat appellante in hoger beroep aanvoert is in essentie een herhaling van de in beroep door haar reeds aangevoerde gronden. Deze gronden zijn door de rechtbank afdoende behandeld in de overwegingen die zij aan haar oordeel in aangevallen uitspraak 1 ten grondslag heeft gelegd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. In hoger beroep is door appellante geen nieuwe medische informatie overgelegd die aanleiding vormt voor een andersluidend oordeel.

Het Uwv heeft met juistheid aan appellante, na een wachttijd van 4 weken, per

25 november 2011 een WAO-uitkering geweigerd.


134251 ZW


4.3.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies.


4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig onderzoek is verricht en dat zij op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellante per 14 december 2012 geschikt wordt geacht voor ten minste één van de in het kader van de WAO geduide functies. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar beperkingen per 14 december 2012 zijn onderschat.


4.5.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) K. de Jong




RB