Centrale Raad van Beroep, 13-12-2018 / 18-2064 MAW


ECLI:NL:CRVB:2018:4014

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-12-13
Publicatiedatum
2018-12-18
Zaaknummer
18-2064 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

182064 MAW


Datum uitspraak: 13 december 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 maart 2018, 17/5619 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (Noord-Brabant) (appellante)


De Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)




PROCESVERLOOP


Dit geding dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Minister van Defensie is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de Staatssecretaris van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over de staatssecretaris wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Defensie.


Namens appellante heeft mr. M.P.K. Ruperti, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ruperti. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Verkroost.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was vanaf 14 september 2009 werkzaam bij de krijgsmacht als [functie] .


1.2.

Tijdens de eindoefening AMO heeft appellante rugletsel opgelopen, doordat ze is uitgegleden op een klimtoren. Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat geen sprake is van een (dienst)ongeval. Appellante heeft tegen dit besluit

geen rechtsmiddel aangewend. Naar aanleiding van de rugklachten heeft appellante op

15 maart 2012 een militair geneeskundig onderzoek ondergaan, waarover op 22 juni 2012 een rapport is uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat appellante ongeschikt is voor het verder vervullen van militaire dienst.


1.3.

Bij besluit van 16 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2017 (bestreden besluit), is appellante met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder f, en artikel 44, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) eervol ontslag verleend, omdat ze vanwege een ziekte of gebrek ongeschikt is bevonden voor de verdere vervulling van de militaire dienst.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit

niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat nu appellante geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van 5 augustus 2010, dat besluit in rechte vast staat. Niet in geschil is dat appellante op medische gronden ongeschikt is om het ambt van militair uit te oefenen en dat zij ook niet beoogt om weer in dienst te komen bij de krijgsmacht. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er nog een procedure loopt waarbij appellante de Staat (staatssecretaris) aansprakelijk heeft gesteld voor wat haar is overkomen.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.


3.2.

Appellante heeft, ook in hoger beroep, aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met het bestreden besluit, omdat een oorzakelijk verband tussen haar rugletsel en het voorval op de klimtoren niet wordt erkend door de staatsecretaris. Appellante zoekt erkenning voor wat haar is overkomen en een eerlijke beoordeling. De staatssecretaris heeft daar tegenover gesteld dat de erkenning die appellante zoekt een louter principieel belang betreft. Wat appellante wil bereiken, namelijk dat het ongeval alsnog wordt aangemerkt als dienstongeval en dat haar een hieraan gerelateerde financiële compensatie wordt toegekend, kan niet worden bereikt met deze procedure.


3.3.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante geen procesbelang heeft bij een oordeel over haar beroep tegen het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank hierover en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daar nog het volgende aan toe. De beroepsgronden van appellante zijn niet gericht tegen het ontslag wegens ziekte of gebrek, maar tegen de weigering van de staatssecretaris om een oorzakelijk verband te zien tussen haar (rug)letsel en het uitglijden op de klimtoren tijdens de eindoefening AMO. In dat kader heeft appellante een andere procedure aanhangig gemaakt, die nog loopt. Een oordeel over de zorgvuldigheid van het in dit hoger beroep bestreden ontslagbesluit kan echter niet daadwerkelijk leiden tot het door appellante beoogde resultaat namelijk het aanmerken van het ongeval als dienstongeval. De rechtbank heeft het beroep van appellante dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.


3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2018.



(getekend) K.J. Kraan




(getekend) F. Demiroğlu




JL