Centrale Raad van Beroep, 01-03-2018 / 16/3304 AOW


ECLI:NL:CRVB:2018:669

Inhoudsindicatie
Terecht korting op AOW-pensioen van 84% toegepast omdat appellant niet verzekerd is voor de AOW. Appellant was van 1966 tot 2009 niet verzekerd voor de AOW op grond van ingezetenschap. Evenmin kan appellant verzekerd worden geacht op grond van werken in Nederland, nu bewijs daarvan ontbreekt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-01
Publicatiedatum
2018-03-08
Zaaknummer
16/3304 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • VFP 2018/36
Uitspraak

163304 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

31 maart 2016, 15/7836 (aangevallen uitspraak)







Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)



Datum uitspraak: 1 maart 2018


PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is voortgezet door mr. T.A. Vetter, advocaat.


De Svb heeft een verweerschrift ingediend.


Mr. Vetter heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.


Op 17 januari 2018 heeft appellant bij faxbericht nadere stukken ingezonden.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. De Svb heeft zich niet laten vertegenwoordigen.



OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 21 april 2015 heeft de Svb aan appellant met ingang van 1 september 2009 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op het pensioen is een korting toegepast van 84% omdat appellant niet verzekerd is voor de AOW van 2 oktober 1966 tot en met 7 augustus 2009.


1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2015 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant volgens de gegevens van de Rijkinspectie van de bevolkingsregisters van 2 oktober 1966 tot en met 7 augustus 2009 in het buitenland heeft gewoond en dat hij volgens de gegevens van de gemeente Amsterdam vanaf 3 augustus 1967 is uitgeschreven naar België. Geen bewijsstukken zijn voorhanden waaruit blijkt dat appellant altijd in Nederland heeft gewoond of gewerkt.


2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Kort voor de zitting heeft hij de rechtbank verzocht om uitstel van de behandeling van het beroep op de zitting wegens ziekte. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, onder overweging dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden uitstel wordt verleend. De reden waarom appellant uitstel heeft gevraagd, valt niet onder deze uitzonderlijke omstandigheden.


2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na zijn geregistreerde vertrek naar België een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland heeft behouden. Geen informatie is voorhanden waaruit blijkt dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. De gestelde omstandigheid dat appellant zijn bewijsstukken hierover is kwijtgeraakt door de ontruiming van zijn woning in december 2011 en het daarna ontstane geldgebrek, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Bij gebreke van bewijsstukken of concrete informatie ten aanzien van wonen of werken mocht de Svb bij de beoordeling van de AOW-aanspraak uitgaan van de ambtelijke gegevens over de woonplaats van appellant. Verder is de rechtbank van oordeel dat de Svb de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. De Svb heeft appellant meerdere malen de gelegenheid geboden een afspraak te maken voor een hoorzitting, maar appellant heeft hierop niet gereageerd.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek om uitstel van de zitting wegens ziekte in strijd met de goede procesorde heeft afgewezen. Verder is betoogd dat bij de Svb voldoende feiten en omstandigheden bekend waren op grond waarvan het ingezetenschap van appellant in de in geding zijnde periode kon worden vastgesteld. Ten slotte is gesteld dat de Svb de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Allereerst moet worden vastgesteld dat de door appellant op 17 januari 2018 bij faxbericht ingezonden stukken zijn ingebracht met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vermelde termijn van tien dagen binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen. Mede in aanmerking genomen dat de Svb niet ter zitting van de Raad is verschenen en zich niet heeft kunnen uitlaten over de vraag of het alsnog in beschouwing nemen van de desbetreffende stukken bij hem bezwaren ontmoet, heeft de Raad aanleiding gezien deze stukken bij de beoordeling van het onderhavige geding buiten beschouwing te laten. Appellant kan zich desgewenst met deze stukken tot de Svb wenden met een verzoek om het AOW-pensioen te herzien.


4.2.

De grond dat de Svb de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden, slaagt niet. Hiervoor wordt verwezen naar overweging 5.5 van de aangevallen uitspraak, die volledig wordt onderschreven.


4.3.

Evenmin slaagt de grond dat de rechtbank het verzoek om uitstel van de zitting wegens ziekte in strijd met de goede procesorde heeft afgewezen. Hoewel een andere beslissing van de rechtbank, gelet op de voortvarende agendering van de zaak van appellant ter zitting, denkbaar zou zijn geweest, is deze beslissing niet zo onbegrijpelijk dat sprake is van strijd met een goede procesorde. In ieder geval kan worden vastgesteld dat appellant ruimschoots de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt met nadere stukken te onderbouwen.


4.4.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant in de periode van 2 oktober 1966 tot en met 7 augustus 2009, waarin hij uitgeschreven was naar België, niet verzekerd was voor de AOW.


4.5.

Het oordeel van de rechtbank en de daarbij gebezigde overwegingen worden geheel onderschreven. Hoewel uit de uitschrijving uit de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters of de toenmalige gemeentelijke basisadministratie niet zonder meer kan worden afgeleid dat de duurzame band van persoonlijke aard van appellant met Nederland verloren is gegaan, vormt deze uitschrijving wel een aanwijzing in die richting. Of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland wordt beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval. Appellant heeft zijn standpunt dat een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland in de periode in geding is behouden, niet op controleerbare wijze onderbouwd. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat appellant over voornoemde periode verzekerd was voor de AOW op grond van ingezetenschap. Evenmin kan appellant verzekerd worden geacht op grond van werken in Nederland, nu bewijs daarvan ontbreekt.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) M.A.A. Traousis




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.




KS