Centrale Raad van Beroep, 20-06-2018 / 15/6706 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:1983

Inhoudsindicatie
Aangevallen uitspraak 1. Herhaling beroepsgronden. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanknopingspunten voor meer beperkingen dan in FML. Geen twijfel aan juistheid medische beoordeling. Geen aanleiding deskundige. Uitgaande van de juistheid van de FML zijn de in hoger beroep resterende functies in medisch opzicht passend. Ingebrachte informatie behandelend sector is op inzichtelijke en navolgbare wijze meegewogen. Eerst in hoger beroep toereikende arbeidskundige onderbouwing. Aangevallen uitspraak 2. Geschiktheid voor maatstafarbeid is op inhoudelijk overtuigende wijze gemotiveerd. Overwegingen rechtbank onderschreven. Door arts Uwv is navolgbaar gemotiveerd dat met de nekklachten voldoende rekening is gehouden in de FML.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-20
Publicatiedatum
2018-07-03
Zaaknummer
15/6706 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

156706 WIA, 17/1336 ZW


Datum uitspraak: 20 juni 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van 27 augustus 2015, 15/430 (aangevallen uitspraak 1) en van 28 december 2016, 16/2052 (aangevallen uitspraak 2)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroepen ingesteld.


Het Uwv heeft verweerschriften, een nader stuk en rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep ingediend.


In zaak 15/6706 heeft de voormalig werkgeefster van appellante te kennen gegeven op de hoogte te willen blijven van de procedure.


Appellante heeft nadere stukken ingediend. Desgevraagd heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018, waarbij de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster voor 43,5 uur per week. Zij is voor deze werkzaamheden op 2 juli 2012 uitgevallen wegens fysieke en psychische klachten. Op verzoek van de bedrijfsarts is op 1 mei 2014 een rapport uitgebracht door drs. J. Hondema, psychiater, die appellante heeft onderzocht en daarbij informatie van de behandelend sector (Dimence) heeft betrokken, op basis waarvan hij voor appellante de diagnose paniekstoornis met agorafobie en matig ernstige depressie heeft gesteld. Hondema heeft gemeld dat tijdens het psychiatrisch onderzoek de aandachts-, geheugen- en concentratiefunctie van appellante volledig ongestoord was, dat er uiterlijk niets waarneembaar was van de geclaimde angstklachten en dat geclaimde klachten en beperkingen op meerdere punten weinig plausibel waren wegens vaagheid en een theatrale presentatie. Hondema heeft geadviseerd om de gepresenteerde klachten niet te generaliseren naar de aanwezigheid van een ernstige psychiatrische ziekte, maar deze vooral te interpreteren in het licht van aanpassingsproblematiek aan een complexe situatie. Beperkingen liggen volgens Hondema in het verlengde van deze aanpassingsstoornis en worden niet als ernstig ingeschat.


1.2.

In het kader van de einde wachttijdbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv dossierstudie verricht en appellante op spreekuur onderzocht. Deze arts heeft appellante onderzocht en heeft geconcludeerd dat appellante wegens aanpassingsproblematiek met vermijdend gedrag enigszins beperkt is voor stresstolerantie, het omgaan met emoties en voor zelfstandig reizen naar een werkplek. Appellante is ook beperkt geacht voor zware nek- en armbelasting. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 augustus 2014. Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 augustus 2014 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 30 juni 2014 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Het door appellante tegen het besluit van 28 augustus 2014 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 januari 2015 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv verwezen naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 januari 2015. Deze verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellante gezien op het spreekuur en informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Hij heeft geconcludeerd dat de beschikbare medische informatie geen aanleiding geeft voor bijstelling van de belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML. Bij de beoordeling van de mentale problematiek van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bijzondere waarde gehecht aan de uitkomst van het expertiserapport van Hondema. Voor deze opvatting is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorts steun te vinden in de omstandigheid dat door de behandelend psychiater is vastgesteld dat de mentale toestand van appellante licht is verbeterd in vergelijking met begin 2014.


1.4.

Appellante heeft zich op 11 april 2016 met psychische klachten ziek gemeld. Zij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Een arts van het Uwv heeft appellante onderzocht en informatie ingewonnen bij de behandelend sector. Deze arts heeft in zijn rapport van 24 mei 2016 opgemerkt dat de gezondheid van appellante achteruit is gegaan sinds de WIA‑beoordeling in 2014 en dat de FML moet worden aangepast, omdat appellante beperkt is voor een hoog handelingstempo, er geen sprake mag zijn van een verhoogd persoonlijk risico, zij niet in staat is eenvoudige machines te bedienen en zij in verband met trillende handen geen precisiewerk kan doen. Na overleg met een arbeidsdeskundige heeft de arts geconcludeerd dat appellante de bij de WIA‑beoordeling geselecteerde functie van medewerker tuinbouw (teeltmedewerker plantenkwekerij) nog kan vervullen. Bij besluit van 24 mei 2016 is vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij onveranderd belastbaar is voor één van de eerder in het kader van de WIA‑beoordeling geselecteerde functies. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt en ter onderbouwing van haar bezwaar medische informatie van haar huisarts van 31 januari 2016, overgelegd.


1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2016 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juni 2016. Deze verzekeringsarts heeft appellante gezien op spreekuur, dossierstudie verricht en de door appellante ingebrachte medische informatie van de huisarts in de beoordeling betrokken. De psychiatrische problematiek van appellante is door haar als matig ernstig aangemerkt, gelet op de vrij beperkte behandeling, aangevuld met standaard medicatie, en op de onderzoeksbevindingen tijdens de spreekuren van de verzekeringsartsen. De fysieke belastbaarheid van appellante is niet afgenomen ten opzichte van de WIA‑beoordeling.


2.1.

Appellante heeft tegen de in rubriek 1.3 vermelde beslissing op bezwaar van 26 januari 2015 (bestreden besluit 1) en de in rubriek 1.5 vermelde beslissing op bezwaar van 8 juli 2016 (bestreden besluit 2) beroep ingesteld. Daartoe heeft zij een brief van haar behandelend MDL‑arts van 12 oktober 2016 overgelegd met informatie over de anemie van appellante. Verder is een brief van een plastisch chirurg van 6 oktober 2016 verstrekt, waaruit naar voren komt dat onderzoek heeft uitgewezen dat appellante CMC‑I artrose links heeft, waarvoor conservatieve behandeling met oefentherapie, leefregels en een spalk zijn aanbevolen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens gerapporteerd dat deze informatie geen gevolgen heeft voor de belastbaarheid van appellante. De anemie is hooguit matig van ernst. Bij het bepalen van de belastbaarheid van appellante is met beperkingen voor fysiek en energetisch intensieve inspanning al voldoende rekening gehouden. Voor de na 24 mei 2016 vastgestelde afwijking aan de linker, niet dominante, hand kan een extra beperking worden overwogen voor de knijpbelasting van de linkerhand, die naar verwachting geen gevolgen heeft voor het uitvoeren van de geduide functie. Dit zou volgens de verzekeringsarts uit zorgvuldigheidsoogpunt moeten worden beoordeeld door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Ter zitting van de rechtbank heeft het Uwv te kennen gegeven dat uit overleg met een arbeidsdeskundige naar voren is gekomen dat de artrose in de linkerduim in die zin geen extra beperking oplevert, omdat in de geduide functies is vermeld dat handelingen kunnen worden verricht met de hand naar keuze.


2.2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 1 onderschreven en daarbij overwogen dat de enkele omstandigheid dat de behandelend psychiater in een brief van 22 januari 2015 te kennen heeft gegeven dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis en angstklachten onvoldoende is om op basis daarvan te concluderen dat bij het vaststellen van de belastbaarheid door het Uwv is uitgegaan van een verkeerde diagnose. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen van appellante heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat appellante op 3 juni 2014 de werkzaamheden behorende bij de haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.


2.3.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 bij de aangevallen uitspraak 2 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig geacht en heeft geoordeeld dat het Uwv op inhoudelijk overtuigende wijze heeft gemotiveerd dat appellante op 24 mei 2016 haar arbeid kon verrichten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de artsen van het Uwv de informatie van de behandelend sector nadrukkelijk bij de beoordeling hebben betrokken, dat de FML is aangepast en dat overleg heeft plaatsgehad met een arbeidsdeskundige. Verder is in beroep voldoende door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd waarom de ingebrachte medische informatie geen aanleiding heeft gegeven verdergaande beperkingen aan te nemen.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 herhaald dat de verzekeringsartsen van het Uwv ten onrechte zijn uitgegaan van de diagnose aanpassingsstoornis met vermijdend gedrag en niet van een depressieve stoornis, zoals genoemd door de behandelend psycholoog en psychiater. De verzekeringsartsen hebben onzorgvuldig onderzoek verricht en hebben slechts een deel van de bevindingen van de behandelend sector betrokken bij de beoordeling. Er zijn onvoldoende beperkingen opgenomen in de FML. De verzekeringsartsen hebben onvoldoende rekening gehouden met de bijwerkingen van de medicijnen. De geselecteerde functies zijn niet passend, omdat appellante niet kan samenwerken. Appellante is bovendien aangewezen op werk waarbij zij niet te zeer wordt afgeleid door activiteiten van anderen. Onduidelijk is of de geselecteerde functies daaraan voldoen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante informatie van Dimence van 6 november 2015 ingediend, waarin is verwoord dat bij appellante sprake is van PTSS (chronisch), een paniekstoornis met agorafobie en een depressieve stoornis, deels in remissie. Verder is een brief van de huisarts van 31 januari 2016 verstrekt, waarin onder meer is vermeld dat appellante sinds juni 2012 bekend is met duizeligheidsklachten, dat de huisarts niet bekend is met bijwerkingen van medicijnen bij appellante en dat appellante in verband met haar psychische klachten sinds februari 2014 ambulant wordt behandeld bij Dimence, zonder effect. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen, omdat de diagnose van de behandelaars op zijn minst twijfel aan de bevindingen van het Uwv oproept. Verder is appellante na een nieuwe ziekmelding op 6 januari 2017 door het Uwv arbeidsongeschikt geacht. Haar is onduidelijk waarom vanaf 6 januari 2017 wel door het Uwv wordt aangenomen dat zij arbeidsongeschikt is en voor de eerdere WIA- en ZW‑beoordeling niet.


3.2.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellante herhaald dat er geen sprake is van matig ernstige maar van ernstige psychiatrische problematiek, waardoor zij niet kan functioneren in het dagelijks leven. Dit kan ook worden afgeleid uit de GAF‑score. Verder is herhaald dat ten onrechte geen beperking is aangenomen voor samenwerken, terwijl ook de lichamelijke klachten onvoldoende zijn meegewogen. Er is al jaren sprake van pijn in de maagstreek, de anemie herstelt ondanks adequate ijzersuppletie onvoldoende en er is een vitamine D‑tekort vastgesteld. Verder is inmiddels sprake van een cervicale HNP links, die de nekklachten van appellante objectiveert. Ook is sprake van een CMC‑I artrose, waardoor appellante pijnklachten, krachtsverlies en verstijving van het gewricht van de linkerduim ervaart. Weliswaar is een extra beperking aangenomen voor knijpbelasting van de linkerhand, maar appellante heeft ook pijnklachten aan de rechterhand.


3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Aangevallen uitspraak 1


4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt, waarbij ingewonnen informatie van de huisarts en behandelend psycholoog en psychiater is meegewogen. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat appellante op 30 juni 2014, bijvoorbeeld wegens duizeligheidsklachten of de door haar psychiater genoemde depressieve stoornis en angstklachten, meer beperkingen had dan weergegeven in de FML. De rechtbank heeft de beroepsgronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit terecht verworpen. De betreffende overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.


4.2.

Dat de verzekeringsartsen van het Uwv slechts een deel van de bevindingen van de behandelend sector hebben betrokken bij de beoordeling wordt niet gevolgd. Het Uwv heeft uitgebreid en zorgvuldig onderzoek verricht en daarbij de ingebrachte informatie van de behandelend sector op inzichtelijke en navolgbare wijze meegewogen. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het Uwv bij de totstandkoming van de FML de diagnose aanpassingsstoornis met vermijdend gedrag als uitgangspunt heeft kunnen nemen, gelet op het op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en gedegen rapport van Hondema en de eigen onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv, afgezet tegen de brieven van de behandelend sector. In die brieven is geen onderbouwing gegeven voor de daarin opgenomen diagnoses. De door appellante overgelegde algemene informatie dat medicijnen bijwerkingen kunnen hebben biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in zijn rapport van 4 april 2016 op gewezen dat de huisarts van appellante in een brief van 31 januari 2016 geen bijwerkingen benoemt. Hij heeft uiteengezet dat hij tijdens het spreekuur heeft gevraagd naar het effect van de medicatie en dat appellante toen geen bijwerkingen heeft gemeld. Voor de duizeligheidsklachten werd appellante niet meer behandeld met medicatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder over de door appellante verstrekte brief van Dimence van 6 november 2015 opgemerkt dat deze ziet op de datum van intake en niet bepalend is voor de belastbaarheid van appellante op 30 juni 2014. Deze verzekeringsarts heeft er verder opnieuw op gewezen, dat in de brief van de behandelend psychiater van 22 januari 2015 melding is gemaakt van een lichte vooruitgang sinds begin 2014. Dat appellante per 6 januari 2017 arbeidsongeschikt is geacht is het gevolg van een nieuw ingezette behandeling met dagbesteding, zoals ter zitting is toegelicht door de vertegenwoordiger van het Uwv. Dit heeft dus geen gevolgen voor de voorliggende zaak.


4.3.

Er is, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, geen twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling, zodat er geen aanleiding is een deskundige te benoemen.


4.4.

Uitgaande van de juistheid van de FML wordt geoordeeld dat de in hoger beroep resterende aan het bestreden besluit 1 ten grondslag gelegde functies, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Daarbij wordt betrokken dat door de arbeidskundige bezwaar en beroep in zijn in hoger beroep opgestelde rapport van 23 maart 2018 overtuigend en navolgbaar gemotiveerd is dat in de functies medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten), productiemedewerker papier, karton, drukkerij (eenvoudige machines bedienen) en productiemedewerker (samenstellen van producten) geen overschrijding van de belastbaarheid van appellante optreedt voor afleiding door activiteiten van anderen. Het betoog dat appellante de geselecteerde functies niet kan verrichten omdat zij niet kan samenwerken slaagt niet, omdat in de FML geen beperking voor samenwerken is opgenomen.


4.5.

Het bestreden besluit 1 is, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet voorzien van een deugdelijke motivering, omdat eerst in hoger beroep een toereikende arbeidskundige onderbouwing is gegeven. De schending van artikel 7:12 van de Awb wordt onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat de belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit 1 dient daarom in stand te worden gelaten.


Aangevallen uitspraak 2


4.6.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.


4.7.

Ook de gronden die in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 zijn aangevoerd zijn een herhaling van wat appellante in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt, waarbij alle naar voren gebrachte klachten, de beschikbare medische informatie en de eigen onderzoeksbevindingen op deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken. De rechtbank wordt ook gevolgd in het oordeel dat de geschiktheid voor de maatstafarbeid van medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten), op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden deugdelijk gemotiveerd verworpen. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.


4.8.

In haar rapport van 27 juni 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, onder verwijzing naar haar rapporten van 29 juni 2016, 26 en 27 oktober 2016, navolgbaar gemotiveerd dat met de nekklachten voldoende rekening is gehouden in de FML. Verder blijkt uit de door appellante in beroep overgelegde brief van de reumatoloog dat sprake is van geringe MTP-1 artrose. Er zijn geen andere afwijkingen geconstateerd, zoals erosies of artritis. De gastritis van appellante is adequaat behandeld, terwijl ook het vitamine D‑tekort adequaat kan worden gesuppleerd. In de functie medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) is geen sprake van een kenmerkende belasting op het aspect knijp- en grijpkracht en is sprake van handgebruik naar keuze.


4.9.

Omdat ook in deze zaak geen twijfel bestaat aan de juistheid van de medische beoordeling, bestaat opnieuw geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.


Conclusie


5. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. Aangevallen uitspraak 1 komt voor bevestiging in aanmerking, met verbetering van gronden, en aangevallen uitspraak 2 komt eveneens voor bevestiging in aanmerking.


6. Uit 4.5 volgt dat aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in de procedure 15/6706 WIA. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,- .




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2018.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) Y. Azirar




NW