Centrale Raad van Beroep, 07-06-2018 / 16/6527 WAO


ECLI:NL:CRVB:2018:1664

Inhoudsindicatie
Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2019:602. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2018:4318, onderstaande tekst is niet meer geldig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-07
Publicatiedatum
2018-06-08
Zaaknummer
16/6527 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

166527 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 september 2016, 15/7315 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



Datum uitspraak: 7 juni 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Z. Seyban.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was in 2002 werkzaam als servicemonteur en woonde in [plaatsnaam] vlakbij

de locatie van de vuurwerkramp van 13 mei 2000. Als gevolg van de ontploffing is appellant zijn huis kwijtgeraakt. Appellant heeft zich met psychische klachten op 12 juli 2000 ziek gemeld. Appellant is van oktober 2000 tot september 2004 voor zijn psychische klachten behandeld bij GZ-instelling [zorgverlener] . In de rapporten van de verzekeringsartsen wordt als diagnose vermeld dat appellant lijdt aan PTSS en dat sprake is van een manisch depressief beeld. Het Uwv heeft appellant voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht en heeft hem met ingang van 31 oktober 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De WAO-uitkering heeft het Uwv

per 2 augustus 2004 ingetrokken, omdat appellant gedetineerd was geraakt nadat hij werd verdacht van een misdrijf.


1.2.

De detentie van appellant is per 2 februari 2005 met onmiddellijke ingang beëindigd omdat appellant niet langer werd verdacht van het plegen van het misdrijf. Het Uwv heeft vervolgens de aanspraken van appellant op heropening van de WAO-uitkering beoordeeld. Op 11 maart 2005 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts.

Deze arts heeft vastgesteld dat appellant op dat moment voor zijn klachten niet onder behandeling was en heeft op basis van zijn eigen onderzoek en de beschikbare gegevens

een aantal arbeidsbeperkingen voor appellant geformuleerd en opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 15 maart 2005

met betrekking tot de psychische klachten van appellant als diagnose vermeld: PTSS (vuurwerkramp en ook door de inbewaringstelling) en snelle geïrriteerdheid. Een arbeidsdeskundige heeft appellant rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt geacht voor zijn voormalige werkzaamheden als servicemonteur en voor een aantal voorbeeldfuncties.


1.3.

Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 april 2005 geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen per 2 februari 2005, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 15%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 september 2005 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft ter onderbouwing verwezen naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.


1.4.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft appellant het Uwv verzocht zijn WAO-uitkering met terugwerkende kracht te heropenen. Appellant heeft gesteld dat hij nog steeds manisch depressief is en dat die depressiviteit in de loop der tijd is toegenomen. Appellant heeft erop gewezen dat hij weer wordt behandeld voor zijn psychische klachten. Bij zijn aanvraag heeft hij een schrijven van een GGZ sociaal psychiatrisch verpleegkundige overgelegd en informatie over de behandeling in het verleden door [zorgverlener] .


1.5.

Het verzoek van appellant is beoordeeld door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze is van mening dat appellant geen significant nieuwe informatie heeft overgelegd en dat in 2005 is uitgegaan van hetzelfde ziektebeeld van appellant als nu uit de medische informatie blijkt. Het Uwv heeft appellant bij brief van 8 april 2015 in de gelegenheid gesteld nieuwe medische gegevens te overleggen. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt. Bij besluit van 4 mei 2015 heeft het Uwv vervolgens beslist om niet terug te komen van het besluit van 27 april 2005.


1.6.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat ten onrechte afwijzend is beslist op zijn aanvraag en heeft bovendien gesteld dat zijn psychische klachten binnen een tijdsbestek van vijf jaar na 2 februari 2005 zijn verergerd. Appellant heeft

(onder meer) informatie overgelegd van psychiater prof. dr. C.L. Mulder, van 11 juni 2015, die als diagnose heeft vermeld dat appellant lijdt aan een psychotische stoornis NAO. Appellant heeft zijn bezwaren toegelicht tijdens een hoorzitting, waarbij ook een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig was. Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 9 oktober 2015 verslag gedaan van zijn onderzoek. Uit het rapport komt naar voren dat de verzekeringsarts de aanwezige informatie bij zijn beoordeling heeft betrokken, waaronder de informatie van Mulder en een rapport van psychiater W.C. Bohlmeijer. Die psychiater heeft appellant op 13 februari 2004 onderzocht in het kader van de afwikkeling van de gevolgen van de vuurwerkramp. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van mening dat er in de informatie geen aanwijzingen zijn te vinden dat bij appellant ook in 2005 sprake was van psychotische symptomen en geen aanwijzingen dat toen sprake was van een psychotische stoornis. Onder verwijzing naar dit rapport en naar het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het Uwv bij besluit van 12 oktober 2015 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant tegen het besluit van 4 mei 2015 ongegrond verklaard.


2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 gesteld dat er niet alleen aanleiding is om terug te komen van het besluit van 27 april 2014 omdat hij relevante nieuwe informatie heeft ingebracht, maar tevens dat het Uwv de aanspraken van appellant op een WAO-uitkering had moeten beoordelen voor de periode van vijf jaar na 2 februari 2005 (Amber-claim) en voor de toekomst. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met een brief van psychiater Mulder van 7 maart 2016, een GGZ-behandelplan en een brief van de behandelend GGZ-psychiater N. Kmetic van 17 augustus 2016. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat ook de Amber-claim van appellant en zijn vordering voor herziening voor de toekomst niet kan slagen omdat appellant zijn standpunt niet voldoende heeft onderbouwd. Het Uwv heeft nog een nader rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 augustus 2016 overgelegd.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in de opvatting dat de nieuwe informatie en de daaruit blijkende diagnose psychotische stoornis NAO geen reden is om terug te komen van de beoordeling per 2 februari 2005, of in de periode van vijf jaar daarna, omdat daaruit niet volgt dat de beperkingen van appellant destijds niet juist door de verzekeringsartsen zijn ingeschat. Ook de aanspraak van appellant met betrekking tot de periode na zijn aanvraag heeft het Uwv volgens de rechtbank terecht afgewezen.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald en nader onderbouwd met

brieven van zijn behandelend psychiater Kmetic. Uit de brief van deze psychiater van

25 augustus 2017 blijkt dat na diagnostisch onderzoek is geconcludeerd dat appellant aan schizofrenie lijdt. Bij brief van 16 november 2017 heeft appellant zijn standpunt nogmaals toegelicht en onderbouwd gesteld dat het Uwv onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat het onaannemelijk is dat appellant met dezelfde medische gegevens eerst volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en later minder dan 15% arbeidsongeschikt.


3.2.

Het Uwv heeft zijn standpunt nader onderbouwd via het overleggen van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 april 2018 en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


3.3.

In hoger beroep heeft het Uwv een besluit overgelegd van 6 september 2017, waarbij de bezwaren van appellant tegen een besluit van 23 februari 2017 ongegrond zijn verklaard. Het Uwv heeft alsnog een aanvraag van appellant van 1 juli 2005 beoordeeld, waarbij appellant heeft gesteld dat zijn beperkingen per 2 juni 2005 waren toegenomen. Aan de besluitvorming liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts van 19 januari 2017 en van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 september 2017. Na beoordeling van alle voorhanden informatie hebben deze verzekeringsartsen geconcludeerd dat de gezondheidstoestand van appellant op 2 juni 2015 niet betekenend is verslechterd ten opzichte van 2 februari 2015. Ter zitting is gebleken dat het beroep van appellant tegen het besluit van 6 september 2017 nog niet tot een uitspraak van de rechtbank heeft geleid.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als het voorliggende, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van

de Awb, betekent dit dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet

vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:894) blijft bij een afwijzing door het Uwv met toepassing van

artikel 4:6 van de Awb onverminderd van belang de uitspraak van de Raad van

14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), waarin is overwogen dat een aanvraag voor

een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking

van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld.

4.2.

Appellant heeft in zijn aanvraag van 25 maart 2015 verzocht om heropening van zijn WAO-uitkering met terugwerkende kracht en heeft erop gewezen dat hij destijds niet in staat was om op te komen tegen het besluit op bezwaar van 12 september 2005 en tevens dat zijn psychische klachten in de loop van de tijd steeds zijn toegenomen. Naar zijn strekking was de aanvraag er daarom op gericht dat het Uwv zou terugkomen van het besluit van 27 april 2005, maar tevens dat het Uwv zou beoordelen of hij in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid recht had op een WAO-uitkering en of hij voor de toekomst, na zijn aanvraag, recht had op een WAO-uitkering. In zijn besluitvorming heeft het Uwv zich beperkt tot een beoordeling of er reden was om terug te komen van het besluit van 27 april 2005.


4.3.

In de loop van het geding heeft het Uwv de beide andere aspecten tevens beoordeeld en daarbij uiteindelijk alle door appellant overgelegde informatie van zijn behandelaars beoordeeld. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat ook de na de bezwaarfase door appellant overgelegde informatie er niet toe leidt dat moet worden aangenomen dat appellant in de periode van vijf jaar na 2 februari 2005 meer beperkingen had dan zijn vastgelegd in

de FML van 18 maart 2005 en evenmin dat op grond daarvan appellant voor de toekomst aanspraak kan maken op een WAO-uitkering. Bovendien heeft het Uwv een nieuwe beoordeling verricht in 2017 naar aanleiding van een aanvraag van appellant in 2015, waarbij hij had gesteld dat zijn beperkingen op 2 juni 2005 waren toegenomen ten opzichte van

2 februari 2005, en die aanvraag afgewezen, waarbij alle voorhanden informatie door de verzekeringsartsen van het Uwv is beoordeeld.


4.4.

In de eerste plaats staat ter beoordeling of de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard en terecht het Uwv heeft gevolgd in het oordeel dat de aanvraag van appellant van 25 maart 2015 moet worden afgewezen. Verder zal de Raad het hiervoor onder 3.3 genoemde besluit van 6 september 2017 mede in zijn beoordeling betrekken. Hoewel dit besluit met name een reactie is op de in juli 2005 gedane (en destijds per abuis niet in behandeling genomen) aanvraag van appellant, valt deze beoordeling – zoals tevens in 4.2 is overwogen – tevens onder de reikwijdte en strekking van de herhaalde aanvraag van

25 maart 2015 van appellant.


4.5.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van

artikel 4:6 van de Awb. Appellant heeft bij zijn aanvraag informatie overgelegd van [zorgverlener] over zijn behandelingen in de periode 2000 tot 2004. In het in de bezwaarfase door appellant overgelegde rapport van de psychiater Mulder van 11 juni 2015 is beschreven dat bij appellant in eerste instantie geen duidelijke psychopathologie was waar te nemen maar is

als behandeldiagnose gesteld dat hij lijdt aan een psychotische stoornis NAO. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben in hun rapporten van

29 april 2015 en 9 oktober 2015 overtuigend gemotiveerd dat de informatie van [zorgverlener] grotendeels overeenkomst met de reeds bij de WAO-beoordeling in 2005 betrokken informatie en dat de informatie van Mulder geen relevant nieuw licht werpt op de medische situatie van appellant in 2005. Daarbij hebben zij ook relevant kunnen achten dat appellant

ten tijde van de beoordeling in 2005 niet meer werd behandeld voor zijn psychische klachten, maar pas in 2015 weer onder behandeling is gekomen. Uit het rapport van de verzekeringsarts die appellant op 11 maart 2005 heeft onderzocht en de overige medische informatie blijkt niet dat destijds bij appellant sprake was van een psychotische stoornis of van voldoende duidelijke aanwijzingen dat daarvan sprake was. Dat volgens de verzekeringsarts de wel in het rapport in 2005 genoteerde snelle geïrriteerdheid van appellant daarvoor onvoldoende is, kan worden onderschreven. Terecht heeft de verzekeringsarts vermeld dat ook uit het rapport van de psychiater Bohlmeijer daarvoor geen aanwijzingen gevonden kunnen worden. Dat betekent dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat door appellant geen nieuwe informatie is overgelegd die aanleiding had moeten zijn om terug te komen van het besluit van 27 april 2005. Van evidente onredelijkheid om niet van dat besluit terug te komen is niet gebleken.


4.6.

Het Uwv is voorts van oordeel dat door appellant onvoldoende is onderbouwd dat in

de periode van 2 februari 2005 tot 2 februari 2010 sprake was van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak. Evenals de rechtbank wordt geoordeeld dat

het Uwv in dit standpunt moet worden gevolgd. Uitgaande van de beperkingen van appellant op 2 februari 2005, zoals die zijn vastgelegd in de FML van 18 maart 2005, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 april 2018 overtuigend onderbouwd dat uit de informatie van behandelend psychiater Kmetic niet kan worden afgeleid dat de beperkingen van appellant in de genoemde periode zijn toegenomen. Hierbij wordt ook relevant geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van

1 september 2017, dat betrekking heeft op de Amber-claim van appellant per 2 juni 2015, uitgebreid alle relevante informatie heeft besproken, waaronder de brief van psychiater Mulder van 7 april 2016 waarin deze heeft vermeld dat het gezien deze diagnose (psychotische stoornis NAO) goed mogelijk is dat het gedrag dat in 2005 bij appellant werd gezien reeds uitingen waren van de aanwezige stoornis. Deze verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport overtuigend gemotiveerd, dat de later gestelde diagnose schizofrenie niet betekent dat de beperkingen van appellant in de relevante periode zijn toegenomen. Hij heeft er daarbij ook op gewezen dat ook als destijds sprake mocht zijn geweest van psychotische kenmerken bij appellant, dat niet hoeft te betekenen dat dat tot

een andere uitkomst zou moeten leiden. Ook het besluit van 6 september 2017 kan in stand blijven.


4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat de aanvraag van appellant, voor zover die zag op een herziening voor de toekomst, eveneens terecht is afgewezen.


5. Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. Het beroep tegen het besluit van 6 september 2017 wordt ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen ruimte.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen grond.













BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 6 september 2017 ongegrond;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2018.