Centrale Raad van Beroep, 16-01-2015 / 13-3241 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:96

Inhoudsindicatie
Weigering Wet Wajong. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-16
Publicatiedatum
2015-01-23
Zaaknummer
13-3241 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3241 WWAJ

Datum uitspraak: 16 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 mei 2013, 13/34 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. E. Schriemer, kantoorgenoot van mr. Nijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante, geboren op 29 oktober 1986, heeft een op 11 maart 2012 door haar ondertekende aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) in verband met psychische klachten.


1.2.

Na onderzoek en mede op grond van medische informatie heeft een verzekeringsarts van het Uwv vastgesteld dat een diagnose in verband met de psychische klachten van appellante nog niet duidelijk is. Aanvankelijk is zij onder behandeling geweest voor ADHD, maar gaandeweg is duidelijk geworden dat er mogelijk sprake is van een autisme spectrum stoornis (ASS). Gelet op de aanbevolen behandeling voor ASS, waarvoor appellante ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts op een wachtlijst stond, heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er sprake is van ziekte of gebrek in de zin van de Wet Wajong. Appellante heeft beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts is zij aangewezen geacht op regelmatige werktijden, maar voor het aannemen van een urenbeperking is geen aanleiding gezien. De beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

19 april 2012. Aan de hand van deze FML heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellante in staat geacht kan worden in gangbare arbeid ten minste het maatmanloon te verdienen.


1.3.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet Wajong, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van deze uitkering.


1.4.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 mei 2012 is zij onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Deze heeft de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigd, maar in de FML zorgvuldigheidshalve nog wel een beperking op het werktempo opgenomen. Evenals de verzekeringsarts heeft ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen noodzaak gezien voor het vaststellen van een urenbeperking. Op basis van de bijgestelde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opnieuw vastgesteld welke functies appellante, gelet op haar mogelijkheden en beperkingen, zou kunnen vervullen. Vergelijking van het maatmaninkomen met de mediane loonwaarde van de voor appellante geselecteerde functies heeft uitgewezen dat appellante geen verlies aan verdienvermogen heeft.


1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 21 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 mei 2012, met verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.


2.1.

Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. In de beschikbare gegevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de in de FML opgenomen beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren onvoldoende te achten. Met betrekking tot de gestelde gevoeligheid voor geluid heeft de rechtbank opgemerkt dat de verzekeringsarts, evenmin als de verzekeringsarts bezwaar en beroep, een noodzaak heeft gezien beperkingen voor geluid op te nemen. Zo van beperkingen op dit punt sprake zou zijn, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat het dragen van gehoorbescherming geen toereikende oplossing zou bieden, zoals door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is voorgesteld in het rapport van 7 februari 2013.


2.2.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellante geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die haar standpunt onderbouwen dat met twee dagdelen werken per week haar maximum is bereikt. De noodzaak tot het aannemen van een urenbeperking acht de rechtbank niet aangetoond.


2.3.

Het Uwv heeft terecht de geselecteerde functies inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker metaal (SBC-code 111171) en archiefmedewerker (SBC-code 315130) aan de schatting ten grondslag gelegd, ondanks de gestelde problemen van appellante vanwege het handelingstempo en de combinatie van productie en controle. Nu het Uwv eerst in beroep voldoende inzichtelijk en adequaat heeft gemotiveerd waarom de functie van archiefmedewerker passend geacht kan worden voor appellante heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.


3. Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Appellante heeft haar in beroep aangevoerde gronden gehandhaafd dat bij het vaststellen van haar beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten als gevolg van ASS, waaronder gevoeligheid voor geluiden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een brief van 7 juni 2013 van een psychiatrische verpleegkundige van Dimence overgelegd. Voorts is zij onveranderd van mening dat een urenbeperking moet worden aangenomen en heeft zij herhaald dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen, met name omdat de hierin voorkomende combinatie van produceren en controleren voor haar te belastend is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad stelt allereerst met de rechtbank vast dat de aanvraag van appellante dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van hoofdstuk 2 van de met ingang van

1 januari 2010 geldende Wet Wajong.


4.2.

Ingevolge artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong heeft de jonggehandicapte op aanvraag recht op arbeidsondersteuning op grond van hoofdstuk 2 van deze wet, indien hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.


4.3.

In artikel 2:3, eerste lid van de Wet Wajong is, voor zover voor dit geding relevant, bepaald dat als jonggehandicapte moet worden aangemerkt de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij 17 jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.


4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen reeds in bezwaar en beroep naar voren is gebracht en vormt geen aanleiding voor het oordeel dat in de vastgestelde FML onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen die appellante heeft als gevolg van ASS.


4.5.

In de in hoger beroep overlegde informatie van 7 juni 2013 van Dimence is de problematiek van appellante nog eens beschreven. Hieruit kan evenwel niet worden opgemaakt dat de verzekeringsartsen van het Uwv over onjuiste of onvoldoende relevante informatie hebben beschikt om over de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen van het verrichten van arbeid te kunnen oordelen.


4.6.

Desgevraagd heeft appellante ter zitting geantwoord dat zij niet zozeer last heeft van geluiden vanwege het volume, maar dat zij door geluiden wel snel afgeleid en geprikkeld kan raken. Deze omstandigheid vormt echter onvoldoende aanleiding voor het opnemen van een beperking in de FML. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 7 februari 2013 vermeld dat in de geselecteerde functies gebruik gemaakt kan worden van gehoorbescherming. Appellante heeft ook in hoger beroep geen concrete gegevens aangedragen waaruit blijkt dat het dragen van gehoorbescherming niet mogelijk is.


4.7.

Appellante heeft voorts geen objectief medische gegevens ingebracht waaruit blijkt dat, gelet op het ziektebeeld, preventief een urenbeperking noodzakelijk is. Aan de eigen opvatting van appellante met betrekking tot haar mogelijkheden om tot een bepaald aantal uren per dag werkzaamheden te verrichten, komt niet dat gewicht toe dat zij daaraan gehecht wil zien.


4.8.

Met de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het arbeidskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.


4.9.

Gelet op hetgeen in 4.4 tot en met 4.8 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M. Greebe en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) W. de Braal





nk