Centrale Raad van Beroep, 16-05-2018 / 16/4773 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:1450

Inhoudsindicatie
Zorgvuldig medisch onderzoek door het Uwv. Geen aanleiding voor twijfel aan juistheid conclusies verzekeringsarts bezwaar en beroep. Geen nadere medische onderbouwing ingebracht voor stelling van appellant dat hij op de datum in geding meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Met de belasting van de geduide functies wordt de belastbaarheid van appellant niet overschreden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-05-16
Publicatiedatum
2018-05-18
Zaaknummer
16/4773 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

164773 ZW


Datum uitspraak: 16 mei 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

10 juni 2016, 15/2433 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. A.J.F. van Dok, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dok. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 17 december 2013 heeft hij zich ziek gemeld met nekklachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 4 december 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 december 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de lonen berekend dat appellant nog 84,65% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 15 december 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van

17 januari 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 januari 2016 inzichtelijk en plausibel uiteengezet waarom het in beroep overgelegde concept rapport van 3 december 2015 van neuroloog E. Oosterhoff geen aanleiding geeft om de FML voor onjuist te houden. Dat appellant ongeschikt is voor zijn eigen werk betekent niet dat hij niet in staat is de geduide functies te vervullen. Zijn belastbaarheid in deze functies wordt naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn whiplash- en pijnklachten en de door hem ervaren beperkingen. Uit het neurologisch rapport van Oosterhoff, opgesteld in het kader van een letselschadeprocedure, volgt volgens appellant dat zijn klachten en beperkingen ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Uit de rapporten van 5 december 2014 en 14 juni 2015 blijkt dat de verzekeringsartsen de nek-, rug- en schouderklachten en de pijnklachten van appellant bij hun beoordeling hebben betrokken en daartoe een groot aantal beperkingen hebben vastgesteld. Oosterhoff heeft appellant in zijn neurologisch rapport, waarvan appellant in hoger beroep de definitieve versie van 30 december 2015 heeft overgelegd, beperkt geacht op nek- en rug belastende activiteiten die bovendien langdurig en chronisch van aard zijn. Er is geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn oordeel dat het rapport van Oosterhoff geen aanleiding geeft de FML voor onjuist te houden omdat de door Oosterhoff aanwezig geachte beperkingen in essentie overeenkomen met de beperkingen die in de FML van 5 december 2014 zijn opgenomen. De verzekeringsartsen hebben tevens rekening gehouden met de hoofdpijn- en stressklachten van appellant. Appellant heeft geen nadere medische onderbouwing ingebracht voor de stelling dat hij wegens deze klachten op de datum in geding meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit dan ook terecht onderschreven.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 5 december 2014 wordt met de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellant niet overschreden. In het Resultaat functiebeoordeling van 15 december 2014, aangevuld met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 juli 2015, is toereikend gemotiveerd dat de functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.


5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) L.H.J. van Haarlem



IvR