Centrale Raad van Beroep, 12-01-2016 / 14-6536 WWB


ECLI:NL:CRVB:2016:124

Inhoudsindicatie
Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Geen deugdelijke verzendadministratie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2016-01-12
Publicatiedatum
2016-01-13
Zaaknummer
14-6536 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6536 WWB

Datum uitspraak: 12 januari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 oktober 2014, 14/2585 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.M. Pessers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pessers. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.L.B. van Mierlo.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: basisregistratie personen (BRP), ingeschreven op het [adres 1] te [woonplaats].


1.2.

Bij besluit van 18 november 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 5 november 2013 ingetrokken. Appellant heeft bij brief van 6 januari 2014 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.


1.3.

Bij besluit van 6 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet binnen de daarvoor geldende termijn bezwaar heeft gemaakt en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij het besluit van 18 november 2013 later heeft ontvangen. Het besluit is op het [adres 2] te [woonplaats] bezorgd en later door de bewoners van dat adres aan appellant gegeven. Het college maakt voor de bezorging van post gebruik van de Diamant-groep Post, waarbij volgens appellant de kans op foute bestellingen groter is, omdat de post wordt gesorteerd en bezorgd door medewerkers met een beperking, in het kader van een voormalig WSW-dienstverband.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.


4.2.

Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:112) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel door de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.


4.3.

Vaststaat dat het besluit van 18 november 2013 niet-aangetekend is verzonden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat het college de werkwijze volgt dat post die is bestemd voor een geadresseerde binnen de gemeente Tilburg wordt bezorgd door de Diamant-groep. Post wordt op de desbetreffende afdeling opgehaald en verzameld in de postkamer. Medewerkers van de Diamant-groep halen daar de post op en bezorgen die de volgende dag door middel van deponering in de brievenbus van de geadresseerde. In geval van klachten over de bezorging wordt direct contact opgenomen met de contactpersoon bij de Diamant-groep en kan door middel van een registratiesysteem worden nagegaan op welke dag door welke persoon in een bepaalde wijk of regio de post is bezorgd. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant heeft het college navraag gedaan bij de Diamant-groep. In het

e-mailbericht van 21 februari 2014 heeft een medewerker van het team Diensten Faciliteiten van de gemeente Tilburg daarover het volgende gemeld: ‘Dat er structureel een bezorgingsfout is, lijkt zeer onwaarschijnlijk. Een fout in de bezorging is altijd mogelijk uiteraard. Wij hebben geen klachten ontvangen over verkeerde bezorging in deze periode.’.


4.4.

De in 4.3 omschreven werkwijze van het college biedt onvoldoende waarborgen om aan te kunnen nemen dat het besluit van 18 november 2013 op 19 november 2013 door een medewerker van de Diamant-groep op het adres van appellant is bezorgd. Daarbij is van belang dat uit de werkwijze blijkt dat het college noch de Diamant-groep beschikt over een deugdelijke verzendadministratie, waarbij een duidelijk verband is verzekerd tussen het plaatsen van een verzendstempel en de daadwerkelijke verzending van het besluit. Daarbij komt dat uit het in 4.3 genoemde e-mailbericht blijkt dat de Diamant-groep heeft aangegeven dat een fout in de bezorging altijd mogelijk is. Verder zijn in het dossier stukken van het in 4.3 genoemde registratiesysteem noch andere stukken betreffende de verzending van het besluit van 18 november 2013 voorhanden. Uit het voorgaande volgt dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit van 18 november 2013 daadwerkelijk op 19 november 2013 aan appellant is bekendgemaakt.


4.5.

Uit wat onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat niet kan worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar een dag na 18 november 2013 is aangevangen. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer het besluit van 18 november 2013 is bekendgemaakt, is het bezwaar tegen dit besluit tijdig ingediend. Hieruit volgt dat het college bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond moet worden verklaard en het besluit van 6 maart 2014 moet worden vernietigd. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het college krijgt dan ook de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2013 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.


6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 13 maart 2014;

- draagt het college op binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak een nieuwe

beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.




(getekend) G.M.G. Hink




(getekend) B. Fotchind



HD