Centrale Raad van Beroep, 13-09-2018 / 16/3772 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:2871

Inhoudsindicatie
Nadere invulling aan het begrip ‘boven de norm’. Door vaststellen van een peilmoment is het landelijk beleid beperkt. Beoordeling 3 ziet mede op de hier van belang zijnde periode en had daarom bij het verzoek om bevordering moeten worden betrokken. De Raad kan uit de gegevens niet anders opmaken dan dat appellant op (uiterlijk) 31 december 2012 voldeed aan de voorwaarden voor bevordering op grond van het loopbaanbeleid. Hoger beroep slaagt. Omdat appellant sinds 2018 in een andere eenheid werkzaam is en dat hij nog slechts een financieel belang heeft bij zijn hoger beroep, zal de korpschef, zo nodig in overleg met appellant, moeten afwegen wat een en ander betekent voor zijn besluitvorming.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-09-13
Publicatiedatum
2018-09-21
Zaaknummer
16/3772 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

163772 AW


Datum uitspraak: 13 september 2018



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 mei 2016, 15/6462 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de korpschef van politie (korpschef)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K. Kromhout hoger beroep ingesteld.


De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/3781 AW, plaatsgevonden op 16 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Allaart en I.T.M. Kalker.


In de gevoegde zaak 16/3781 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als [functie] bij de voormalige politieregio [regio] , thans de [Eenheid] .


1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op 1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782; circulaire). Eén van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd. In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) nadere uitvoeringsuitspraken vastgelegd.


1.3.

Op 28 september 2012 is aan de daarvoor in aanmerking komende medewerkers van de voormalige politieregio [regio] door middel van een bekendmaking op intranet de mogelijkheid geboden zich tot 31 december 2012 te melden met een verzoek om bevordering naar de functie van senior GGP.


1.4.

In 2013 heeft de Ondernemingsraad (OR) binnen de voormalige politieregio [regio] bezwaren geuit ten aanzien van een aantal onderdelen van de procedure. Dit heeft geleid tot hernieuwde openstelling, onder aangepaste voorwaarden, van de procedure. De aanvullende afspraken zijn op 16 oktober 2014 via intranet bekend gemaakt. Op grond hiervan konden medewerkers gedurende de periode van 16 oktober 2014 tot en met 13 november 2014 een aanvraag indienen om alsnog te worden bevorderd naar de functie van senior GGP, indien zij onder meer voldeden aan de volgende eisen:

- de medewerker is in het bezit van een prestatie- en/of potentieelbeoordeling die uiterlijk is vastgesteld op 21 december 2012 of waarvan het hele proces van beoordeling is doorlopen in 2012 en waarbij alleen de bekrachtiging door de beoordelingsautoriteit begin 2013 heeft plaatsgevonden;

- in deze prestatie- en/of potentieelbeoordeling (niet ouder dan 1 november 2008) is voor ieder beoordelingsaspect tenminste het cijfer zeven (7) behaald;

- uit deze prestatie- en/of potentieelbeoordeling blijkt bovendien dat de medewerker in potentie geschikt is voor een volgende loopbaanstap, in het bijzonder senior GGP.


1.5.

Appellant heeft op 31 oktober 2014 in het kader van de hernieuwde openstelling van het loopbaanbeleid verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP. Daarbij heeft hij een op 27 mei 2011 bekrachtigde prestatiebeoordeling over de periode van 1 juli 2008 tot en met 1 mei 2011 (beoordeling 1) overgelegd.


1.6.

Bij besluit van 19 maart 2015 heeft de korpschef het verzoek om bevordering afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat, hoewel het functioneren van appellant blijkens beoordeling 1 aan de gestelde eisen voldoet, er geen uitspraak is gedaan over de potentiële geschiktheid voor de functie van senior GGP. Dit is wel een van de vereisten vanuit de circulaire en de afspraken tussen de korpschef en de OR.


1.7.

Bij besluit van 3 augustus 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart 2015 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat geen van de door appellant overgelegde beoordelingen aan alle gestelde voorwaarden voldoet. In de bij het verzoek overgelegde beoordeling 1 is op geen enkele wijze uitspraak gedaan over de verwachte geschiktheid voor een volgende loopbaanstap. De in bezwaar overgelegde prestatie- en potentieelbeoordeling van 1 maart 2012 over de periode van 1 mei 2011 tot en met 29 februari 2012 (beoordeling 2), bevat wel zo’n uitspraak in voor appellant positieve zin, maar deze beoordeling voldoet niet aan de voorwaarde dat voor ieder beoordelingsaspect tenminste het cijfer zeven (7) moet zijn behaald. De genoemde beoordeling geeft namelijk bij competentie C, ‘sociale vaardigheden’, onder punt 1, het cijfer zes (6) aan. De eveneens in bezwaar overgelegde, op 12 maart 2013 opgemaakte en op 14 maart 2013 bekrachtigde prestatie- en potentieelbeoordeling over de periode van 28 februari 2012 tot en met

12 maart 2013 (beoordeling 3), voldoet niet aan de voorwaarden omdat deze niet voldoet aan de “limiet van 31 december 2012”. Het proces van beoordeling is niet geheel in 2012 doorlopen. Het beoordelingsgesprek en de bekrachtiging hebben plaatsgevonden ná

31 december 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij op 31 december 2012 voldeed aan de voorwaarden voor bevordering als gesteld in het loopbaanbeleid. Gelet op de uitspraak van

14 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:276) had de korpschef beoordeling 3, die boven de norm is en waarin in het potentieeldeel wordt vermeld dat appellant in staat wordt geacht de functie van senior GGP uit te oefenen, niet buiten beschouwing mogen laten. Bovendien verzet niets zich ertegen dat de verwachte geschiktheid los van een beoordeling, of in een afzonderlijke beoordeling, wordt vastgesteld. Met beoordeling 1, bezien in samenhang met beoordeling 2, is eveneens aan de voorwaarden voldaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het loopbaanbeleid gold van 1 november 2010 tot 31 december 2012. Wil men voor bevordering in aanmerking komen, dan dient in die periode aan de daarvoor geldende voorwaarden te zijn voldaan. De Raad heeft eerder overwogen dat de voormalige regiokorpsen de bevoegdheid toekwam een nadere invulling te geven aan het begrip ‘boven de norm’ zoals genoemd in de onder 1.2 bedoelde circulaire. Met de invulling dat een beoordeling tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013 dient te zijn opgemaakt, is evenwel buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden, zo heeft de Raad geoordeeld in onder meer zijn uitspraak van 2 juni 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2072). In zoverre is geen sprake van een nadere invulling, maar van een beperking van het landelijk beleid, dat immers geen peilmoment kent voor de beoordeling. Beoordeling 3 ziet mede op de hier van belang zijnde periode en had daarom bij het verzoek om bevordering moeten worden betrokken.


4.2.

Niet in geschil is dat beoordeling 3 voldoet aan zowel de voorwaarde dat voor ieder beoordelingsaspect het cijfer zeven (7) of hoger is behaald, als het vereiste dat daaruit blijkt van een geschiktheid in potentie voor de overstap naar de functie van senior GGP. De beoordelingen 1 en 2, in onderlinge samenhang bezien, bevestigen daarbij dat appellant gedurende de voor het loopbaanbeleid relevante periode aan beide voorwaarden heeft voldaan, ook al was dat - toen nog - niet tegelijkertijd. Dit samenvallen van beide kwalificaties is er met beoordeling 3, met als startmoment 28 februari 2012, alsnog gekomen. De Raad kan uit dit alles niet anders opmaken dan dat appellant op (uiterlijk)

31 december 2012 voldeed aan de voorwaarden voor bevordering op grond van het loopbaanbeleid.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit zullen worden vernietigd. De Raad ziet echter geen mogelijkheden tot definitieve geschilbeslechting binnen zijn bereik. Dat hangt samen met het volgende. Appellant vervulde de functie van rechercheur A. De voormalige politieregio [regio] heeft het loopbaanbeleid ook voor politieambtenaren in die functie opengesteld, maar heeft aan bevordering wel de voorwaarde verbonden dat daadwerkelijk wordt teruggekeerd naar de gebiedsgebonden politie. Appellant heeft evenwel verklaard dat hij sinds 2018 in een andere eenheid werkzaam is en dat hij nog slechts een financieel belang heeft bij zijn hoger beroep. De korpschef zal, zo nodig in overleg met appellant, moeten afwegen wat een en ander betekent voor zijn besluitvorming. De Raad zal met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bepalen dat een - onverhoopt - beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij hem zal kunnen worden ingesteld.


5. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.











BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - draagt de korpschef op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • - veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;
  • - bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 418,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2018.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) J. Tuit






LO