Centrale Raad van Beroep, 01-10-2018 / 16/2081 WWB


ECLI:NL:CRVB:2018:2913

Inhoudsindicatie
In buitenland verkregen bewijs toegestaan in bestuursrechtelijke procedure. Onderzoek naar vermogen. Nederlands recht beslissend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-10-01
Publicatiedatum
2018-10-01
Zaaknummer
16/2081 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2018/433
  • JWWB 2018/256
  • USZ 2018/320 met annotatie van B. Kaya
  • RSV 2018/220
  • AB 2019/402 met annotatie van Y.E. Schuurmans
Uitspraak

162081 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 februari 2016, 15/3752 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]


het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)



Datum uitspraak: 1 oktober 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellanten heeft mr. R. Küҫükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Küҫükünal, die ook is verschenen namens appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert. Ter zitting was tevens aanwezig de tolk E. Battaloglu.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen van 15 april 2004 tot en met 30 september 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van het college. Vanaf 1 oktober 2011 ontvingen zij van de Sociale verzekeringsbank (Svb) naast een AOW-pensioen bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).


1.2.

Bij brief van 10 oktober 2013 heeft de Svb aan het college meegedeeld dat uit onderzoek van de Svb is gebleken dat appellant sinds 1980 in bezit is van onroerend goed in Turkije. Voorts heeft de Svb bij deze brief onderzoeksgegevens gevoegd, waaronder een rapportage vermogensonderzoek Turkije van het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara van 7 mei 2013. In die rapportage staat als conclusie weergegeven dat appellant belastingaangiftes heeft ingediend voor in totaal zeven werkplaatsen en drie appartementen in de gemeente [gemeente] . Volgens de belastingaangiftes heeft appellant sinds februari 1980 vijf werkplaatsen in zijn bezit en heeft hij in mei 2009 nog twee werkplaatsen en drie appartementen verworven. Een lokale makelaar heeft de waarde van de door appellant in mei 2009 verworven appartementen en werkplaatsen getaxeerd op een bedrag van in totaal € 217.000,- en de waarde van vier in 1980 verworven werkplaatsen geïndiceerd op € 141.000,-.


1.3.

Naar aanleiding van de door de Svb ontvangen gegevens hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente [woonplaats] (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers dossieronderzoek verricht en appellant op 10 december 2014 gehoord. Tijdens dat gesprek heeft appellant, na confrontatie met de onderzoeksbevindingen van de Svb, onder meer verklaard dat de zeven werkplaatsen en drie appartementen oude huizen zijn die leeg staan en op zijn naam staan, dat de gemeente [gemeente] deze huizen wil opkopen om te slopen en wellicht nieuwbouw te plegen, dat hij nog geen financieel aanbod daarvoor heeft gehad en dat de huizen op dit moment onverkoopbaar zijn door de aardbeving. De medewerkers hebben de onderzoeksbevindingen van de Svb en van hun eigen onderzoek neergelegd in een rapport van 16 december 2014.


1.4.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 29 december 2014 (besluit 1) de bijstand van appellanten met ingang van 15 april 2004 ingetrokken en de over de periode van 15 april 2004 tot en met 30 september 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 88.876,71 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 8 januari 2015 (besluit 2) heeft het college de over de periode van 1 december 2006 tot en met 31 december 2011 aan appellanten verleende bijzondere bijstand herzien (lees: ingetrokken) en teruggevorderd tot een bedrag van € 1.655,-. Bij besluit van eveneens 8 januari 2015 (besluit 3) heeft het college het bij besluit 1 teruggevorderde bedrag gecorrigeerd en verhoogd tot € 102.558,39, omdat door een fout de uitkering over 2008 niet was opgenomen in het terugvorderingsbedrag. Bij besluit van 20 januari 2015 (besluit 4) heeft het college het besluit 3 genoemde terugvorderingsbedrag gebruteerd en verhoogd met een bedrag van € 13.993,- tot een bedrag van € 116.551,39.


1.5.

Bij besluit van 28 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door bij het college geen melding te maken van de onder 1.2 genoemde onroerende zaken in Turkije en de waarde daarvan. Hierdoor kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer, kort samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Het college heeft de melding van de Svb en de resultaten van het onderzoek in Turkije mogen gebruiken bij zijn besluitvorming. De Svb heeft naar aanleiding van een specifieke aanleiding een onderzoek in Turkije laten verrichten en niet op basis van een discriminatoir risicoprofiel. Er is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Het door de Svb in Turkije uitgevoerde onderzoek levert geen strijd op met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vraag of de Svb bevoegd was tot het doen van onderzoek en of een onderzoeksbevoegdheid al dan niet onrechtmatig is gebruikt, wordt door Nederlands recht beheerst en niet door Turks recht. Er was geen sprake van een strafrechtelijk onderzoek, zodat een internationaal rechtshulpverzoek niet aan de orde was.


3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellanten hebben, evenals in beroep, als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat het college geen gebruik mocht maken van de onderzoeksgegevens van de Svb. In de eerste plaats niet, omdat - kort weergegeven - de Svb heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie door het onderzoek naar vermogen in het buitenland te beperken tot bijstandsgerechtigden met een Turkse nationaliteit. In de tweede plaats niet, omdat de onderzoeksgegevens op onrechtmatige wijze zijn verkregen. In Turkije zijn niet openbare bronnen geraadpleegd, waardoor een inbreuk is gemaakt op het in artikel 8 van het EVRM verankerde recht op respect voor het privéleven van appellanten. Verder kan er niet aan voorbij worden gezien dat naar Turks recht inmenging in het in privéleven strafbaar is gesteld indien hiervoor geen wettelijke grondslag voor is, wat hier het geval is. Op de voet van het Turkse recht had de Svb een internationaal rechtshulpverzoek moeten doen aan de Turkse overheid. Gelet hierop had het college de verkregen onderzoeksgegevens moeten beschouwen als - niet meer dan - een signaal en op basis daarvan een nieuw vermogensonderzoek moeten laten verrichten.


4.2.

Ter beoordeling van de vraag of het college al dan niet gebruik mocht maken van de van de Svb ontvangen onderzoeksgegevens, ligt de vraag voor of - aan de hand van wat appellanten hebben aangevoerd - moet worden bezien of deze gegevens door de Svb al dan niet op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Zoals met partijen ter zitting is besproken, zijn daarvoor relevant de arresten van de Hoge Raad van 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028, en van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643.


4.3.1.

In de gevallen van de onder 4.2 genoemde arresten was sprake van situaties waarin de strafrechter had geoordeeld dat bepaalde bewijsmiddelen buiten beschouwing moesten worden gelaten, omdat dit op onrechtmatige wijze was verkregen, en de belastinginspecteur vervolgens voor het opleggen van belastingaanslagen aan de betrokkenen gebruik had gemaakt van die bewijsmiddelen. De Hoge Raad heeft in het arrest van 1 juli 1992 onder meer geoordeeld dat gebruik van de strafrechtelijk onrechtmatig bevonden bewijsmiddelen door de belastinginspecteur slechts dan niet is toegestaan, indien deze bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. In het arrest van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen.


“2.5.2. Buiten [de] categorie van gevallen waarin het recht van de belanghebbende op een behoorlijk proces op grond van artikel 6 EVRM noodzaakt tot bewijsuitsluiting, is de taak van belastinginspecteur en de belastingrechter bij het vaststellen dan wel beoordelen van besluiten op grond van de belastingwetgeving niet vergelijkbaar met de taak van de strafrechter ten aanzien van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. [...] Wel bestaat in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid dat uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs ook in een belastingzaak geboden is als rechtsstatelijke waarborg, omdat een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in zo aanzienlijke mate is geschonden, dat de uitkomst van dat onderzoek ook in een belastingzaak van het bewijs dient te worden uitgesloten. [...]

2.5.3.

Deze zeer terughoudende uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken, in gevallen waarin artikel 6 EVRM daartoe niet dwingt, komt op een nog steeds adequate wijze tot uitdrukking in het ‘zozeer indruist’-criterium uit [het arrest van

1 juli 1992]. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen van dit criterium en van de rechtspraak die aan de hand daarvan tot ontwikkeling is gekomen.”


4.3.2.

In dit geval doet zich niet de situatie voor dat het college gebruik heeft gemaakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Wel heeft het college gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens die hij heeft verkregen van een ander bestuursorgaan. Niet valt in te zien dat het zeer terughoudend uitsluiten van het op deze wijze verkregen bewijs als onder 4.3.1 bedoeld ook niet in die situatie zou moeten gelden. Gelet hierop zal moeten worden beoordeeld of de door het college van de van de Svb ontvangen onderzoeksgegevens zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Het ligt op de weg van appellanten om dit aannemelijk te maken. Daarbij ligt eerst de vraag voor of de Svb het bewijs onrechtmatig heeft verkregen.

4.3.3.

Er ligt geen rechterlijk oordeel dat de bevindingen van het onderzoek in Turkije onrechtmatig zijn verkregen omdat, zoals appellanten stellen, sprake is van verboden discriminatie en/of een inbreuk is gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. De Svb heeft naar aanleiding van de bevindingen uit het vermogensonderzoek in Turkije wel besluiten genomen tot intrekking en terugvordering van AIO-aanvulling van appellanten en tot het opleggen van een bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenverplichting, maar tegen de daarop genomen beslissingen op bezwaar hebben appellanten geen beroep ingesteld. Dit rechterlijk oordeel kan in de deze procedure ook niet tot stand worden gebracht, omdat de Svb geen partij is in dit geding en dus geen verweer kan voeren, terwijl het college in dit geval niet in een zodanige relatie tot de Svb staat, dan haar handelingen aan het college moeten worden toegerekend. Ook anderszins staat niet vast dat de Svb het bewijs onrechtmatig heeft verkregen, bijvoorbeeld omdat het college of de Svb dit erkend hebben.


4.3.4.

Gelet op 4.3.3 behoeft de vraag of het gebruik van de verkregen onderzoeksgegevens onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht, geen bespreking meer.


4.4.

Uit 4.3 vloeit voort dat in dit geval niet wordt toegekomen aan een oordeel over de rechtmatigheid van het door de Svb verrichte onderzoek in Turkije en de daaruit verkregen gegevens. Of daarbij sprake geweest is van verboden discriminatie en/of van een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven, behoeft dus ook geen bespreking. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


4.5.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat, nu het college een handhavingsonderzoek heeft laten verrichten, uitgevoerd door sociaal rechercheurs, appellant voorafgaand aan het gesprek op 10 december 2014 ten onrechte niet is gewezen op de strafrechtelijke consequenties van zijn verklaring. Het college heeft in strijd met wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, nagelaten om appellant volledig te informeren over het doel en de strekking van het onderzoek.


4.6.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3682), kan de rechtsfiguur van intrekking van bijstand niet worden beschouwd als een bestraffende sanctie maar als een op herstel gerichte maatregel. Dat de schending van de inlichtingenverplichting als zodanig ook een strafbaar feit oplevert, betekent niet dat een bestuursorgaan is gehouden aan de betrokkene, die een verklaring aflegt in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop is gericht het recht op bijstand (nader) vast te stellen of te herbeoordelen, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij een verdachte in strafrechtelijke zin. Dat appellant voorafgaande aan de op 10 december 2014 afgelegde verklaring er niet op is gewezen dat hij het recht heeft om te zwijgen, leidt dan ook, anders dan appellanten kennelijk menen, niet tot de conclusie dat die verklaring door het college niet bij de besluitvorming mocht worden betrokken. Overigens mist de beroepsgrond feitelijk grondslag. Appellanten zijn voorafgaande aan het gehoor tweemaal schriftelijk meegedeeld dat het gesprek zou gaan over onduidelijkheden over de WWB-uitkering die aan hen in het verleden is verstrekt en dat aan de hand van het gesprek bepaald zal worden of appellanten ten onrechte een uitkering hebben ontvangen en tot welke wettelijke maatregelen dat zal leiden.


4.7.

Uit de onder 1.2 vermelde rapportage vermogensonderzoek van 7 mei 2013 blijkt dat appellant stond geregistreerd in het OZB-register van de gemeente [gemeente] als belastingplichtige van zeven werkplaatsen en drie appartementen.


4.8.

Zoals is overwogen in de uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3136, wordt in Turkije voor de OZB de eigenaar van een onroerende zaak als belastingplichtige aangemerkt. Indien onroerende zaken in een OZB-register op naam van een betrokkene staan genoteerd, is daarom de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.


4.9.

Appellanten hebben aangevoerd, zoals ter zitting nader toegelicht, dat appellant niet kon beschikken over de - in totaal tien - onroerende zaken waarvoor hij als belastingplichtige stond geregistreerd. De onroerende zaken behoorden toe aan de kinderen van appellant en stonden slechts tijdelijk op zijn naam. Appellanten verwijzen hiervoor naar een tweetal in hoger beroep overgelegde verklaringen van 17 juni 2015 van de vice-directeur Kadaster van [gemeente] en naar de door hen in bezwaar overgelegde stukken.


4.10.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de eerste verklaring van de vice-directeur Kadaster blijkt slechts dat in het Kadaster van [gemeente] op 17 juni 2015 geen onroerende zaken op naam van appellant stonden geregistreerd. Dit zegt dus niets over de beschikkingsmacht van de (tien) hier aan de orde zijnde onroerende zaken in de hier te beoordelen periode, die loopt van 15 april 2004 tot en met 30 september 2011. Ditzelfde geldt voor de tweede verklaring, die, kort gezegd, inhoudt dat een aantal onroerende zaken, die in het Kadaster op naam van appellant stonden geregistreerd, door de eigenaar op 13 januari 2015 en 2 februari 2015 zijn verkocht. Ten slotte wijzen ook de stukken die appellanten in bezwaar hebben ingebracht niet uit dat appellanten in de beoordelen periode niet konden beschikken over de in geding zijnde onroerende zaken. Uit die stukken blijkt slechts, zoals het college in het bestreden besluit terecht heeft opgemerkt, dat de zoon van appellant op 15 januari 2009 een overeenkomst heeft gesloten met de eigenaar van een stuk bouwgrond om als aannemer een gebouw neer te zetten en dat deze zoon dat gebouw op 13 januari 2015 als eigenaar heeft doorverkocht. Daarom zijn appellanten er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in de te beoordelen periode de tien in geding zijnde zaken geen bestanddeel vormden van het vermogen waarover zij daadwerkelijk beschikten of redelijkerwijs konden beschikken.


4.11.

Ten slotte hebben appellanten aangevoerd, onder verwijzing naar een verklaring van de Turkse bank Ziraat Bankasi van 29 juni 2015, dat zij aanzienlijke schulden hebben. Voor zover appellanten hiermee willen betogen dat, gelet op die schulden, het vermogen niet in de weg staat aan de verlening van bijstand, slaagt dit betoog niet. De grondslag van het bestreden besluit is immers dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Reeds om die reden is de - kennelijk - door appellanten voorgestane saldering van het beschikbare vermogen met aanwezige schulden niet mogelijk, nog daargelaten dat de verklaring dateert van 29 juni 2015, dus ruim na de te beoordelen periode.


4.12.

Uit 4.3 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, gelet op 4.4 met verbetering van gronden, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling van de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2018.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) A.M. Pasmans





ew