Centrale Raad van Beroep, 27-12-2018 / 17/1465 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:4255

Inhoudsindicatie
ZW-uitkering terecht beëindigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgelegde belastbaarheid. Voldoende gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht wel geschikt zijn voor appellante en dat deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mochten worden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-12-27
Publicatiedatum
2019-01-08
Zaaknummer
17/1465 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

171465 ZW


Datum uitspraak: 27 december 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2017, 16/4992 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als pedagogisch medewerker bij een kinderdagverblijf voor 24 uur per week. Op 2 januari 2015 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).


1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts appellante op 11 januari 2016 gezien en psychisch onderzocht. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 januari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens de functies wikkelaar (samensteller elektronische apparatuur), inpakker, productiemedewerker textiel, archiefmedewerker en machinebediende inpak-/verpakkingsindustrie geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante meer dan 65% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van

11 februari 2016 vastgesteld dat appellante met ingang van 12 maart 2016 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en zij is in dat kader door een verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien bij de hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 juni 2016 opgenomen dat de psychische klachten van appellante aanleiding geven een aantal beperkingen toe te voegen aan de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 23 juni 2016 vastgesteld dat appellante, ondanks deze in een FML van 20 juni 2016 opgenomen extra beperkingen, nog steeds in staat is de functies wikkelaar en productiemedewerker textiel te verrichten, maar niet langer in staat kan worden geacht de functie inpakker te verrichten. In plaats daarvan is de door de arbeidsdeskundige als reservefunctie geselecteerde functie archiefmedewerker gebruikt bij de schatting. Op basis van de resterende functies is berekend dat appellante nog 69,85% van haar maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft vervolgens op basis van deze rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 februari 2016 bij besluit van 24 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig geacht. In de standpunten van appellante heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de daaruit door deze arts getrokken conclusies. Daarbij is betrokken dat in de door appellante overgelegde brief van de huisarts van 11 november 2016 geen nieuwe medische informatie is opgenomen, zoals ter zitting bij de rechtbank ook door de gemachtigde van appellante is erkend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconstateerd dat appellante een vermoeide indruk maakt. Hiermee is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook rekening gehouden door in de FML een beperking aan te nemen op hoog handelingstempo. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij toegelicht waarom er op de datum in geding geen aanleiding is voor een urenbeperking. De rechtbank heeft geoordeeld dat het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiermee voldoende is gemotiveerd. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn en heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat appellante in medisch opzicht niet in staat zou zijn om deze functies te verrichten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunt als ingenomen in bezwaar en beroep gehandhaafd. Zij houdt staande dat het Uwv haar beperkingen ten gevolge van woedeaanvallen en zware vermoeidheid heeft onderschat en dat zij vanwege haar beperkingen niet in staat kan worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. Appellante is nog steeds onder behandeling bij een psycholoog. Zij verwacht een medisch rapport van de behandelaar in de procedure te kunnen brengen, wat tot nu toe nog niet is gelukt.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).


4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de gronden die zij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid van appellante. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat appellante ook in hoger beroep geen medische informatie heeft overgelegd waaruit valt af te leiden dat zij op de datum in geding meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.


4.3.

Appellante heeft in hoger beroep geen concrete gronden ingediend tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Zij heeft volstaan met het herhalen van de stelling dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn. De rechtbank wordt, uitgaande van de juistheid van de FML van 20 juni 2016, ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht wel geschikt zijn voor appellante en dat deze functies aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd mochten worden.


5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van W.M. Swinkels als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2018.




(getekend) D. Hardonk-Prins




(getekend) W.M. Swinkels




NW