Centrale Raad van Beroep, 19-09-2018 / 17/7692 BABW


ECLI:NL:CRVB:2018:2837

Inhoudsindicatie
Aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart, type passagier, terecht afgewezen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen reden gezien om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Aan de omstandigheid dat aan appellante eerder een GPK is verstrekt kan zij niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat deze nu ook zou worden verstrekt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-19
Publicatiedatum
2018-09-20
Zaaknummer
17/7692 BABW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

177692 BABW


Datum uitspraak: 19 september 2018



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 oktober 2017, 17/2668 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam (algemeen bestuur)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Dayala. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart (GPK), type passagier met een geldigheidsdatum tot en met 12 januari 2016. Op 17 december 2015 heeft appellante een nieuwe aanvraag gedaan voor een GPK, type passagier.


1.2.

Hierop heeft het algemeen bestuur medisch advies ingewonnen bij de GGD. Op

16 februari 2016 heeft de medisch adviseur van de GGD geadviseerd de aanvraag af te wijzen, omdat appellante niet voldoet aan de criteria voor verstrekking van een GPK, type passagier. Appellante kan zich zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan 100 meter aaneengesloten voortbewegen en is niet van deur tot deur afhankelijk van de ondersteuning door een ander. Naar aanleiding van de vervolgens door appellante overgelegde medische gegevens, is op

15 maart 2016 een nader medisch advies uitgebracht. De medisch adviseur ziet in de overgelegde gegevens geen aanleiding het eerdere medische advies te wijzigen.


1.3.

Het algemeen bestuur heeft bij besluit van 16 maart 2016 de aanvraag van appellante voor een GPK, onder verwijzing naar de onder 1.2 genoemde medische adviezen, afgewezen. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en hierbij medische informatie overgelegd. Op 7 december 2016, 5 januari 2017 en 2 maart 2017 heeft de medisch adviseur van de GGD hierop gereageerd en meegedeeld dat het advies ongewijzigd blijft.


1.4.

Het algemeen bestuur heeft bij besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar de medische adviezen, ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het algemeen bestuur het bestreden besluit heeft mogen baseren op de medische adviezen van de GGD. Deze adviezen zijn, in samenhang bezien, niet onzorgvuldig tot stand gekomen. De door appellante ingebrachte medische stukken hebben betrekking op het – kort gezegd – al dan niet kunnen lopen over een afstand van 100 meter. Zelfs indien op dit punt twijfel zou ontstaan, heeft appellante geen medische stukken ingediend waardoor getwijfeld moet worden aan het GGD-advies over de tweede, cumulatieve voorwaarde, namelijk dat appellante bij het vervoer niet continu van de hulp van een ander afhankelijk is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat er sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel, aangezien het algemeen bestuur appellante eerder een GPK heeft toegekend en haar gezondheidstoestand is verslechterd. Haar rechterknie functioneert niet goed. Hierdoor is zij ernstig beperkt en kan zij niet meer dan 100 meter zelfstandig lopen, ook niet met de gebruikelijke hulpmiddelen. Appellante is daarnaast voor het vervoer van deur tot deur afhankelijk van de hulp van de bestuurder. Haar zoon steunt en begeleidt haar.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.


4.2.

Deze ministeriële regeling is de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling). In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling is bepaald dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.


4.3.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen reden gezien om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Aan de omstandigheid dat aan appellante eerder een GPK is verstrekt kan zij niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat deze nu ook zou worden verstrekt.


4.4.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2018.



(getekend) L.M. Tobé




(getekend) H. Achtot




OS