Centrale Raad van Beroep, 18-03-2015 / 14-1659 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:928

Inhoudsindicatie
Studiefinanciering terecht herzien naar de norm voor de thuiswonende studerende. Niet woonachtig op het GBA-adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-18
Publicatiedatum
2015-03-31
Zaaknummer
14-1659 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1659 WSF

Datum uitspraak: 18 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

25 februari 2014, 13/2107 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kobossen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 26 oktober 2012 vanaf oktober 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.


1.2.

Op 28 maart 2013 heeft een controleur in opdracht van de minister een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) is ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woonachtig is. Van het huisbezoek is op 9 april 2013 een rapport opgemaakt.


1.3.

De minister heeft op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de aanvankelijk aan appellante bij besluit van 26 oktober 2012 toegekende studiefinanciering bij besluit van

12 april 2013 herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 oktober 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het over de periode oktober 2012 tot en met maart 2013 aan appellante te veel betaalde bedrag van € 1.156,62 is daarbij van haar teruggevorderd.


1.4.

De minister heeft het tegen het besluit van 12 april 2013 door appellante gemaakte bezwaar bij besluit van 31 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek dat door de controleur is verricht is gebleken dat appellante niet woont op haar GBA-adres.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de minister uit het rapport van het huisbezoek de conclusie heeft mogen trekken dat appellante niet op haar GBA-adres woonde. De rechtbank heeft erop gewezen dat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt dat appellante, anders dan zij heeft aangevoerd, in de periode van 1 oktober 2012 tot 1 april 2012 (lees: 2013) niet op het GBA-adres heeft gewoond. De rechtbank heeft overwogen dat bij het huisbezoek op 28 maart 2013 in de woning op het adres [adres] is gebleken dat appellante niet beschikte over een eigen slaapplek en dat zij de controleur geen studiemateriaal, administratieve stukken of post kon tonen, behoudens een enkele ongeopende brief. Weliswaar is kleding van appellante aangetroffen, maar de aangetroffen bovenkleding paste niet bij het seizoen. Daarnaast is slechts één spijkerbroek aangetroffen. Behoudens genoemde kleding, de ongeopende brief, een paar laarzen, een paar schoenen en enkele verzorgingsartikelen in de badkamer zijn geen persoonlijke spullen van appellante in de woning aangetroffen. In de enkele niet onderbouwde ontkenning van de juistheid van de inhoud van het rapport opgemaakt naar aanleiding van het huisbezoek heeft de rechtbank geen aanleiding gezien niet uit te gaan van de juistheid daarvan.


3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister uit de tijdens het huisbezoek vastgestelde feiten de conclusie kon trekken dat appellante niet woonde op het GBA-adres waaronder zij was ingeschreven. Appellante beschikte niet over meer spullen dan zij tijdens de controle heeft getoond. Appellante had, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in de woning wel een eigen slaapplek. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak zijn onvoldoende gemotiveerd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


4.2.

Vastgesteld wordt dat de gronden die in hoger beroep zijn aangevoerd in essentie dezelfde zijn als die in beroep bij de rechtbank zijn aangevoerd. De rechtbank heeft de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak besproken en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad maakt dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Hij voegt daaraan het volgende toe.


4.3.

De vraag waar een studerende woont moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Dat geen objectieve vooraf nauwkeurig en getalsmatig vastgestelde criteria worden gehanteerd over wat op een adres zou moeten worden aangetroffen wil kunnen worden vastgesteld dat iemand wel op zijn GBA-adres woont, is in zoverre niet relevant. Het ontbreken van dergelijke criteria doet immers niets af aan de waarnemingen van de controleur, de naar aanleiding daarvan gegeven verklaringen en het op basis daarvan verkregen beeld van de woonsituatie van appellante. Op basis van de waarnemingen door de controleur van de concrete feiten en omstandigheden in het onderhavige geval is aannemelijk geworden dat appellante niet op haar GBA-adres woont. Wat appellante in beroep en in hoger beroep naar voren heeft gebracht, onder meer over de beperkte hoeveelheid aan haar toebehorende spullen die op het GBA-adres zijn aangetroffen, is nu zij daar naar haar stelling reeds meer dan zes maanden woonde niet voldoende om aannemelijk te achten dat zij, in weerwil van het door de controleur geconstateerde en de door hem getrokken conclusie, ten tijde van de controle wel woonde op haar GBA-adres.


4.4.

Wat is overwogen in 4.2 en 4.3 leidt tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) G.J. van Gendt




RB