Centrale Raad van Beroep, 11-09-2018 / 17/450 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:2844

Inhoudsindicatie
Bezwaar n-o. Brief over verblijf in buitenland is mededeling van informatieve aard en kan niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, evenmin als bestuurlijk rechtsoordeel.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-11
Publicatiedatum
2018-09-25
Zaaknummer
17/450 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2018/250
Uitspraak

17450 PW


Datum uitspraak: 11 september 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 december 2016, 16/3688 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)



PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 17/446 PW, 17/447 PW, 17/449 PW, 17/451 PW, 17/640 PW en 17/3571 PW plaatsgevonden op 19 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Wernik, advocaat, die zich als gemachtigde heeft gesteld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.C.F. de Vos. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 4 juli 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).


1.2.

Het college heeft bij brief van 11 februari 2016 - voor zover van belang - appellant bericht dat hij het afgelopen jaar diverse periodes in het buitenland heeft verbleven. Omdat er onduidelijkheid bestaat over de vakanties van de afgelopen periode, heeft het college de rechten en plichten inzake verblijf in het buitenland aan appellant kenbaar gemaakt. Het college heeft appellant meegedeeld dat hij ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdeel e, van de PW, met behoud van bijstand, maximaal vier weken (28 dagen) per kalenderjaar in het buitenland kan verblijven. De weekenden en feestdagen worden hierbij meegerekend en de periode hoeft niet aaneengesloten opgenomen te worden. Het college heeft voorts meegedeeld dat appellant bij een nieuw verblijf in het buitenland dit minimaal vier weken van tevoren kenbaar dient te maken.


1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 februari 2016. Hij heeft in bezwaar aangevoerd dat het onrechtmatig is als weekenden en feestdagen als vakantiedagen worden meegerekend. Hij verwijst daartoe naar artikel 1 van de Grondwet.


1.4.

Bij besluit van 24 juni 2016 heeft het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 11 februari 2016 niet‑ontvankelijk verklaard op de grond dat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht en daarmee geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de weekenden en de feestdagen niet zouden moeten worden meegerekend bij de berekening van de maximale termijn in het buitenland en dat hij recht heeft op 28 vrije werkdagen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling is sprake indien een handeling gericht is op enig rechtsgevolg.


4.2.

In de brief van 11 februari 2016 heeft het college slechts in algemene zin de rechten en plichten inzake verblijf in het buitenland aan appellant kenbaar gemaakt. Rechtsgevolgen die zich door een verblijf in het buitenland kunnen voordoen, zoals een verlaging van de bijstand, kunnen pas intreden nadat door het bestuursorgaan een afweging naar aanleiding van een concreet verblijf in het buitenland heeft plaatsgevonden. Dit gebeurt eerst indien duidelijk is dat betrokkene is vertrokken, hoe lang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en of daarbij de maximaal geldende vakantieduur is overschreden of verplichtingen zijn geschonden (uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2087). De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de brief van 11 februari 2016 niet op rechtsgevolg is gericht en daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.


4.3.

De brief van 11 februari 2015 is evenmin aan te merken als bestuurlijk rechtsoordeel (vergelijk de uitspraak van 9 mei 2017:ECLI:NLCRVB:2017:2087). Daarvan zou sprake zijn als het college met deze brief heeft gereageerd op een concrete melding of vraag van appellant over een voorgenomen verblijf in het buitenland. Een bestuurlijk rechtsoordeel dient op één lijn te worden gesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb indien het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om een geschil over de interpretatie van een rechtsregel via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Nu het college met de brief van 11 februari 2015 niet op een concrete melding of een concrete vraag van appellant over een voorgenomen verblijf in het buitenland heeft gereageerd is de brief geen bestuurlijk rechtsoordeel en ook reeds om die reden niet gelijk te stellen met een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.


4.4.

De slotsom is dat de brief is aan te merken als een mededeling van informatieve aard, waartegen geen bezwaar openstond.


4.5.

Voor zover appellant zich niet kan vinden in het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder e, van de PW, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat artikel 11 van de Wet algemene bepalingen de rechter verbiedt de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2018.




(getekend) M. ter Brugge




(getekend) J.M.M. van Dalen




NW