Centrale Raad van Beroep, 10-07-2018 / 17/988 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2086

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering. Verzwegen inkomsten in de vorm van contante bijdragen van ouders. Omvang is niet inzichtelijk gemaakt. Recht is niet vast te stellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-07-10
Publicatiedatum
2018-07-16
Zaaknummer
17/988 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

17988 PW


Datum uitspraak: 10 juli 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 december 2016, 16/3850 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)







PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. W. Breure, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.M. Welten, kantoorgenoot van mr. Breure. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 17 maart 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet.


1.2.

In het kader van het project ‘Heronderzoek PW 2015’ heeft het college appellant bij brief van 23 oktober 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 26 oktober 2015 en hem verzocht om onder meer de afschriften van alle in bezit zijnde bank- en spaarrekeningen van de laatste drie maanden. Naar aanleiding van de door appellant overgelegde gegevens tijdens het gesprek op 26 oktober 2015 heeft het college dezelfde dag, bij brief, appellant gevraagd om de afschriften van zijn ING-rekening over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 14 juli 2015 te overleggen. Appellant heeft hieraan gevolg gegeven.


1.3.

Bij besluit van 21 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand met ingang van 1 oktober 2014 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 2014 tot en met

31 december 2015 tot een bedrag van € 15.601,05 van appellant teruggevorderd. Aan deze besluitvorming ligt, kort gezegd, ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van door hem genoten inkomsten, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 1 oktober 2014 tot en met

21 december 2015 (te beoordelen periode).


4.2.

Appellant heeft ter zitting herhaald dat hij in de te beoordelen periode maandelijks een geldbedrag in contanten van zijn ouders heeft ontvangen om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Die verklaring van appellant vindt steun in de in hoger beroep overgelegde verklaring van de moeder van appellant, inhoudende dat hij drie à vier keer in de week bij haar eet en zij hem voor de rest van de week geld meegeeft. Door van deze inkomstenbron geen mededeling te doen aan het college, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.4.

Appellant is daarin niet geslaagd. Appellant heeft de omvang van de inkomsten op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Appellant heeft wel gesteld dat de inkomsten zo'n

€ 100,- à € 150,- per maand zouden bedragen, maar hij heeft die stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd.


4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2018.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) F. Demiroǧlu




ew