Centrale Raad van Beroep, 13-11-2018 / 17/3241 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:3537

Inhoudsindicatie
Buiten behandeling stellen aanvraag in verband met niet overleggen afschriften internetspaarrekening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-11-13
Publicatiedatum
2018-11-20
Zaaknummer
17/3241 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

173241 PW


Datum uitspraak: 13 november 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 maart 2017, 16/5180 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018. Voor appellante is verschenen mr. Moghni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante heeft zich op 10 november 2015 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Participatiewet (PW). Zij heeft de aanvraag op 10 december 2015 ingediend. Bij brief van 17 december 2015 heeft de klantmanager appellante verzocht om uiterlijk 24 december 2015 stukken te overleggen, waaronder afschriften van al haar betaal- en spaarrekeningen van 10 augustus 2015 tot en met 10 november 2015 voorzien van naam, adres en saldogegevens. Bij brief van 19 december 2015 heeft appellante enkele in de brief van 17 december 2015 genoemde stukken opgestuurd.


1.2.

Bij besluit van 8 januari 2016 heeft het college aan appellante een voorschot van € 514,83 toegekend.


1.3.

Bij brief van 8 januari 2016 heeft de klantmanager appellante verzocht om uiterlijk op 15 januari 2016 stukken over te leggen, waaronder afschriften van betaal- en spaarrekeningen van 10 november 2015 tot en met 8 januari 2016, voorzien van naam, adres en saldogegevens. In de brief heeft de klantmanager meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen als appellante niet tijdig reageert of niet alle gevraagde gegevens inlevert. Bije-mailbericht van 13 januari 2016 heeft appellante hierop gereageerd, maar niet de gevraagde bankafschriften overgelegd.


1.4.

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen afschriften heeft overgelegd van rekening (…) [nummer] (bankrekening), die voldoen aan de eisen dat deze zijn voorzien van naam, adres, rekeningnummer en saldogegevens.


1.5.

Bij besluit van 19 januari 2016 heeft het college het aan appellante verstrekte voorschot teruggevorderd.


1.6.

Bij besluit van 23 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 18 januari 2016 en 19 januari 2016 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.


4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen.


4.3.

Niet in geschil is dat de door het college gevraagde bankafschriften van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat appellante deze niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft verstrekt.


4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de gevraagde bankafschriften niet heeft verstrekt, omdat zij redelijkerwijs niet over deze gegevens kan beschikken. De gevraagde bankafschriften hebben betrekking op een internetspaarrekening waarvan appellante de bankafschriften niet kan printen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een stuk overgelegd waarop mutaties zichtbaar zijn en waarop een stempel van de Rabobank staat. Onder de mutaties is met de hand bijgeschreven dat het een internetspaarrekening is en dat klanten niet zelf afschriften daarvan kunnen printen, ook niet in PDF, maar ook dat dit alles is dat de Rabobank kan printen.


4.5.

Appellante heeft met het stuk van de Rabobank niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over de bankafschriften kon beschikken. Daartoe is het volgende van belang. Op het in 4.4 genoemde stuk van de Rabobank staat dat klanten niet zelf afschriften kunnen printen, maar daarmee is niet gezegd dat de Rabobank een dergelijk afschrift niet op verzoek kan verstrekken. Op het overgelegde stuk is te zien dat dit de tweede pagina van een document van in totaal vijf pagina's betreft. Appellante heeft alleen die tweede pagina overgelegd. Op die tweede pagina zijn alleen mutaties te zien. Niet valt uit te sluiten dat op de niet overgelegde pagina’s wel de door het college gevraagde gegevens staan vermeld, zoals dat ook het geval is op de door appellante wel overgelegde bankafschriften. Dat zou betekenen dat appellante in ieder geval via de Rabobank afschriften kan verkrijgen, voorzien van naam, adres en saldogegevens. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante ter zitting van de Raad niet kunnen verklaren waarom het stuk van de Rabobank niet compleet is overgelegd en ook niet duidelijk kunnen maken wat er op de ontbrekende pagina's stond. Gelet hierop kan in het midden blijven of appellante de afschriften wel uit kon printen, zoals het college stelt onder verwijzing naar informatie afkomstig van de website van de Rabobank.


4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2018.




(getekend) P.W. van Straalen




(getekend) C.A.E. Bon





MD