Centrale Raad van Beroep, 31-03-2015 / 14-1110 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:983

Inhoudsindicatie
Afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand van de kosten die verbonden zijn aan (het starten van) een echtscheidingsprocedure. Die kosten moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel betaald moeten worden uit het inkomen. Het hebben van schulden is geen bijzondere omstandigheid die een beroep op BB rechtvaardigt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-31
Publicatiedatum
2015-04-07
Zaaknummer
14-1110 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/1110 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2014, 13/6287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Sloot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Helvoort.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 31 juli 2013 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor kosten die verband houden met het entameren van een echtscheidingsprocedure, waaronder kosten van een deurwaarder, uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie Personen), een huwelijksakte en een geboorteakte, tot een bedrag van in totaal € 57,42.


1.2.

Bij besluit van 23 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand van appellante afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd, voor zover nog van belang, dat de betreffende kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit eigen middelen moeten worden voldaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad verwijst voor de toepasselijke wet- en regelgeving naar de aangevallen uitspraak en komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.


4.2.

De kosten die verbonden zijn aan (het starten van) een echtscheidingsprocedure moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.


4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij als gevolg van de echtscheiding met onvoorziene kosten wordt geconfronteerd. Daarmee heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze nopen tot verlening van bijzondere bijstand. Nog daargelaten het relatief bescheiden bedrag aan kosten dat in dit geval is gemaakt, verschilt de situatie waarin appellante ten tijde in geding verkeerde immers niet in betekenende mate van die van andere personen die zich, in een soortgelijke echtscheidingssituatie met een inkomen op bijstandsniveau, voor dezelfde kosten zien gesteld. Dat appellante naar eigen zeggen schulden heeft en daardoor de kosten niet zelf kan dragen, is evenmin een bijzondere omstandigheid die verlening van bijzondere bijstand rechtvaardigt. Schulden, dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB.


4.4.

In wat appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden. Het college heeft de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand terecht afgewezen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en G.M.G. Hink en

C.J. Waterbolk als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) M.S. Boomhouwer





IJ