Centrale Raad van Beroep, 08-03-2018 / 17/3040 AW


ECLI:NL:CRVB:2018:680

Inhoudsindicatie
Ontslag. Plichtsverzuim. Gevaarzettend rijgedrag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-08
Publicatiedatum
2018-03-12
Zaaknummer
17/3040 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2018/108
  • TAR 2018/78
  • USZ 2018/134
  • JB 2018/84
Uitspraak

17/3040 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 maart 2017, 16/4528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden

(dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. M.J.J. Rutten, advocaat, een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten en [A] . Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Rutten en drs. A.J. van Maren.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was sinds 1 augustus 1990 werkzaam bij de brandweer in gemeentelijke dienst. In verband met de regionalisering van de brandweer in Gelderland-Midden is hij vanaf 1 januari 2014 aangesteld in vaste en algemene dienst bij de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) in de functie van [functie 1] , bij de afdeling [afdeling 1]

, van de sector Brandweer.


1.2.

Appellant is op 7 mei 2014 na afloop van een afscheidsreceptie van een collega door de

politie aangehouden. Door middel van een bloedproef is bij hem een alcoholpromillage vastgesteld van 2,5. Het rijbewijs van appellant is ingenomen en de strafrechter heeft hem een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van zes maanden. Naar aanleiding hiervan heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van 14 juli 2014 met toepassing van artikel 16:1:2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Arbeidsvoorwaardenregeling VGGM een disciplinaire straf opgelegd bestaande uit een vermindering van salaris met één periodiek voor de duur van een jaar. Daarbij zijn voorwaarden gesteld om te voorkomen dat appellant opnieuw in een dergelijke situatie zou komen te verkeren.


1.3.

Op 26 oktober 2015 heeft R, projectleider van de bouw van de nieuwe brandweerkazerne en werkzaam bij de gemeente [gemeente] , telefonisch melding gedaan en een klacht ingediend over een incident op 23 oktober 2015, waarbij appellant was betrokken. Appellant is hierop door zijn leidinggevende aangesproken tijdens gesprekken op 28 oktober 2015, 2 november 2015 en 12 november 2015.


1.4.

Bij brief van 28 oktober 2015 heeft R een verklaring afgelegd over dit incident. Deze verklaring is mede ondertekend door I, uitvoerder bij het aldaar werkzame bouwbedrijf, die getuige was van bedoeld incident.


1.5.

Bij brief van 27 november 2015 heeft R een aanvullende verklaring afgelegd.


1.6.

Nadat het dagelijks bestuur het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn schriftelijke zienswijze naar voren had gebracht, heeft het dagelijks bestuur bij besluit van

30 november 2015, zoals gewijzigd bij besluit van 1 december 2015, allebei verzonden op

1 december 2015, appellant met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling VGGM, met ingang van 7 december 2015 wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd.

1.7.

Het dagelijks bestuur heeft het hiertegen gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van de Bezwaarschriftencommissie personele aangelegenheden (commissie), bij besluit van 22 juni 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, samengevat, overwogen dat de totstandkoming van het advies van de commissie niet in strijd is met artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van de rechtbank moet de gedraging van appellant op 23 oktober 2015 worden aangemerkt als het inrijden op een persoon/voetganger.

R heeft appellant, die in een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig van de brandweer reed, op 23 oktober 2015 in de uitoefening van zijn functie de toegang tot de inrit bij de brandweerkazerne willen ontzeggen in verband met de bouwactiviteiten. Appellant heeft hieraan geen gehoor gegeven en is doorgereden, waardoor R op het allerlaatste moment moest wegspringen om niet door appellant te worden aangereden. Van een goed handelend ambtenaar in dienst van de VGGM mag worden verwacht dat hij stopt indien zich een persoon voor zijn dienstvoertuig bevindt en dat hij niet, ook niet zachtjes, doorrijdt om die persoon te dwingen om opzij te stappen. Appellant heeft onvoorzichtig en onverantwoord rijgedrag getoond en daarmee bewust het risico genomen dat hij R in gevaar zou brengen. Van een goed ambtenaar mag worden verwacht dat hij zijn voertuig stopt voor iedereen die zich op zijn rijroute bevindt. Het dagelijks bestuur heeft zich, naar het oordeel van de rechtbank, derhalve terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van plichtsverzuim. De rechtbank acht de disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de voltallige commissie het dagelijks bestuur van advies heeft gediend. Verder heeft appellant gesteld dat zijn gedragingen niet zijn te beschouwen als het inrijden op een persoon/ voetganger en dat hij geen plichtsverzuim heeft gepleegd. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat, indien wel sprake is van plichtsverzuim, het strafontslag onevenredig is aan de aard en ernst van de verweten gedragingen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het dagelijks bestuur heeft ten behoeve van het bestreden besluit de commissie - een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb - gevraagd advies uit te brengen. Uit het verslag van de hoorzitting van de commissie op 18 mei 2016 blijkt dat de voorzitter heeft medegedeeld dat één lid van de commissie niet aanwezig kan zijn bij de hoorzitting, maar wel mee zal adviseren. Het afwezige commissielid heeft in zijn verklaring van 28 september 2016 expliciet vermeld dat hij betrokken is geweest bij de advisering over het namens appellant ingediende bezwaar tegen het primaire besluit. Het dagelijks bestuur heeft in hoger beroep verwezen naar een nadere, ongedateerde, verklaring van de secretaris van de commissie. In deze verklaring is vermeld dat alle leden van de commissie het volledige dossier ontvangen en dat voorafgaand aan de zitting een vooroverleg plaatsvindt. Indien een commissielid onverhoopt is verhinderd, worden eventueel te stellen vragen aan de voorzitter of de secretaris doorgegeven. Tijdens de hoorzitting maakt de voorzitter aan het begin van de hoorzitting bekend dat één van de leden is verhinderd. Het door de secretaris opgestelde concept-verslag en conceptadvies worden per e-mail aan alle commissieleden gezonden. Ten slotte is vermeld dat, nadat alle leden akkoord zijn gegaan met de concepten, de definitieve versie wordt opgemaakt en voorzien van handtekeningen. Wat appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding tot twijfel aan deze verklaringen. Daarom bestaat geen grond om te oordelen dat het dagelijks bestuur in strijd heeft gehandeld met artikel 7:13 van de Awb.


4.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf

aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.


4.3.

Uit de verslagen van de met appellant op 28 oktober 2015, 2 november 2015 en

12 november 2015 gehouden gesprekken blijkt dat appellant heeft verklaard dat hij zachtjes is doorgereden om de dienstauto te parkeren en uit te laden, dat hij makkelijk had kunnen stoppen, dat hij het gek vindt dat R is blijven staan en dat R ook aan de kant had kunnen gaan. Ter zitting van de Raad heeft appellant te kennen gegeven dat hij niet is gestopt en dat hij op die manier R aan de kant heeft willen dirigeren. Dit gebeurt volgens appellant vaker bij burgers die het nodig vinden om brandweerlieden de weg te versperren. R is blijkens zijn verklaringen geschrokken van de gedragingen van appellant en heeft zich genoodzaakt gezien om opzij te springen om een aanrijding te voorkomen. Uit de verklaring van R moet worden afgeleid dat appellant bewust, met welke snelheid dan ook, is doorgereden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant onvoorzichtig en onverantwoord rijgedrag heeft vertoond door bewust niet te stoppen met zijn voertuig voor een persoon die zich op zijn rijroute bevond. Appellant heeft daarmee bewust het risico genomen dat hij die persoon in gevaar zou brengen. Het doet in dit verband niet ter zake of R al dan niet herkenbaar was als een persoon die bij de bouw betrokken was en of bij de bouwplaats al dan niet (verbods)borden waren aangebracht. Niet kan worden gezegd dat hier sprake was van een situatie vergelijkbaar met die van een burger die een noodhulpverlener belemmert in diens noodhulptaken, omdat appellant slechts ter plaatse was om spullen uit te laden. Appellant heeft aldus gedaan wat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten, zodat van plichtsverzuim sprake is. Dit plichtsverzuim kan appellant worden toegerekend. Het dagelijks bestuur was dan ook bevoegd appellant daarvoor een disciplinaire maatregel op te leggen.


4.4.

De opgelegde maatregel is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Bij dit oordeel weegt mee dat appellant als een gewaarschuwd man gold. Het dagelijks bestuur heeft appellant bij besluit van 14 juli 2014 in verband met eerder als plichtsverzuim aangemerkt rijgedrag erop gewezen dat hem een allerlaatste kans wordt gegund en dat soortgelijk gedrag of enige andere ernstige misdraging niet nogmaals zal worden geaccepteerd. Het thans aan de orde zijnde plichtsverzuim betreft wederom het rijgedrag van appellant. Van een medewerker van de brandweer mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van dergelijk, gevaarzettend gedrag. De langdurige, goede staat van dienst van appellant leidt niet tot een ander oordeel.


5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en H. Lagas en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) A.M. Pasmans




HD