Centrale Raad van Beroep, 26-06-2018 / 17/1844 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2069

Inhoudsindicatie
Inschrijving op adres in België niet gemeld. Hoofdverblijf in Nederland niet aannemelijk gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-06-26
Publicatiedatum
2018-07-09
Zaaknummer
17/1844 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak
17 1844 PW

Datum uitspraak: 26 juni 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2017, 16/1467 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)







PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. J. Ruijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ruijs. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij stond sinds 9 april 2015 in de basisregistratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres [straat en huisnummer] te [woonplaats] (uitkeringsadres).


1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Sociale verzekeringsbank dat appellante in België kinderbijslag had aangevraagd en dat uit die aanvraag zou blijken dat appellante daar zou wonen en ook zou werken, hebben een sociaal rechercheur en een handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek verricht en bij het Internationaal Bureau Fraude Informatie (IBF) informatie ingewonnen. Uit de van het IBF verkregen informatie kwam naar voren dat appellante sinds 4 juni 2014 stond ingeschreven op een adres in [plaatsnaam] en dat zij van 22 juli 2015 tot en met 30 september 2015 uitzendwerk had verricht voor [Uitzendbureau NV]. Op 12 november 2015 hebben de sociaal rechercheur en de handhavingsspecialist een huisbezoek afgelegd aan de woning op het uitkeringsadres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 18 november 2015.


1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van

16 december 2015 (besluit 1) met ingang van 4 juni 2014 de bijstand van appellante ingetrokken. Bij besluit van 22 december 2015 (besluit 2) heeft het college voorts de over de periode van 4 juni 2014 tot en met 31 oktober 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.096,83 van appellante teruggevorderd.


1.4.

Bij besluit van 19 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college niet te melden dat zij vanaf 4 juni 2014 op een adres in België staat ingeschreven. Hierdoor is haar woonsituatie onduidelijk als gevolg waarvan het recht op bijstand vanaf 4 juni 2014 niet kan worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 4 juni 2014 tot en met 16 december 2015.


4.2.

Het besluit tot intrekking van de bijstand is een belastend besluit. Daarbij is het aan het college om de nodige kennis omtrent de concrete feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om te bewijzen dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.


4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor beëindiging of intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.


4.4.

Niet in geschil is dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet aan het college te melden dat zij sinds 4 juni 2014 ingeschreven staat op een adres in België. In geschil is alleen nog de vraag of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij niettemin in de te beoordelen periode hoofdverblijf had in Nederland op het uitkeringsadres.


4.5.

De rechtbank heeft met het college die vraag terecht ontkennend beantwoord. Appellante heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over haar woon- en leefsituatie in de te beoordelen periode. Onduidelijk is immers gebleven waar zij wanneer heeft verbleven in de te beoordelen periode. Appellante heeft erop gewezen dat zij tijdens het onaangekondigde huisbezoek is aangetroffen in de woning op het uitkeringsadres. Met dit enkele feit heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt dat zij over de gehele te beoordelen periode haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft behouden. Daarbij komt dat tijdens het huisbezoek ook kleding en persoonlijke bezittingen van haar partner in de woning zijn aangetroffen en appellante heeft verklaard dat haar partner regelmatig perioden bij haar in haar woning verblijf hield. Daardoor is tevens twijfel ontstaan of appellante wel alleen op het uitkeringsadres woonde, welke twijfel appellante niet heeft kunnen wegnemen.


4.6.

De beroepsgrond dat het college ten onrechte de bijstand ook heeft teruggevorderd over de periode dat appellante in verband met de bevalling van haar tweede kind met toestemming van haar klantmanager in België heeft verbleven, slaagt evenmin. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de klantmanager van appellante ermee akkoord is gegaan dat appellante begin januari 2015 in België zou bevallen, maar onduidelijk is gebleven hoe lang appellante in verband met die bevalling in België heeft verbleven. Ter zitting heeft appellante gesteld dat zij een week na de bevalling is teruggekeerd naar Amsterdam. Appellante heeft deze stelling echter niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Nu niet is vast te stellen hoe lang appellante in verband met de bevalling in België heeft verbleven, is evenmin vast te stellen over welke periode het college om die reden van terugvordering had moeten afzien.


4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2018.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) J. Tuit





IJ