Centrale Raad van Beroep, 13-02-2018 / 17/2782 PW


ECLI:NL:CRVB:2018:413

Inhoudsindicatie
Te laat bezwaar gemaakt. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-02-13
Publicatiedatum
2018-02-20
Zaaknummer
17/2782 PW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

172782 PW


Datum uitspraak: 13 februari 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 maart 2017, 16/5997 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.


De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 november 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving, ten tijde in geding, bijstand ingevolge de Participatiewet (PW).


1.2.

Bij besluit van 31 maart 2016 heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 15 februari 2016 ingetrokken. Appellant heeft op 9 juni 2016, na afloop van de bezwaartermijn, bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bezwaarschrift heeft appellant vermeld dat hij te laat is met het indienen van het bezwaar, omdat hij lange tijd heeft gedacht dat het wel goed zou komen met zijn uitkering.


1.3.

Bij besluit van 22 augustus 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard in verband met het niet verschoonbaar overschrijden van de bezwaartermijn.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het college hem onjuist heeft geïnformeerd over de indiening van een bezwaarschrift tegen de intrekking van de bijstand. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat een e-mailbericht van 7 maart 2016 van een medewerker van Vluchtelingenwerk gericht aan een medewerker van de gemeente aangemerkt had moeten worden als een bezwaarschrift, dan wel dat zijn nieuwe aanvraag om bijstand van 11 april 2016 tevens gezien had moeten worden als een bezwaarschrift tegen het besluit van 31 maart 2016.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.


4.2.

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 1 april 2016, dat de termijn is geëindigd op 12 mei 2016 en dat het bezwaarschrift op 9 juni 2016 en derhalve na afloop van deze termijn is ingediend.


4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd bestaat geen grond om het e-mailbericht van

7 maart 2016 als bezwaar aan te merken, reeds omdat ten tijde van het e-mailbericht het besluit van 31 maart 2016 nog niet tot stand was gekomen en er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Het standpunt van appellant dat zijn aanvraag om bijstand van 11 april 2016 eveneens aangemerkt had moeten worden als bezwaarschrift tegen het besluit van 31 maart 2016, kan evenmin worden gevolgd, nu uit die aanvraag op geen enkele manier blijkt dat beoogd werd tegen dit besluit bezwaar te maken.


4.5.

De beroepsgrond dat het college appellant onjuist heeft voorgelicht, slaagt evenmin. In dit verband is van belang dat het besluit van 31 maart 2016 een juiste rechtsmiddelenclausule bevat. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat het college appellant op 7 april 2016 heeft gewezen op de mogelijkheid een bezwaarschrift in te dienen. In wat appellant heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2018.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) J. Tuit




HD