Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 13-4736 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:976

Inhoudsindicatie
Niet in geschil is dat appellant door niet te verschijnen bij de Stadswerkplaats voor een werkstage, geen gebruik heeft gemaakt van een aan hem aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Niet kan worden gezegd dat hierbij elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt. Het college was gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB dan ook gehouden bij wijze van maatregel de bijstand van appellant gedurende een maand te verlagen. De verlaging met 100% gedurende een maand is in overeenstemming met het bepaalde in de Verordening. De stelling dat hij is gediscrimineerd heeft appellant niet onderbouwd. De inspanningen van appellant nadat het maatregelbesluit was genomen, vormen geen aanleiding om te matigen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
13-4736 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4736 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

17 juli 2013, 13/30 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 20 januari 2015 heeft mr. G. Yousef, advocaat, zich voor appellant gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn mr. Yousef. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Roemers.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding sinds 5 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op hem waren de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.


1.2.

Appellant is in het kader van zijn re-integratie met ingang van 2 juli 2012 aangemeld voor een traject bij [naam bedrijf]. In dat verband is hij geplaatst bij het Stadsservicebedrijf van de gemeente [woonplaats]. Na een intake- en plaatsingsgesprek is appellant opgedragen om op 30 juli 2012 te beginnen met een werkstage bij de Stadswerkplaats. Appellant heeft op 30 juli 2012 om 7.00 uur telefonisch aan een medewerker van de Stadswerkplaats meegedeeld dat hij ziek was en niet kon komen. Daarna heeft [naam W.] (W), werkzaam bij het Stadsservicebedrijf, telefonisch contact opgenomen met appellant. Desgevraagd heeft appellant haar meegedeeld dat hij last had van zijn rug, niet bij een dokter was geweest en binnenkort een afspraak had met een fysiotherapeut.


1.3.

Bij besluit van 6 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellant gedurende de periode van 30 juli 2012 tot 30 augustus 2012 met 100% verlaagd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen een werkstage, hem aangeboden in het kader van zijn re-intergratie, niet heeft behouden. Het college heeft deze gedraging aangemerkt als het niet naar vermogen aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid in de zin van artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gedraging van appellant niet kan worden aangemerkt als het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, maar als het niet gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB.


3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Tevens heeft hij verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


4.2.

In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De toepasselijke verordening is de Maatregelenverordening 2012 van de gemeente Hengelo (Verordening).


4.3.

Niet in geschil is dat appellant door niet op 30 juli 2012 te verschijnen bij de Stadswerkplaats geen gebruik heeft gemaakt van een aan hem aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.


4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hem van dit verzuim geen enkel verwijt kan worden gemaakt, omdat hij vanwege zijn rugklachten niet in staat was gehoor te geven aan de opdracht om op 30 juli 2012 bij de Stadswerkplaats te verschijnen. Deze beroepsgrond slaagt niet.


4.4.1.

De bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat appellant geen enkel verwijt treft, rust op appellant. Dit vloeit voort uit het uitzonderingskarakter van de laatste volzin van artikel 18, tweede lid, van de WWB.


4.4.2.

Niet in geschil is dat appellant rond 30 juli 2012 rugklachten had. In het kader van de beantwoording van de vraag of appellant van zijn weigering om op die datum bij de Stadswerkplaats te verschijnen een verwijt kan worden gemaakt is van belang of objectieve en verifieerbare gegevens voorhanden zijn op grond waarvan aannemelijk is dat appellant hiertoe ten gevolge van die klachten vanuit medisch oogpunt niet in staat was.


4.4.3.

Appellant heeft zijn stelling ter zake onderbouwd met een verwijzing naar de door hem overgelegde informatie van de rugkliniek Dorsano (Dorsano) en een patientenjournaal van zijn huisarts. Uit deze informatie kan weliswaar worden afgeleid dat appellant bekend was met rugklachten maar niet dat appellant op 30 juli 2012 door medische oorzaken geen gebruik kon maken van de aangeboden voorziening. In het journaal van de huisarts staat - voor zover hier van belang - niet meer vermeld dan dat appellant op 20 juli 2010 last had van zijn rug en dat het volgens hemzelf op 19 december 2012 wel goed ging. Uit de informatie van Dorsano blijkt dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft erkend, aldaar eerst een afspraak heeft gemaakt, nadat hij zich ’s morgens om 7.00 uur had afgemeld en telefonisch contact met W had gehad. P. Lanson, fysiotherapeut bij Dorsano heeft op 6 september 2012 schriftelijk verklaard dat appellant op 30 juli 2012 is verschenen voor een eenmalig consult en dat hij tot op de dag van schrijven niet onder behandeling is.


4.4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.4. volgt dat niet kan worden gezegd dat aan de weigering om deel te nemen aan de aangeboden voorziening elke vorm van verwijtbaarheid aan de kant van appellant ontbreekt. Het college was gelet op artikel 18, tweede lid, van de WWB dan ook gehouden bij wijze van maatregel de bijstand van appellant gedurende een maand te verlagen. De verlaging met 100% gedurende een maand is in overeenstemming met het bepaalde in de Verordening.


4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat hij bij zijn re-integratie door M. Groothuis, coach bij het Stadsservicebedrijf, is gediscrimineerd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die zijn standpunt dat hij is gediscrimineerd ondersteunen. De enkele omstandigheid dat de coach blijkens de overgelegde e-mailberichten twijfelde aan de bereidwilligheid van appellant om deel te nemen aan een re-integratietraject is hiertoe onvoldoende.


4.6.

In de omstandigheid dat appellant zich, nadat het maatregelbesluit was genomen, heeft ingespannen om een stageplaats en werk te verkrijgen heeft het college, anders dan appellant heeft aangevoerd, terecht geen aanleiding gezien om de opgelegde maatregel in omvang dan wel duur te matigen.


4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal daarom worden bevestigd. Voor toekenning van het verzoek om schadevergoeding is dan ook geen ruimte, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) F. Hoogendijk




(getekend) E. Heemsbergen




HD