Centrale Raad van Beroep, 11-03-2015 / 12-6736 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:964

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering WIA-uitkering. Het Uwv is voor de berekening van het ongemaximeerde WIA-dagloon (factor D van artikel 61 van de Wet WIA) terecht uitgegaan van de inkomsten uit arbeid die appellant heeft genoten in de referteperiode, te weten twee maanden loon bij[BV] en tien maanden WW-uitkering op basis van het maximum dagloon.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-11
Publicatiedatum
2015-04-01
Zaaknummer
12-6736 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6736 WIA

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2012, 12/5422 en 12/5423 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door H. Weij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 1 juni 2003 werkloos geworden uit een dienstverband met[BV], waarop hij in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) gebaseerd op het toen geldende maximum dagloon van € 167,70 per dag.


1.2.

Appellant heeft zich vervolgens op 13 april 2004 vanuit de situatie dat hij een

WW-uitkering ontving ziek gemeld, waarna hij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen op basis van het destijds geldende maximum dagloon.


1.3.

Aansluitend heeft appellant met ingang van 11 april 2006 een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen, wederom gebaseerd op het toen geldende maximum dagloon van € 168,- per dag. Met ingang van 29 mei 2008 is deze uitkering gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering.


1.4.

Op 1 februari 2008 is appellant weer gedeeltelijk gaan werken bij de Luba-groep.


2.1.

Bij besluiten van 17 en 18 oktober 2011 heeft het Uwv het recht van appellant op een WIA-uitkering herzien over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 in verband met genoten inkomsten uit arbeid en de over deze periode teveel betaalde WIA-uitkering van € 1.035,97 bruto van appellant teruggevorderd.


2.2.

Appellant heeft bewaar gemaakt tegen beide besluiten. Bij twee besluiten van

25 mei 2012 (bestreden besluiten) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 17 en

18 oktober 2011 ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.


3.1.

Uitgaande van de eerste ziektedag van 13 april 2004, heeft het Uwv in overeenstemming met artikel 13 van de Wet WIA en artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Besluit, Stb. 2005, 546) de referteperiode vastgesteld op de periode van 1 april 2003 tot en met 31 maart 2004 (referteperiode).




3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de periode van 1 oktober 2010 tot

1 oktober 2011 inkomsten uit arbeid heeft genoten. Op grond van artikel 61 van de Wet WIA dienen deze inkomsten op de WIA-uitkering te worden gekort. Bij de berekening hiervan is niet in geschil het door het Uwv gehanteerde WIA maandloon, de hoogte van het maandelijkse inkomen in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011, noch het gehanteerde maximum dagloon (respectievelijk de factoren A, B en C in de formule zoals weergegeven in artikel 61, eerste lid, van de Wet WIA). De zaak spitst zich toe op de vraag of het ongemaximeerde dagloon (factor D in de formule) juist is berekend.


3.3.

Bepalend voor de vaststelling van het (ongemaximeerde) WIA-dagloon is hetgeen appellant verloond heeft gekregen in de in 3.1 vermelde referteperiode. Niet in geschil is dat appellant in de referteperiode twee maanden verloond heeft gekregen vanuit zijn dienstbetrekking bij[BV] en tien maanden WW-uitkering heeft ontvangen op basis van het maximum dagloon. Niet is gebleken dat het Uwv bij de toepassing van artikel 61 van de Wet WIA is uitgegaan van een onjuiste berekening. Met de (veel hogere) inkomsten die appellant verdiende het jaar voordat hij werkloos werd, kan blijkens het Besluit geen rekening worden gehouden.


3.4.

Het Uwv was op grond van artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA gehouden om de

WIA-uitkering van appellant over de periode van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 te herzien. Een dringende reden om hiervan af te zien is gesteld noch gebleken. Ter zitting van de rechtbank op 26 september 2012 heeft appellant te kennen gegeven zich met de (hoogte van de) terugvordering te kunnen verenigen indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het Uwv zijn uitkering terecht heeft herzien. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering terecht heeft teruggevorderd.


4.1.

In hoger beroep heeft appellant in de kern dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Kort gezegd meent appellant dat het Uwv bij de berekening van de korting op zijn

WIA-uitkering in verband met zijn inkomsten uit arbeid bij de Luba groep in de periode van

1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 ten onrechte rekening heeft gehouden met het maximum dagloon in plaats van met zijn oorspronkelijke inkomsten uit zijn dienstverband bij[BV] voordat hij werkloos werd. Volgens appellant werkt de berekeningsformule van artikel 61 van de Wet WIA ongunstig uit voor personen die meer dan het maximum dagloon verdienden in vergelijking tot personen die minder dan het maximum dagloon verdienden. Ook werkt de berekeningsformule ongunstiger uit naar mate een persoon die meer dan het maximum dagloon verdient langer een WW-uitkering heeft genoten voordat hij ziek wordt.


4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Voor een uitgebreide weergave van het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Met name van belang is artikel 61, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Ingevolge dit artikellid bedraagt de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering per kalendermaand:

b. 0,7 x (A–BxC/D) vanaf de derde maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat:

A: voor het maandloon;

B: voor het in de desbetreffende kalendermaand verworven inkomen;

C: voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is berekend;

D: voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag. Ingevolge het tweede lid van dit artikel komt de hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering overeen met de hoogte van de loongerelateerde uitkering, zoals omschreven in het eerste lid onder b.


5.2.

Het oordeel van de rechtbank, en de uitgebreide overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, welke in 3.1 tot en met 3.4 samengevat zijn weergegeven worden onderschreven. In aanvulling hierop wordt nog verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN6023), waarin is geoordeeld dat de uitwerking van de te hanteren referteperiode in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder q, van het Besluit geheel in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, Wet WIA en dat er geen mogelijkheid is om het Besluit op grond van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing te laten omdat het de rechter niet vrij staat af te wijken van dwingendrechtelijke voorschriften. Dit betekent dat het Uwv voor de berekening van het ongemaximeerde WIA-dagloon (factor D van artikel 61 van de Wet WIA) terecht is uitgegaan van de inkomsten uit arbeid die appellant heeft genoten in de referteperiode, te weten twee maanden loon bij[BV] en tien maanden WW-uitkering op basis van het maximum dagloon.


5.3.

Voor zover appellant heeft betoogd dat de berekeningsformule van artikel 61 van de Wet WIA onredelijk dan wel onbillijk uitpakt voor personen, zoals appellant, die ziek zijn geworden vanuit de situatie dat zij recht hadden op een WW-uitkering op basis van het maximum dagloon, omdat in deze formule geen dan wel onvoldoende rekening wordt gehouden met (veel) hogere inkomsten uit hun eerdere dienstverband, wordt het volgende overwogen. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 5 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:730) heeft overwogen is de Wet WIA een wet in formele zin. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid noch om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen. Dit betekent dat de rechter de keuze van de wetgever voor de met artikel 61 van de Wet WIA gegeven berekeningsformule, en in het verlengde daarvan de keuze voor de berekeningswijze van het dagloon zoals bepaald in artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, moet respecteren.


5.4.

Uit hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.


6. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en C.C.W. Lange en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) E. Heemsbergen






NK