Centrale Raad van Beroep, 01-11-2018 / 16/7033 WIA


ECLI:NL:CRVB:2018:3433

Inhoudsindicatie
Psychiater Huisman stelt met een inzichtelijke onderbouwing dat de door hem vastgestelde depressieve klachten ook op datum in geding minimaal ernstig moeten zijn geweest. Wat het Uwv daar tegenover stelt, kan daar geen afbreuk aan doen. Het enkele feit dat, in de woorden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar reactie op het rapport Huisman, de ernstiger aard van de depressieve stoornis op (ook) de datum in geding niet onomstotelijk is komen vast te staan, maakt niet dat niet van het oordeel van Huisman daarover kan worden uitgegaan. Conclusie is dat aannemelijk is te achten dat appellante ook op de datum in geding al leed aan een ernstige depressie. Nieuwe beslissing op bezwaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-01
Publicatiedatum
2018-11-06
Zaaknummer
16/7033 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

16/7033 WIA

Datum uitspraak: 1 november 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2016, 15/3060 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een expertise van psychiater drs. J. Huisman ingediend.

Het Uwv heeft een reactie op deze expertise ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.G.B. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerkster sorteer/overslag voor ongeveer

24 uur per week. Zij heeft zich op 26 mei 2008 ziek gemeld wegens psychische

en lichamelijke klachten. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 24 mei 2010 recht heeft op een loongerelateerde

WGA-uitkering, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage is bepaald op 100. De uitkering is per 24 maart 2012 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Op 6 juni 2014 heeft de ex-werkgever van appellante het Uwv verzocht om een herbeoordeling en gesteld dat er aanwijzingen zijn dat appellante in aanmerking zou moeten komen voor een IVA-uitkering. In het kader van dit verzoek is appellante op 23 juni 2014 onderzocht op het spreekuur van een arts van het Uwv. Deze arts heeft geoordeeld dat appellante nog benutbare mogelijkheden heeft en heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens zes functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 0%. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2014 vastgesteld dat voor appellante vanaf 23 oktober 2014 geen recht op een WIA-uitkering meer bestaat, omdat zij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.


1.3.

In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv aanleiding gezien de eerder door de verzekeringsarts opgestelde FML aan te passen in verband met de psychische problematiek van appellante en aanvullende beperkingen op te nemen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de oorspronkelijk geselecteerde functies opnieuw bezien en geconcludeerd dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35 ongewijzigd blijft. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 augustus 2014 bij besluit van 5 juni 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.



2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat, geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en heeft geen aanleiding gevonden om aan de juistheid of de volledigheid van de rapporten van de verzekeringsartsen te twijfelen. Alle medische informatie van appellante is meegewogen. De rechtbank heeft in de door appellante overgelegde medische informatie geen aanleiding gezien om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Voor de door appellante geclaimde urenbeperking heeft de rechtbank onvoldoende medische grondslag gezien. Ook heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat in de medische situatie, na het toekennen van de WIA-uitkering in 2010, niets is gewijzigd. Volgens appellante is sprake van een ernstige depressieve episode. Appellante is van mening dat daarom meer dan wel verdergaande beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren hadden moeten worden aangenomen, alsook een urenbeperking. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij een expertise van psychiater Huisman ingediend.


3.2.

Het Uw heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.


4.1.2.

In artikel 5 van de Wet WIA is bepaald dat gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.


4.1.3.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is of gedeeltelijk arbeidsgeschikt gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.


4.2.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of in de in bezwaar aangepaste FML van 4 mei 2015 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen die appellante ondervindt als gevolg van de bij haar vastgestelde psychische aandoeningen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat, in tegenstelling tot wat de primaire verzekeringsarts had geoordeeld, geen sprake is van een depressie in remissie, maar van een depressief beeld. Als gevolg van dit depressieve beeld, waarbij er slaapstoornissen, verminderd lustbeleven en interesseverlies zijn genoemd, heeft hij aanleiding gezien om meer beperkingen aan te nemen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren dan de verzekeringsarts had gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierbij opgemerkt dat volgens het verzekeringsgeneeskundig protocol ‘depressieve stoornis’ bij een minder ernstige depressieve episode in het algemeen rekening wordt gehouden met beperkingen in de specifieke voorwaarden voor het persoonlijk en sociaal functioneren. Er is, zo stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 4 mei 2015, geen sprake van een ernstige depressieve episode, omdat de huisarts in zijn brief spreekt van een depressie/dysthyme stoornis en appellante alleen medicatie gebruikt en gesprekken heeft met de huisarts. Zij staat niet onder behandeling van een psycholoog of psychiater.


4.3.

Psychiater Huisman heeft in zijn rapport van 11 mei 2017 geoordeeld dat ten tijde van zijn onderzoek evident sprake is van een depressieve stemmingsstoornis bij appellante. Zij voldoet aan de criteria om van een depressie te kunnen spreken. Om een indicatie te krijgen van de ernst van de depressieve stemmingsstoornis is de Hamiltonrating scale for

depression afgenomen. Appellante scoort 26 punten, wat het grensgebied aangeeft tussen ernstige en zeer ernstige depressieve klachten. Huisman heeft geconcludeerd dat sprake is van een depressieve stemmingsstoornis, chronisch, ernstig van aard met vitale kenmerken zonder psychotische aspecten, een ongedifferentieerde somatoforme stoornis en een angststoornis NAO. Wat betreft het toestandsbeeld op de datum in geding 23 oktober 2014 heeft Huisman geoordeeld dat de ongedifferentieerde somatoforme stoornis ook toen duidelijk aanwezig was. Eveneens aanwezig waren de depressieve klachten waarvan de ernst minimaal ernstig geweest zal zijn, mogelijk met een iets lagere score op de Hamilton (24 of 25 punten in plaats van 26), wat nog altijd een indicatie is voor ernstig depressief lijden. De iets gunstiger uitkomst op de Hamilton heeft te maken met het feit dat appellante nog minimale, lichte huishoudelijke werkzaamheden verrichtte in die periode en ook de gewichtsdaling mogelijk in die periode zich nog niet had ingezet. De secundaire angstsymptomen hebben zich, ten slotte, geleidelijk ontwikkeld, aldus Huisman.


4.4.

De rapportage van Huisman geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Huisman heeft appellante gezien, haar medische voorgeschiedenis bestudeerd en zijn conclusies uitvoerig gemotiveerd. Uit de door het Uwv overgelegde reactie van een verzekeringsarts bezwaar en beroep op de rapportage van Huisman maakt de Raad op dat, voor zover het gaat om het toestandsbeeld ten tijde van het onderzoek, het Uwv de conclusies van Huisman onderschrijft, of althans deze conclusies niet wenst te weerspreken. Dat ligt evenwel anders waar het de datum in geding, 23 oktober 2014, betreft. In zoverre wenst het Uwv Huisman niet te volgen.


4.5.

Anders dan het Uwv ziet de Raad geen reden om de rapportage van Huisman enkel en alleen op dit specifieke punt in twijfel te trekken. Ook de bevindingen wat betreft de datum in geding zijn van een deugdelijke toelichting voorzien. Huisman stelt klip en klaar en met een inzichtelijke onderbouwing dat de door hem vastgestelde depressieve klachten ook op die datum minimaal ernstig moeten zijn geweest. Wat het Uwv daar tegenover stelt, kan daar geen afbreuk aan doen. Het enkele feit dat, in de woorden van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar reactie op het rapport Huisman, de ernstiger aard van de depressieve stoornis op (ook) de datum in geding niet onomstotelijk is komen vast te staan, maakt niet dat niet van het oordeel van Huisman daarover kan worden uitgegaan. In een geval als dit, waarin het gaat om het toestandsbeeld in het verleden, is het onomstotelijk vast komen staan daarvan niet mogelijk. Dat Huisman, zoals verder gememoreerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, melding maakt van het zich geleidelijk hebben ontwikkeld van de secundaire angstsymptomen, maakt evenmin dat zijn conclusies over de depressieve klachten op de datum in geding geen stand kunnen houden. Huisman maakt een duidelijk onderscheid tussen beide aandoeningen en zijn onderbouwde oordeel dat ook op de datum in geding al sprake was van ernstige depressieve klachten staat blijkens zijn rapportage los van de angstklachten. Ten slotte geeft ook het in de bezwaarfase gememoreerde gegeven dat appellante ten tijde van belang niet onder behandeling stond van een psycholoog of psychiater maar alleen gesprekken voerde met de huisarts, geen aanleiding de bevindingen van Huisman in twijfel te trekken. Een gekozen behandelwijze zegt immers niet direct iets over de ernst van de klachten. Ook ten tijde van het onderzoek van Huisman was appellante niet onder behandeling van een gespecialiseerde hulpverlener, hoewel dit volgens Huisman wel geïndiceerd was. De Raad kent daarbij meer betekenis toe aan het onderbouwde onderzoek van Huisman dan aan het enkele gebruik van de term “dysthyme stoornis” door de huisarts.


4.6.

Conclusie is dat aannemelijk is te achten dat appellante ook op de datum in geding al leed aan een ernstige depressie. Dat betekent dat de FML van 4 mei 2015, waarin is uitgegaan van een minder ernstige depressie, geen stand kan houden. Daarmee komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het Uwv opdracht geven een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellante, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, en dus uitgaande van een ernstige depressie op de datum in geding. De Raad merkt daarbij op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 4 mei 2015 is ingegaan op de betekenis voor het vaststellen van de beperkingen, van het onderscheid tussen een matige en een ernstige depressie. Een beperking van het zelfstandig handelen komt alleen voor in geval van laatstgenoemde aandoening. Dat geldt ook voor diverse beperkingen in de rubriek sociaal functioneren. De vaststelling van de beperkingen door Huisman, die door het Uwv op zichzelf beschouwd – los van de discussie over de datum in geding – slechts op een enkel punt is bestreden, volgt in zoverre eenzelfde lijn. Bij het vaststellen van een nieuwe FML zal het Uwv niet aan dit alles voorbij kunnen gaan.


4.7.

De Raad ziet tot slot aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat een – onverhoopt – beroep tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij hem kan worden ingesteld.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in bezwaar, € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, in totaal € 3.006,-. Er is daarnaast aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van de expertise door Huisman. Deze kosten worden begroot op € 1.032,90.



















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 juni 2015;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante, tot een bedrag van in totaal € 4.038,90;
  • - bepaalt dat het Uwv appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt, tot een bedrag van in totaal €169,-.


Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en B.J. van de Griend en A.T de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2018.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) Y. Azirar





MD