Centrale Raad van Beroep, 12-06-2018 / 17/2150 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:1836

Inhoudsindicatie
Afgewezen aanvraag bijzondere bijstand voor schulden. Geen zeer dringende redenen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-12
Publicatiedatum
2018-06-26
Zaaknummer
17/2150 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

172150 PW


Datum uitspraak: 12 juni 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 februari 2017, 16/2363 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M. Amrani, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amrani. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M. Haitjema.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving bijstand tot 26 januari 2012. Een aanvraag om bijstand van 31 december 2013 is afgewezen omdat appellant regelmatig bedragen ontving van personen of bedrijven waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Na een volgende aanvraag heeft het college appellant met ingang van 21 augustus 2015 bijstand toegekend op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Op 30 november 2015 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor leningen en aflossingen. Appellant stelt dat hij mede door ziekte geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn vorige aanvraag en dat hij bij verschillende mensen geld heeft moeten lenen om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.


1.3.

Bij besluit van 8 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft

het college onder meer ten grondslag gelegd dat het geen schulden betreft waarmee bij bijstandverlening rekening kan worden gehouden en dat artikel 13, eerste lid, aanhef en

onder g, van de PW aan de verlening van bijzondere bijstand voor schulden in de weg staat.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.


4.2.

In artikel 49, aanhef en onder b, van de PW is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. In onderdeel a is de mogelijkheid van bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht geregeld. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:902) moet, gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 49, aanhef en onder b, van de PW en op de bewoordingen ervan, bij toepassing van die bepaling sprake zijn van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden van de betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening dus onvermijdelijk is.


4.3.

Appellant heeft de bijstand aangevraagd ter aflossing van een schuld(enlast) als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW en beschikte toen hij zijn aanvraag indiende over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; vanaf 21 augustus 2015 ontving hij immers bijstand. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de PW staat dan ook in de weg aan verlening van bijzondere bijstand.


4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de PW om bijzondere bijstand te verlenen voor de aflossing van zijn schuldenlast. Van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening onvermijdelijk is, is niet gebleken. Wat appellant hierover heeft aangevoerd ziet op de wijze waarop de schulden zijn ontstaan en niet op de gevolgen daarvan voor hem. Over de gevolgen van de schuldenlast heeft appellant ter zitting bij de Raad verklaard dat hij betalingsregelingen heeft kunnen afspreken en een deel van de schulden al heeft afgelost. Daaruit volgt al dat van zeer dringende redenen geen sprake is.


4.5.

De vraag of wel sprake is van schulden die (in het algemeen) voor de toepassing van de bijstandswetgeving in aanmerking worden genomen, behoeft geen bespreking meer. Ook als daarvan sprake zou zijn, zoals appellant stelt, leidt dit, gelet op wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen, niet tot toekenning van bijzondere bijstand.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.N.A. Bootsma en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2018.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) L.V. van Donk






LO