Centrale Raad van Beroep, 17-10-2018 / 13/6781 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:3222

Inhoudsindicatie
De door de Raad benoemde deskundigen worden gevolgd. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 17 januari 2017 is de Raad van oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 maart 2017 toereikend gemotiveerd dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt. Overschrijding redelijke termijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-10-17
Publicatiedatum
2018-10-19
Zaaknummer
13/6781 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

136781 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

12 november 2013, 13/2955 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)


de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)



Datum uitspraak: 17 oktober 2018


PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft H.J.A. Aerts hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Partijen hebben nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Vervolgens is het onderzoek geschorst.


Op verzoek van de Raad zijn deskundigenrapporten uitgebracht.


Partijen hebben nadere stukken ingediend en toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting.


Appellante heeft verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.


Het onderzoek is op 12 september 2018 gesloten.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verkoopster. Zij heeft zich op

5 januari 2011 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens psychische klachten en vermoeidheid ziek gemeld. Verder heeft zij neurologische klachten als gevolg van een goedaardige hersentumor.


1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv vastgesteld dat de belangrijkste klacht van appellante gelegen is in al meer dan twintig jaar bestaande vermoeidheid. Appellante heeft een doof gevoel in haar gelaat ten gevolge van een goedaardige hersentumor. Voor haar overige klachten heeft de verzekeringsarts geen neurologische verklaring gevonden. De vermoeidheid lijkt een multicausale oorsprong te hebben. De verwachting is dat behandeling van de psychische klachten tot enige verbetering van de belastbaarheid zal kunnen leiden. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen voor zware fysieke werkzaamheden in het algemeen en in het bijzonder voor lopen, staan en zware armbelastende activiteiten. Appellante is aangewezen op afwisseling van staan, zitten en lopen. In verband met de psychische klachten heeft de verzekeringsarts beperkingen voor het hanteren van stress, sterk conflicterende functie-eisen en hoog handelingstempo aangenomen. Gelet op de consistentie van de presentatie van de klachten heeft de verzekeringsarts appellante op preventieve gronden aangewezen geacht op een urenbeperking tot maximaal 30 uur per week en zes uur per dag. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

1 november 2012. Arbeidskundig onderzoek op basis van deze FML heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van

2 januari 2013 (datum in geding) 23,94%, dus minder dan 35% bedraagt. Daarop heeft het Uwv appellante bij besluit van 3 december 2012 te kennen gegeven dat zij met ingang van

2 januari 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 12 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 10 april 2013, waarbij het standpunt van appellante dat zij verdergaand beperkt is dan in de FML van 1 januari 2012 is aangenomen, niet is gevolgd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige onderbouwing hiervan onderschreven.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar psychische en lichamelijke beperkingen heeft onderschat en zij om die reden niet is staat is de voor haar geduide functies te verrichten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een op 26 februari 2015 ingekomen expertiserapport van psychiater dr. H.L.S.M. Busard ingebracht. Busard heeft zich op basis van onderzoek van appellante op het standpunt gesteld dat bij haar op de datum in geding sprake was van een evident psychiatrisch beeld, bestaande in een gegeneraliseerde angststoornis met overlap en/of in combinatie met een posttraumatische stressstoornis, naast een ontwijkende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en een compulsieve persoonlijkheidsstoornis. Voorts is sprake van het chronisch vermoeidheidssyndroom, rugklachten en klachten als gevolg van voornoemde goedaardige tumor. Gelet op deze ziektebeelden heeft Busard geconcludeerd dat “er voor appellante grote bezwaren aanwezig waren om haar eigen werk of ander werk te hervatten”.


3.2.

In een rapport van 25 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven in het rapport van Busard geen aanleiding te zien tot aanpassing van de FML. Niet duidelijk is waaruit het energieprobleem van appellante blijkt. Verder is de beantwoording van de vragen van de gemachtigde van appellante van een dergelijk algemene aard dat de beperkingen niet zijn te kwantificeren.


3.3.

De zitting van 10 april 2015 heeft aanleiding gegeven tot benoeming van een tweetal onafhankelijke deskundigen, te weten dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, en

prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater.


3.4.

Van Den Doel heeft op 9 februari 2016 gerapporteerd dat er geen reden is om op zijn vakgebied de belastbaarheid van appellante bij te stellen.


3.5.

Koerselman heeft in een rapport van 11 januari 2017 geconcludeerd dat bij appellante op de datum in geding sprake is van een dysthyme stoornis met atypische kenmerken. Daarnaast is sprake van schizotypische persoonlijkheidstrekken. De belastbaarheid van appellante op de datum in geding behoeft bijstelling, in die zin dat in de rubriek sociaal functioneren van de FML een beperking moet worden toegevoegd voor het hanteren van conflicten in persoonlijk contact. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat appellante anderen in verwarring kan brengen door haar manier van optreden en uiten van emoties.


3.6.

Het Uwv heeft bij brief van 6 februari 2017 te kennen gegeven de conclusie van Koerselman geheel te volgen en heeft de door hem geadviseerde aanvullende beperkingen vastgelegd in een FML van 17 januari 2017. Arbeidskundig onderzoek op basis van deze FML heeft vervolgens uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding moet worden vastgesteld op 24,39%. Daarop heeft het Uwv geconcludeerd dat er geen aanleiding is zijn standpunt te wijzigen.


3.7.

Appellante heeft bij brief van 10 februari 2017 te kennen gegeven zich in grote lijnen te kunnen verenigen met de wijze van beantwoording door Koerselman van de door de Raad gestelde vragen. Appellante heeft echter aandacht gevraagd voor het in het rapport van de verzekeringsarts van 1 november 2012 opgetekende dagverhaal dat volgens haar een te positief beeld geeft van een gemiddelde dag in haar leven. Op dit beeld lijkt de deskundige te hebben voortgeborduurd en heeft hij mogelijk te positieve conclusies getrokken, in het bijzonder over het niet bestaan van cognitieve beperkingen.


3.8.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft appellante te kennen gegeven zich weliswaar te kunnen verenigen met de door het Uwv naar aanleiding van het rapport van Koerselman aangenomen aanvullende beperkingen op de aspecten eigen gevoelens uiten en conflicthantering, maar dat zij van mening is dat zij op deze aspecten als sterk beperkt moet worden beschouwd. Uitgaande van de alsnog aangenomen beperkingen is appellante verder van mening dat de arbeidskundige onderbouwing van de geselecteerde functies tekortschiet.


3.9.

In reactie op de brief van appellante van 3 maart 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader toegelicht dat de CBBS-systematiek in geval van de voor appellante aangenomen dysthyme stoornis, anders dan bij bijzondere ziekten als schizofrenie, manisch toestandsbeeld, verstandelijke beperking, autisme spectrumstoornis of dementie, geen sterke beperking op het aspect eigen gevoelens uiten meebrengt. Een sterke beperking voor het omgaan met conflicten wordt aangenomen als sprake is van conflicten met anderen in het sociale gebied, zoals in winkels en eventueel bij aanrakingen met justitie. Uit de beschikbare stukken blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat deze problemen zich bij appellante voordoen. In een rapport van 24 maart 2017 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader toegelicht waarom de alsnog voor appellante op voornoemde aspecten aangenomen beperkingen niet in de weg staan aan functioneren in de voor haar geselecteerde functies.


3.10.

Bij brief van 28 april 2017 heeft appellante benadrukt dat de verzekeringsartsen volledig voorbij zijn gegaan aan het cumulatieve effect van de vermoeidheid op haar belastbaarheid. Appellante heeft daarbij in het bijzonder gewezen op het in de beroepsfase ingebrachte rapport van GZ-psycholoog drs. D.J.P. Marcelissen van 27 mei 2013, dat kort na de datum in geding is opgesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de door de Raad benoemde deskundigen Van Den Doel en Koerselman geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben alle beschikbare medische informatie, inclusief het rapport van

dr. Marcelissen van 27 mei 2013, in de beoordeling betrokken. Koerselman heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke onderdelen van de FML appellante (meer) beperkt wordt geacht. De FML is vervolgens aangepast door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, overeenkomstig het advies van de deskundigen. De reacties van appellante van 3 maart 2017 en 28 april 2017 geven, gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 maart 2017, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de op basis van de conclusies van de deskundigen vastgestelde FML.


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML van 17 januari 2017 is de Raad van oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht passend zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 maart 2017 toereikend gemotiveerd dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.


5. Gelet op wat in 4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


6.1.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.


6.2.

De vraag of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de verzoeker gedurende de gehele procesgang.


6.3.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.


6.4.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 15 januari 2013 van het tegen het besluit van 3 december 2012 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak, 24 oktober 2018, vijf jaar en ruim negen maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en ruim negen maanden overschreden.


6.5.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv nog geen half jaar geduurd. Dit betekent dat in de bezwaarfase de redelijke termijn niet is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. De Raad zal daarom de Staat veroordelen tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-.


7. Er is geen aanleiding voor een vergoeding in de proceskosten



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 2.000,-;
  • - bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 162,- aan appellant vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) H. Achtot




OS