Centrale Raad van Beroep, 04-01-2018 / 17/3997 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:27

Inhoudsindicatie
Ontslag. Plichtsverzuim. Appellante heeft zonder deugdelijke grond geen gehoor gegeven aan een redelijke opdracht van de directeur om gedurende twee uur per dag op kantoor te komen werken. Appellante heeft aldus nagelaten wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-01-04
Publicatiedatum
2018-01-09
Zaaknummer
17/3997 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

17/3997 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2017, 16/5455 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de directeur Staatsbosbeheer (directeur)

Datum uitspraak: 4 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft I.G. Bakker hoger beroep ingesteld.

De directeur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door Bakker. De directeur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Brouwer en A.A. van Heck.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.


1.2.

Appellante was sinds 1 november 2002 werkzaam bij [werkgever] , laatstelijk in de functie van [functie] bij het team [team] voor 32 uur per week. Het hoofdkantoor van [werkgever] , waarin het team [team] is gevestigd, is op 1 januari 2016 van [gemeente 1] naar [gemeente 2] verplaatst.


1.3.

Bij besluit van 1 oktober 2015 heeft de directeur appellante wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante zich zonder deugdelijke grond niet heeft gehouden aan de met haar gemaakte afspraak dat zij gedurende twee uur per dag haar werkzaamheden verricht op de kantoorlocatie van [werkgever] . Aan appellante is te kennen gegeven dat van haar wordt verwacht dat zij haar gedrag aanpast en dat zij, volgens afspraak, dagelijks twee uur op kantoor aanwezig is.


1.4.

Bij besluit van 6 november 2015 heeft de directeur appellante wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf opgelegd van inhouding van de helft van het salaris voor de maand november 2015. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante na de eerdere disciplinaire straf zonder deugdelijke grond geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht om gedurende twee uur per dag haar werkzaamheden te verrichten op de kantoorlocatie van [werkgever] . De directeur heeft appellante te kennen gegeven dat hij de situatie ernstig vindt, dat van haar nog steeds wordt verwacht dat zij haar gedrag aanpast en dat zij, volgens afspraak, dagelijks twee uur per dag op kantoor aanwezig is. Alleen als het advies van de bedrijfsarts daaromtrent wijzigt, dan wel een deskundigenoordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot andere inzichten leidt, kan dit aanleiding zijn om de gemaakte afspraken aan te passen.


1.5.

Bij besluit van 26 april 2016 zijn de tegen de besluiten van 1 oktober 2015 en 6 november 2015 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 26 april 2016 geen rechtsmiddelen aangewend.


1.6.

Nadat de directeur het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante haar zienswijze naar voren had gebracht, heeft de directeur bij besluit 30 mei 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 november 2016 (bestreden besluit), met toepassing van

artikel 80, eerste lid, in verbinding met artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement aan appellante wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. De ingangsdatum van het ontslag is daarbij bepaald op 1 juni 2016. Aan het besluit is ten grondslag gelegd dat appellante na de eerder aan haar opgelegde disciplinaire straffen nog steeds zonder deugdelijke grond geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht om gedurende twee uur per dag haar werkzaamheden op de kantoorlocatie van [werkgever] te verrichten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante na de eerder aan haar opgelegde disciplinaire straffen nog steeds geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht van de directeur om gedurende twee uur per dag haar werkzaamheden op de kantoorlocatie van [werkgever] te verrichten. Tot 1 januari 2016 ging het om de kantoorlocatie van [werkgever] te [gemeente 1] . Daarna om de kantoorlocatie van [werkgever] te [gemeente 2] . Tussen partijen is ook niet in geschil dat op zichzelf beschouwd de opdracht van de directeur aan appellante om gedurende twee uur per dag op kantoor te komen werken een redelijke opdracht is.


4.2.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat om medische redenen niet van haar mocht worden verlangd dat zij op de kantoorlocatie in [gemeente 1] zou gaan werken. Evenals de rechtbank verwerpt de Raad dit betoog. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de in beroep door appellante overgelegde verklaring van de voor de Mauritsklinieken werkzame dermatoloog Meinardi van 16 november 2015, waarin onder meer is vermeld dat van belang is dat appellante niet opnieuw wordt blootgesteld aan geurstoffen, niet blijkt dat met inachtneming van de geobjectiveerde klachten en beperkingen van appellante de voor haar gecreëerde werkplek op de kantoorlocatie in [gemeente 1] niet geschikt was of geschikt gemaakt kon worden om werkzaamheden te verrichten. Ook in hoger beroep heeft appellante geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat op de kantoorlocatie in [gemeente 1] voor haar geen geschikte werkplek was gecreëerd of kon worden gecreëerd.


4.3.

Appellante heeft verder in hoger beroep herhaald dat om medische redenen niet van haar kon worden verlangd dat zij naar de kantoorlocatie in [gemeente 2] zou reizen. Evenals de rechtbank verwerpt de Raad ook dit betoog. In het op verzoek van de directeur door klinisch arbeidsgeneeskunde/beroepsziektespecialist Bakker, mede namens hoogleraar Dermato-Allergologie en Arbeidsdermatologie Rustemeyer, opgestelde rapport van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten AMC en het ArbeidsDermatologisch Centrum VUmc van 17 april 2016 (AMC rapport) is weliswaar vermeld dat autorijden niet probleemloos is, maar zijn voor autorijden geen beperkingen voor appellante vastgesteld. Evenmin is op medische gronden een beperking voor een openbaar vervoermiddel of een reisduurbeperking vastgesteld. Ook uit het rapport van de bedrijfsarts van 19 april 2016 komt naar voren dat voor reizen met de auto of het openbaar vervoer in feite niet op medische gronden beperkingen kunnen worden gesteld. Uit de in hoger beroep door appellante overgelegde rapportage van verzekeringsarts Klok die ten grondslag heeft gelegen aan het na het ontslag van appellante tot stand gekomen deskundigenoordeel van het Uwv van 13 juli 2016 kan evenmin worden afgeleid dat om medische redenen niet van appellante kon worden verlangd dat zij naar de kantoorlocatie in [gemeente 2] zou reizen. Weliswaar acht Klok het vanwege medicatie onverstandig dat appellante met de auto naar het werk rijdt en acht hij de lange reistijd met het openbaar vervoer met diverse overstappen fysiek te belastend voor appellante, maar met een vervoersvoorziening zijn die volgens hem beperkingen te overwinnen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de directeur niet een dergelijke vervoersvoorziening zou hebben getroffen, als appellante hierom destijds had verzocht.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat appellante zonder deugdelijke grond geen gehoor heeft gegeven aan een redelijke opdracht van de directeur om gedurende twee uur per dag op kantoor te komen werken. Appellante heeft aldus nagelaten wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen, zodat sprake is van plichtsverzuim. Wat appellante heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat zij de ontoelaatbaarheid van dat gedrag niet heeft kunnen inzien of niet overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen, zodat niet gezegd kan worden dat het plichtsverzuim appellante niet kan worden toegerekend. Daarom was de directeur bevoegd appellante daarvoor een disciplinaire straf op te leggen.


4.5.

De opgelegde disciplinaire straf van ontslag is, gelet op de aard en de ernst van de verweten gedragingen en het doorgaande karakter ervan, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Terecht heeft de directeur bij het bepalen van de zwaarte van de disciplinaire straf in aanmerking genomen dat de eerdere lichtere disciplinaire straffen niet tot een verandering in het gedragspatroon van appellante hebben geleid. Door ondanks deze eerdere disciplinaire straffen te volharden in haar gedrag, heeft appellante welbewust het risico genomen dat de directeur zou overgaan tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag. Dat appellante een lange en volgens haar goede staat van dienst heeft en de financiële gevolgen van het ontslag ingrijpend zijn, maakt niet dat de opgelegde disciplinaire straf onevenredig is. Ook het betoog van appellante dat in de loop der tijd de arbeidsrelatie is verstoord en dat het daardoor niet meer mogelijk was met elkaar tot een constructieve oplossing te komen, leidt niet tot het oordeel dat de straf onevenredig is. Uit de gedingstukken kan niet anders worden opgemaakt dan dat appellante steeds serieus is genomen in de door haar tegen het werken op kantoor geuite bedenkingen en de in verband daarmee ervaren klachten. Het vinden van een constructieve oplossing is enkel belemmerd door appellantes volharden in haar weigering om op kantoor te verschijnen.


4.6.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2018.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) C.A.E. Bon




HD