Centrale Raad van Beroep, 02-08-2018 / 16/3952 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2018:2430

Inhoudsindicatie
Beëindiging Wajong-uitkering. Geen schending van het beginsel van equality of arms. Op die grond bestaat geen aanleiding een deskundige in te schakelen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv in hun rapporten inzichtelijk en overtuigend hebben onderbouwd hoe zij, na eigen onderzoek van appellant en bestudering van de voorhanden zijnde medische informatie, tot de bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn gekomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-08-02
Publicatiedatum
2018-08-09
Zaaknummer
16/3952 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2018/366
  • USZ 2018/276
  • JB 2018/163
Uitspraak

163952 WAJONG


Datum uitspraak: 2 augustus 2018


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 mei 2016, 15/5685 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. N.J.C. Spapen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Mr. K.E.J. Dohmen, adovocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld en heeft om aanhouding van de zitting verzocht, welk verzoek is afgewezen. Tevens heeft zij op 21 juni 2018 een nadere toelichting op het standpunt in hoger beroep ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M.J.E. Budel.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren [in] 1991, is in 2009 in zijn linkerbeen geschoten. Op 29 juni 2012 heeft hij een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend. Een verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van psychische en fysieke klachten en dat appellant, gelet op de beperkingen van het linkerbeen, nauwelijks kon lopen. Hij heeft gesteld dat de psychische klachten naar verwachting nog zouden verminderen, maar dat de klachten en beperkingen van het linkerbeen duurzaam waren. Een arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat er onvoldoende functies konden worden geselecteerd, zodat appellant als volledig arbeidsongeschikt moest worden beschouwd. Het Uwv heeft appellant daarop met ingang van 25 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering.


1.2.

Het Uwv heeft aanleiding gezien appellant op te roepen voor een herbeoordeling. Gelet op de resultaten van een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2015 de Wajong-uitkering per 1 mei 2015 (datum in geding) beëindigd. Bij besluit van 7 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2015 ongegrond verklaard. Hieraan liggen een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag, vastgelegd in de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 mei 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 juli 2015. De verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat voor zowel de psychische als de fysieke klachten nog steeds beperkingen moeten worden aangenomen, maar dat de medische belastbaarheid op beide punten is verbeterd ten opzichte van de eerdere beoordeling. De vastgestelde belastbaarheid is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwoord in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 mei 2015. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant met voor hem passende functies in staat is ten minste 75% van het maatmanloon te verdienen.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het medisch onderzoek door het Uwv op zorgvuldige wijze is verricht. De door appellant naar voren gebrachte psychische klachten en klachten van het linkerbeen zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de eigen bevindingen van de verzekeringsartsen uit psychisch en lichamelijk onderzoek. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist of om te twijfelen aan de juistheid van de onderzoeksbevindingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische belastbaarheid van appellant op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De verzekeringsartsen hebben onderkend dat op fysiek en psychisch terrein nog altijd klachten bestaan als gevolg van het schietincident in 2009 en dat daaruit beperkingen voortvloeien. Zij hebben op grond van hun eigen onderzoek geconcludeerd dat deze beperkingen niet zo ernstig zijn als appellant stelt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in de rapporten voldoende gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de vastgestelde medische belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsartsen zijn psychische beperkingen hebben onderschat. Volgens appellant zou een psychiatrisch onderzoek een beter beeld kunnen geven van zijn psychische klachten die zijn gediagnosticeerd als PTSS. Appellant acht de geselecteerde functies niet passend, omdat hij niet kan samenwerken. Tot op heden neemt hij niet deel aan enig arbeidsproces. Appellant heeft te maken met multiproblematiek en een langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Er had een geheugentest afgenomen moeten worden. Daarnaast is de voet van appellant volledig verlamd. Zijn beperkingen zijn niet goed vertaald in de FML. Appellant heeft een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) en de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige in te schakelen.


3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juli 2016, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 19, tweede lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 bepaalt dat een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zo mogelijk schriftelijk, onder aanvoering van gewichtige redenen en tijdig, wordt ingediend. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel nopende omstandigheid is gebleken.


4.1.1.

Namens appellant is op 20 juni 2018 door de gemachtigde verzocht het onderzoek ter zitting uit te stellen omdat de gemachtigde op 21 juni 2018 verhinderd is deze zitting bij te wonen. De Raad heeft geen aanleiding gezien dit verzoek toe te wijzen. Gemachtigde is bij brief van 23 mei 2018 uitgenodigd voor de zitting op 21 juni 2018. In het verzoek om uitstel van 20 juni 2018 heeft gemachtigde vermeld dat zij naar aanleiding van de uitnodiging telefonisch contact met de griffie van de Raad heeft opgenomen met de mededeling dat zij mogelijk op dezelfde dag andere zittingen zou moeten bijwonen. In dat telefonische contact zou de gemachtigde zijn verzocht een fax te sturen, zodra bekend zou zijn dat de andere zittingen definitief door zouden gaan. Eerst op 20 juni 2018 heeft de gemachtigde de Raad meegedeeld dat zij op 21 juni 2018 twee zittingen bij de rechtbank te Roermond heeft. Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt of anderszins gebleken dat de gemachtigde van beide zittingen door de rechtbank dermate laat op de hoogte is gesteld, dat het uitstelverzoek niet eerder dan op 20 juni 2018 kon worden gedaan. Niet aannemelijk is geworden dat het uitstelverzoek zo spoedig mogelijk is gedaan nadat van de tot uitstel nopende omstandigheid is gebleken. Daar komt bij dat een eerder verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting is gehonoreerd, waarna met het Uwv en de (toenmalige) gemachtigde van appellant de afspraak voor de behandeling ter zitting van 21 juni 2018 is gemaakt. De Raad ziet in het voorgaande evenmin aanleiding tot heropening van het onderzoek over te gaan.


4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in overweging 7 van de aangevallen uitspraak, worden geheel onderschreven.


4.3.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad overwogen dat uit het arrest Korošec volgt dat de kern van het beginsel van equality of arms erin is gelegen dat slechts als er evenwicht bestaat tussen partijen met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen, de bestuursrechter in staat is een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. In verband met de twijfel aan de onpartijdigheid van de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de voor de betrokkene in aanmerking te nemen beperkingen, moet de rechter de vraag beantwoorden of de betrokkene voldoende ruimte heeft gehad tot betwisting van de medische bevindingen van de verzekeringsartsen, bijvoorbeeld door zelf medische stukken in te dienen. Indien op grond van het geheel aan gegevens wordt vastgesteld dat geen equality of arms tussen het Uwv en de betrokkene bestaat, zal de bestuursrechter moeten waarborgen dat dit evenwicht wordt hersteld.


4.3.2.

Appellant is in de procedure bij de bestuursrechter alle gelegenheid geboden zich – desgewenst onderbouwd met medische gegevens – te verzetten tegen het medisch oordeel van het Uwv. Appellant heeft in beroep aangekondigd stukken in te zenden over zijn medische behandelingen in het verleden. Vastgesteld wordt dat appellant heeft volstaan met het inzenden van een medicatie-overzicht van zijn huisarts over de periode van 2009 tot 1 januari 2014. Gegevens over zijn medische situatie omstreeks de datum in geding zijn niet ingezonden. Appellant heeft in zijn brief van 21 juni 2018 opnieuw volstaan met het zonder enige onderbouwing ter discussie stellen van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Zijn stelling dat (nog steeds) de diagnose PTSS geldt, is niet toegelicht of van een (medische) onderbouwing voorzien. Dat geldt ook voor de in de brief van 21 juni 2018 ingenomen stelling, dat in het kader van de Participatiewet is afgezien van re-integratie-activiteiten vanwege zijn gezondheidssituatie. Niet valt in te zien dat appellant zijn stellingen niet had kunnen onderbouwen met rapporten of andere gegevens. De stellingen dat appellant niet kan samenwerken en dat zijn voet volledig verlamd is, zijn ten slotte evenmin onderbouwd. Niet is aangevoerd of aannemelijk geworden dat appellant niet in staat is geweest gegevens ter onderbouwing van deze standpunten in de bestuursrechtelijke procedure in te brengen.


4.3.3.

Uit wat is overwogen in 4.3.2 volgt niet dat appellant in de procedure onvoldoende ruimte heeft gehad om medische stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn medische situatie heeft onderschat. Er is ook geen aanleiding te oordelen dat appellant geen gelegenheid heeft gehad om twijfel te zaaien aan de in de rapporten van de verzekeringsartsen beantwoorde vraag of de medische klachten en aandoeningen van appellant tot voldoende beperkingen in de FML hebben geleid. Er zijn evenmin aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Uit het arrest Korošec volgt niet dat de rechter uit het oogpunt van equality of arms gehouden zou zijn in een situatie als hier aan de orde, waarin verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk de beschikbare informatie hebben betrokken, zodat deze door de rechter kan worden getoetst, een medische deskundige te benoemen. Dit heeft tot gevolg dat het beginsel van equality of arms niet is geschonden en dat op die grond geen aanleiding bestaat een deskundige in te schakelen.

4.4.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv in hun rapporten inzichtelijk en overtuigend hebben onderbouwd hoe zij, na eigen onderzoek van appellant en bestudering van de voorhanden zijnde medische informatie, tot de bij appellant bestaande beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn gekomen. De rapporten bevatten voldoende informatie over de gezondheidstoestand van appellant op 1 mei 2015 om tot een verantwoord oordeel te komen. Er zijn in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de in de FML van 27 mei 2015 – op de klachten van appellant toegesneden – beperkingen. De enkele stelling van appellant dat hij ter zake van zijn psychische klachten geen hulp heeft gezocht omdat hij bang was verslaafd aan medicatie te raken is hiervoor onvoldoende. Ook gelet hierop is er geen aanleiding een deskundige in te schakelen.


4.5.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellant geselecteerde functies voor hem geschikt zijn.


4.6.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2018.



(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) R.H. Budde




SSa