Centrale Raad van Beroep, 07-03-2018 / 16/8080 ZW


ECLI:NL:CRVB:2018:716

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering: niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Verslavingsproblematiek: Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt was er rondom de datum in geding geen sprake van een actief ontstekingsproces. Vaststaat ook dat op de datum in geding geen sprake was van een opname. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder op inzichtelijke wijze verwoord dat bij appellant sprake was van emotionele belasting als gevolg van de ziekte en het te verwachten overlijden van zijn vader, maar dat het daarbij niet ging om een pathologisch proces met duidelijke beperkingen als gevolg daarvan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2018-03-07
Publicatiedatum
2018-03-14
Zaaknummer
16/8080 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • SZR-Updates.nl 2018-0034
Uitspraak

168080 ZW


Datum uitspraak: 7 maart 2018


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

8 december 2016, 16/5460 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)



PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. M.A. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. J.C. van Beek.



OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is werkzaam geweest als keukenmedewerker voor 27 uur per week. Zijn dienstverband is op 31 december 2014 geëindigd. Appellant heeft zich op 7 oktober 2015 ziek gemeld met een alvleesklierontsteking, buikpijn en psychische klachten. Daarnaast was sprake van een verslaving aan alcohol. Op het moment van zijn ziekmelding ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.


1.2.

Op 11 december 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant per 11 februari 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van keukenmedewerker. Op 11 februari 2016 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met het Uwv met de mededeling nog steeds ziek te zijn. Op 17 februari 2016 is appellant opnieuw op het spreekuur door de arts gezien. De arts heeft appellant per 24 februari 2016 geschikt geacht voor de functie van keukenmedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van

19 februari 2016 vastgesteld dat appellant per 24 februari 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 mei 2016 ten grondslag.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is. Het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest en alle beschikbare informatie is bij de beoordeling betrokken. Appellant heeft in beroep geen medische stukken ingediend waaruit kan worden afgeleid dat hij op de datum in geding meer beperkt dient te worden geacht.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank de medische stukken die in beroep zijn ingebracht ten onrechte in het geheel niet heeft besproken. Ook is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat appellant zich al voor het intreden van zijn werkloosheid had ziek gemeld bij zijn werkgever en in de laatste periode van het dienstverband niet meer in staat was te werken. Uit de brief van [naam zorgbedrijf] aan de huisarts van 11 oktober 2016 blijkt dat appellant vanaf november 2015 onder behandeling is gekomen na een aanmelding via de crisisdienst, waarbij is getracht appellant door middel van ambulante behandeling te laten detoxen van alcohol, maar dat dit niet is gelukt. Na een aanmelding op 22 februari 2016 is appellant in april 2016 opgenomen voor een detox alcohol. Appellant lijdt aan chronische pancreatitis. Appellant heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de Raad van


8 december 2010, (ECLI:NL:CRVB:2010:BO7208), waarin in een vergelijkbaar geval een

WGA-uitkering is verstrekt.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.


4.2.

In dit geding staat centraal de vraag of het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellant op 24 februari 2016 geen recht had op ziekengeld omdat hij op die datum in staat was zijn eigen werk als keukenmedewerker te verrichten. Met de rechtbank wordt deze vraag bevestigend beantwoord. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

19 mei 2016 op goed te volgen wijze uiteengezet dat bij appellant sprake is van een al lang bestaande verslavingsproblematiek. Verslavingsproblematiek leidt in ieder geval tot ziekte of gebrek in de zin van de ZW als sprake is van een feitelijke opname als gevolg van een verslaving of bij (medische) complicaties als gevolg van een verslaving. De terugkerende alvleesklierontstekingen zijn in die zin een gevolg van de verslaving en kunnen tot ongeschiktheid tot werken leiden. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt was er rondom de datum in geding geen sprake van een actief ontstekingsproces. Vaststaat ook dat op de datum in geding geen sprake was van een opname. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder op inzichtelijke wijze verwoord dat bij appellant sprake was van emotionele belasting als gevolg van de ziekte en het te verwachten overlijden van zijn vader, maar dat het daarbij niet ging om een pathologisch proces met duidelijke beperkingen als gevolg daarvan.


4.3.

De door appellant in beroep ingezonden medische stukken hebben, voor zover niet al bekend, inzichtelijk gemaakt dat appellant van 28 april 2016 tot 9 mei 2016 opgenomen is geweest bij [naam zorgbedrijf] voor detoxificatie van alcohol en instellen op anti-trek medicatie. Deze periode ligt na de datum in geding en het enkele feit dat de indicatie voor deze opname al aanwezig was voor de datum in geding maakt niet dat op die datum sprake was van ongeschiktheid tot werken als gevolg van ziekte of gebrek, gelet op de inhoudelijke juiste uiteenzetting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.4.

De verwijzing naar de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Raad kan appellant niet helpen, omdat de situatie in die uitspraak niet vergelijkbaar is met de situatie waarin appellant verkeerde.


5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) I.G.A.H. Toma





RB