Gerechtshof Den Haag, 17-02-2016 / 200.169.815/01 & 200.179.600/01


ECLI:NL:GHDHA:2016:341

Inhoudsindicatie
Echtscheiding. Afwikkeling huwelijksvoorwaarden. Haviltex. Aandelen in en rekening courantschuld aan de onderneming van partijen. Partneralimentatie: inkomen DGA.
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2016-02-17
Publicatiedatum
2016-03-08
Zaaknummer
200.169.815/01 & 200.179.600/01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2016-0069
Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht



Uitspraak : 17 februari 2016

Zaaknummer : 200.169.815/01 & 200.179.600/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1261 en FA RK 14-8593

Zaaknummer rechtbank : C/10/444798 en C/10/461753



[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam,


tegen


[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.M. van den Bergh te Dordrecht.



PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP


De man is op 13 mei 2015 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 februari 2015 van de rechtbank Rotterdam. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.169.815/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.169.815/02. Bij beschikking van 24 juni 2015 van dit hof is het verzoek tot schorsing afgewezen.


De vrouw heeft op 30 juni 2015 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.


De man heeft op 10 september 2015 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.


Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:


van de zijde van de man:

- op 3 juli 2015 een brief van 2 juli 2015 met als bijlage een V-formulier van 2 juli 2015 met bijlagen;


van de zijde van de vrouw:

  • - op 21 oktober 2015 een brief van 20 oktober 2015 met als bijlage een V-formulier van 20 oktober 2015;
  • - op 28 oktober 2015 een V-formulier van 26 oktober 2015 met bijlage;
  • - op 28 oktober 2015 een V-formulier van 27 oktober 2015 met bijlage;

van de zijde van de rechtbank:

- op 7 juli 2015 een brief van 6 juli 2015 met bijlage.


De zaak is op 6 november 2015 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • - de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.


PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN


Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.


Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en:

  • - is bepaald dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres echtelijke woning] , die aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, welke op nihil is gesteld;
  • - is ten laste van de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 1.035,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
  • - zijn partijen bevolen over te gaan tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden op de wijze zoals weergegeven in 2.7.7. tot en met 2.7.24. van de bestreden beschikking.

De beschikking is, behalve ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd zodat ieder van partijen de eigen kosten draagt.


Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat partijen op [datum] 1990 ten overstaan van notaris mr. A. Berger, huwelijksvoorwaarden hebben opgemaakt.



BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP


1. In geschil zijn:

  • - de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man;
  • - de omvang van de vergoeding voor het voortgezette gebruik van de woning aan de [adres echtelijke woning] (verder: de echtelijke woning) door de vrouw;
  • - de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

2. De man verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de man daartegen grieven heeft gericht en opnieuw rechtdoende:

( i) ten aanzien van het aan de vrouw toegewezen voortgezette gebruik van de woning ex artikel 1:165 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor die periode en de periode na het verstreken zijn van de aldaar genoemde termijn van zes maanden, te bepalen:

  • - dat de vrouw gehouden is aan de man te voldoen een gebruiksvergoeding ad € 833,- per maand (indien uitgegaan wordt van de waarde van de woning op basis van de ruimte voor ruimte regeling) dan wel € 583,- per maand (indien uitgegaan wordt van de waarde bij de huidige agrarische bestemming);
  • - dat deze vergoeding (primair) maandelijks vooraf voldaan dient te worden, dan wel (subsidiair: in het geval dat de vrouw aantoont op dat moment onvoldoende draagkracht c.q. liquiditeit te bezitten) dat de man ten belope van de totale omvang van de gebruiksvergoeding jegens de vrouw het recht heeft zijn vordering op haar te verrekenen met de aanspraak van de vrouw uit hoofde van de (overige) vermogensrechtelijke afwikkeling;
  • - dat de door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding geen factor is die haar huwelijkse behoefte verhoogt, alsmede dat de door de man te ontvangen gebruiksvergoeding geen factor is die zijn draagkracht verhoogt;
  • - ii) ten aanzien van de sieraden van de vrouw te bepalen dat deze tegen de door de man geschatte waarde ad € 75.000,- in de verrekening betrokken worden, alsmede dat de vrouw uit dien hoofde aan de man verschuldigd is een bedrag van € 37.500,-
  • - iii) ten aanzien van de echtelijke woning de verdeling te gelasten en daarbij te bepalen:
  • - dat de voormalige echtelijke woning aan de man toe gescheiden wordt;
  • - primair: dat de man voor het eigendomsdeel van de vrouw (50%) een bedrag voldoet op basis van de agrarische waarde ad € 350.000,-, te verminderen met de hypotheekschuld en de kosten van het taxatierapport;
  • - subsidiair: dat de man voor het eigendomsdeel van de vrouw (50%) een bedrag voldoet op basis van de vrije waarde ad € 550.000,- te verminderen met de hypotheekschuld en de kosten van het taxatierapport en de netto in de BV te maken kosten ad € 240.000,-, alsmede opdracht te geven aan een deskundige wat het effect is op de waarde van de te verrekenen aandelen en daarmee rekening te houden bij het bepalen van de met de verrekening samenhangende aanspraken;

( iv) ten aanzien van de aandelen [onderneming] :

  • - voor de waardering uit te gaan van de peildatum van (primair) 31 december 2013, dan wel (subsidiair) die van de datum einde huwelijk;
  • - een deskundige te benoemen voor de waardering, alsmede partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de naam van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen;
  • - op basis van het door deze deskundige af te geven advies de te verrekenen waarde van de aandelen vast te stellen;
  • - v) ten aanzien van de r/c schuld aan genoemde de BV te bepalen dat elk van partijen de helft van die schuld dient te voldoen (te dragen), alsmede dat voor de hoogte van die schuld aansluiting gezocht wordt bij de stand daarvan op 31 december 2014;
  • - vi) ten aanzien van de overlijdensrisicoverzekering ASR:
  • - primair: de waarde van de polis te betrekken bij de afwikkeling ex artikel 12 HVW, in de zin dat de polis op zo kort mogelijke termijn afgekocht dient te worden en elk van partijen gerechtigd is tot de helft van de afkoopwaarde;
  • - subsidiair: te bepalen dat de polis voorgezet wordt door de vrouw, zij het onder de voorwaarde dat de kinderen van partijen als begunstigden opgenomen worden met de bepaling dat deze begunstiging nadien niet gewijzigd kan worden anders dan met instemming van de man;

( vii) ten aanzien van de bankrekening van partijen:

  • - primair: de saldi te verrekenen tegen de hoogte daarvan per de peildatum van 10 maart 2012 (feitelijk verbreken samenleven) en partijen te verplichten binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking de stukken over te leggen waaruit de hoogte van de saldi blijkt van alle op hun naam aangehouden bankrekeningen;
  • - subsidiair: de saldi te verrekenen tegen de hoogte daarvan per de door de rechtbank bepaalde peildatum van 17 december 2014;
  • - meer subsidiair: de saldi te verrekenen tegen de hoogte daarvan per de peildatum ex artikel 13 HVW (datum einde huwelijk);

alsmede ( ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair verzochte):

- te bepalen dat de vrouw gehouden is alle bankafschriften van alle op haar naam staande bankrekeningen vanaf 1 januari 2012 tot de door het hof bepaalde peildatum over te leggen;

- te bepalen of de vrouw opzettelijk tot het te verrekenen vermogen verzwegen heeft en – zo ja – de hoogte daarvan vast te stellen en daaraan ten gunste van de man jegens de vrouw de daaraan verbonden sanctie ex artikel 1:135 lid 3 BW te verbinden;

- met betrekking tot de op naam van de vrouw bij ING aangehouden bankrekening [bankrekeningnummer A] te bepalen dat de vrouw de bankafschriften overlegt waaruit het saldo vlak voor en ten tijde van de opheffing blijkt, alsmede (indien er op dat moment sprake was van een positief saldo) de afschriften van de bankrekening waar dat saldo naartoe is overgemaakt en die waarop het verloop daarvan tot de peildatum blijken, alsmede (indien er sprake is van een bankrekening die de vrouw in haar overzicht van 30 januari 2015 niet vermeld heeft), te bepalen dat de vrouw ten aanzien van het op die bankrekening aanwezige saldo jegens de man de daaraan verbonden sanctie ex artikel 1:135 lid 3 BW verbeurt;

  • - viii) ten aanzien van de vaststelling en waardebepaling van de te verrekenen vermogens te bepalen dat deze notarieel moet geschieden, alsmede dat elk van de partijen de kosten daarvan bij helfte dient te dragen, alsmede dat deze formaliteit onverlet laat dat de waardering als zodanig (i.c. van de aandelen van de BV en van de woning) door daartoe aangewezen deskundigen kan geschieden;
  • - ix) ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden:
  • - vast te stellen welk bedrag de vrouw aan de man moet betalen;
  • - te bepalen dat de vrouw dit bedrag dient te voldoen binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking, alsmede dat de vrouw verplicht is daarover vanaf dat moment tot de dag van algehele voldoening aan de man de wettelijke rente te vergoeden.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in principaal hoger beroep

a. de grieven en verzoeken van de man af te wijzen;

in incidenteel hoger beroep

met aanvulling en/of wijziging van de verzoeken van de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover zij daartegen grieven heeft gericht, en opnieuw rechtdoende:

te bepalen

  • - dat partijen als aandeelhouders van de B.V. het daartoe zullen leiden dat de kassen met ondergrond die toebehoren aan die B.V. door partijen in privé voor gelijke delen in eigendom zullen worden verkregen tegen schuldigerkenning van een koopsom gelijk aan de boekwaarde, zulks binnen een maand na de door het hof te wijzen beschikking;
  • - dat partijen de bouwrechten die zij zullen ontvangen door toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling zo spoedig als mogelijk doch uiterlijk 1 maand na ontvangst of toekenning, te koop zullen aanbieden via een lokaal bekende makelaar;
  • - dat partijen voor gelijke delen gerechtigd zijn tot de verkoopopbrengsten van de bouwrechten uit de Ruimte voor Ruimte-regeling, zulks na aftrek van de kosten die met de verkoop gepaard gaan;
  • - dat de woning op kosten van de man bindend moet worden getaxeerd door een door het hof aan te wijzen makelaar of taxateur, welke makelaar of taxateur dezelfde opdracht krijgt als de rechtbank in eerste aanleg heeft bepaald, althans een opdracht die het hof in goede justitie vermeent te behoren, en welke taxatie moet plaatshebben binnen een maand na de door het hof te wijzen beschikking;
  • - dat de woning binnen 6 maanden na de door het hof te wijzen beschikking wordt toegescheiden aan de man tegen voldoening van de helft van de getaxeerde waarde verminderd met de helft van de op de woning rustende hypothecaire geldleningen, welke toe scheiding slechts kan geschieden onder de opschortende voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van deze geldleningen;

te bepalen dat de aandelen van [onderneming] de waarde hebben zoals vastgesteld in het rapport van [rapporteur] , zijnde € 1.180.000,- althans – zo het hof van oordeel zou zijn dat de waarde van de aandelen op een ander bedrag dient te worden vastgesteld – een deskundige te benoemen die de waarde van de aandelen tussen partijen bindend vaststelt, zulks per de datum 31 december 2012;

te bepalen dat de man overzichten dient te overleggen van het volledige saldoverloop van de bankrekening van de man bij de Banque Cantonale de Genéve met nummers [bankrekeningnummer B] en [bankrekeningnummer C] in de periode maart 2012 tot en met 17 december 2014 en voorts – indien daaruit zou blijken dat de man opzettelijk vermogen verzwegen heeft dat tot het te verrekenen vermogen behoort – te bepalen dat de man dat verzwegen vermogen volledig aan de vrouw dient te vergoeden;

met inachtneming van haar eigen bruto verdiencapaciteit en haar aandeel in de kosten van de jongmeerderjarige zoon, de aanvullende behoefte aan een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op € 4.144,- per maand;

de bijdrage in het levensonderhoud die de man aan de vrouw dient te voldoen vast te stellen op € 2.265,- bruto per maand en te bepalen dat de man dit bedrag maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te voldoen;

in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep indien het hof het verzoek van de man onder grief IX zou toewijzen:

te bepalen dat de man het door het hof vast te stellen bedrag dat hij in verband met de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden aan de vrouw moet betalen dient te voldoen binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking, en voorts te bepalen dat de man verplicht is daarover de wettelijke consumentenrente te betalen vanaf het moment dat hij in verzuim is tot aan de dag van algehele voldoening;

kosten rechtens.


4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep af te wijzen, dan wel de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren.


Gebruiksvergoeding echtelijke woning

5. De man wijzigt zijn verzoek ten aanzien van de gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning en voert daartoe aan dat de Hoge Raad heeft bepaald dat, zolang een huwelijkse gemeenschap niet is verdeeld, beide echtgenoten in beginsel voor gelijke delen tot het genot en het gebruik van een tot de gemeenschap behorende woning gerechtigd zijn. De doctrine merkt een gebruiksvergoeding aan als vorm van schadevergoeding voor het gederfde genot en gebruik dat de man lijdt ten aanzien van zijn eigendomsaanspraak en werkt derhalve niet draagkrachtverhogend.

De omvang van de gebruiksvergoeding dient forfaitair vastgesteld te worden op 4 % van de vrije verkoopwaarde. Primair stelt de man dat uitgegaan dient te worden van de waarde op basis van de huidige agrarische bestemming, zodat de vergoedingsplicht 50 % x (4 % x € 350.000,-) = € 7.000,- per jaar bedraagt. Indien uitgegaan wordt van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling, zoals de vrouw doet, bedraagt forfaitaire gebruiksvergoeding 50 % x (4 % x € 500.000,-) = € 10.000,- per jaar.

De man stelt dat het principieel onjuist is om bij het bepalen van de omvang van de gebruiksvergoeding uit te gaan van de overwaarde van een woning, of om uit te gaan van de te betalen hypotheeklasten. De grondslag van de gebruiksvergoeding is immers de aanspraak die de eigenaar heeft op het gebruik van de woning, maar die hem wordt ontzegd.

Mocht de vrouw kunnen aantonen dat zij op het moment dat de verplichting tot betaling van de gebruiksvergoeding ontstaat over onvoldoende draagkracht of liquide middelen beschikt, dan ontslaat dit haar niet van haar verplichting tot het voldoen van die vergoeding, doch dient de vrouw deze vergoeding aan de man te voldoen uit haar aandeel in de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.


6. De vrouw stelt dat de man zichzelf tegenspreekt, nu hij in eerste aanleg heeft betoogd dat bij de berekening van de behoefte van de vrouw geen woonlasten in aanmerking mogen worden genomen, omdat de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft en de man alle met de echtelijke woning verbonden lasten betaalt. Dit verhoudt zich niet met een verzoek tot een gebruiksvergoeding. Bovendien zijn de stellingen van de man in strijd met de parlementaire geschiedenis van artikel 1:165 BW, waarin klip en klaar wordt gesteld dat bij de bepaling van de alimentatie rekening gehouden zal worden met rechten en verplichtingen die uit toepassing van artikel 1:165 BW voortvloeien. Primair stelt de vrouw dan ook dat toekenning van een gebruiksvergoeding zal leiden tot een gelijke verhoging van de netto behoefte en de netto draagkracht, die tegen elkaar wegvallen, zodat het verzoek afgewezen dient te worden. Subsidiair stelt de vrouw dat een gebruiksvergoeding in het onderhavige geval niet redelijk is, zoals artikel 1:165, eerste lid, BW voorschrijft. Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw is immers door de rechtbank geen rekening gehouden met woonlasten, zodat het redelijk zou zijn indien de man geen vergoeding ontvangt. Dit geldt temeer daar de door de man te betalen partneralimentatie reeds nu schamel afsteekt bij de behoefte van de vrouw. Voorts stelt de vrouw dat de door de man voorgestelde wijze van berekening van de hoogte van de gebruiksvergoeding niet redelijk is. Een gebruiksvergoeding heeft niet het karakter van een schadevergoeding voor het niet kunnen realiseren van allerhande exploitatiemogelijkheden, maar het betreft een normale vergoeding die in het licht van alle omstandigheden van het geval – de consequenties voor eventuele partneralimentatie daaronder begrepen – redelijk moet zijn. De vrouw concludeert dat de rechtbank op goede gronden geen gebruiksvergoeding heeft opgelegd.

De vrouw verzet zich tegen eventuele verrekening van enige gebruiksvergoeding bij de vermogensrechtelijke afwikkeling en stelt dat een gebruiksvergoeding blijkens de parlementaire geschiedenis een kwestie is die in redelijkheid wordt vastgesteld in relatie tot behoefte en draagkracht, en geen instrument is om de ander te laten interen op het vermogen door afrekening in het kader van verdeling en verrekening.


7. Het hof overweegt als volgt. Uit het kadastraal bericht – gevoegd bij het taxatierapport van 21 april 2015 van [makelaar] – is de echtelijke woning, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] , eigendom van de vader van de man. Partijen hebben desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat het economisch eigendom van de echtelijke woning op (één van) hen is overgedragen, maar zij hebben dat niet aangetoond. Nu uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader van de man – die geen partij is in onderhavige procedure – eigenaar is van de echtelijke woning, kan het hof geen gebruikersvergoeding vaststellen ten laste van de vrouw en ten gunste van de man. Het hof zal het verzoek van de man derhalve in zoverre afwijzen.


Afwikkeling huwelijksvoorwaarden

8. Het hof stelt vast dat partijen zijn gehuwd onder het maken van huwelijksvoorwaarden, waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten en partijen een verrekenbeding zijn overeengekomen. In de huwelijksvoorwaarden van partijen is onder meer het volgende opgenomen:


Artikel 1

Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen, welke ook, bestaan.

[...]

Artikel 5

Hetgeen van de totale inkomsten van beide echtgenoten na aftrek van de uitgaven, bedoeld in artikel 3, in enig kalenderjaar resteert, zal aan ieder van de echtgenoten voor de helft toekomen en ter vrije beschikking staan.

Artikel 12

Bij beëindiging van het huwelijk door welke oorzaak ook, almede bij scheiding van tafel en bed, heeft diegene der echtgenoten wiens vermogen een lagere waarde heeft dan dat van de andere echtgenoot het recht te vorderen dat die echtgenoot hem of haar een zodanig geldbedrag betaalt dat de waarde van de vermogens gelijk wordt.

[...]

Artikel 13

De vaststelling en de waardebepaling van de vermogens, casu quo vermogensbestanddelen, geschiedt in onderling overleg, danwel bij gebreke van overeenstemming op de wijze als is voorgeschreven voor een boedelscheiding waarbij minderjarigen zijn betrokken.

De echtgenoten zijn verplicht elkaar inzage te geven in hun vermogensbescheiden.”


9. Als onweersproken staat vast dat partijen tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan de periodieke verrekening.


10. Op grond van artikel 12 van de huwelijksvoorwaarden dienen partijen bij het beëindigen van het huwelijk een vermogensbeschrijving te maken. De echtgenoot wiens vermogen een lagere waarde heeft dan de ander heeft een vordering op die echtgenoot. Nu beide echtgenoten op grond van artikel 12 aanvoeren een vordering op de andere echtgenoot te hebben, ligt het op de weg van beide echtgenoten om aan te geven wat de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen is en hoeveel zijn/haar verrekenvordering bedraagt. Daartoe dient een vermogensbeschrijving waarop de artikelen 671 tot en met 676 en 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing zijn (artikel 1:143, tweede lid, BW). Beide partijen hebben nagelaten een dergelijke vermogensbeschrijving over te leggen. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek van beide partijen ter zake de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden in hoger beroep te worden afgewezen. De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd. Zoals ook ter terechtzitting medegedeeld, dienen partijen vervolgens beiden op grond van hun huwelijksvoorwaarden over te gaan tot opstelling van een vermogensbeschrijving, met inachtneming van het navolgende.


Sieraden van de vrouw

11. De rechtsvraag die voor ligt is of de sieraden van de vrouw tot het te verrekenen vermogen behoren.


12. Het hof begrijpt uit de stelling van de man dat de sieraden die in zijn visie een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen tot het te verrekenen vermogen behoren.


13. Het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw dat zij met de man is overeengekomen dat de waarde van de sieraden niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Het hof verwijst in dezen naar punt 16 van het verweerschrift van de vrouw. Deze stelling van de vrouw heeft de man betwist. Nu de vrouw geen specifiek bewijsaanbod heeft gedaan dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de waarde niet zou worden verrekend gaat het hof uit van hetgeen partijen bij huwelijksvoorwaarden met elkaar zijn overeengekomen.


14. Het hof overweegt als volgt. In artikel 8, tweede lid, van de huwelijksvoorwaarden is het volgende opgenomen: “Ieder der echtgenoten is eigenaar van de kleding en de te dragen sieraden, welke bij hem of haar in gebruik zijn of tot zodanig gebruik zijn bestemd, almede van die rechten aan toonder of niet-registergoederen, welke dienen of bestemd zijn voor de uitoefening van het door de betreffende echtgenoot uitgeoefende beroep of bedrijf, zonder enige verrekening of enig onderzoek wanneer, door wie of op welke wijze zij zijn verkregen.


15. De uitleg van de huwelijksvoorwaarden dient te geschieden aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Deze maatstaf brengt mee dat ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. Hoge Raad 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx) en Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303).


16. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden enkel zou zien op eenvoudige sieraden van geringe waarde die de vrouw gewoon was in het dagelijks leven te dragen. Aan de zinsnede “te dragen sieraden” in artikel 8 van de huwelijksvoorwaarden kan redelijkerwijs geen andere betekenis worden toegekend dan sieraden die gedragen kunnen worden. Redelijkerwijs valt niet in te zien waarom de zinsnede enkel zou zien op sieraden die de vrouw dagelijks draagt. Dit heeft tot gevolg dat de sieraden van de vrouw niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Taxatie van de sieraden kan derhalve achterwege blijven.


De echtelijke woning

17. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de voormalige echtelijke woning. Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 7 overwogen, berust het juridisch eigendom van de echtelijke woning bij de vader van de man. Het hof heeft niet kunnen vaststellen bij wie het economisch eigendom van de echtelijke woning berust en partijen hebben desgevraagd daarover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Het hof zal derhalve de vorderingen van partijen ten aanzien van de echtelijke woning afwijzen.


Aandelen in de BV

18. Uit de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat beide partijen ieder voor 50 % aandeelhouder is in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [onderneming] Vijftig procent van de aandelen behoort dus tot het vermogen van de man, vijftig procent van de aandelen behoort tot het vermogen van de vrouw. In het kader van artikel 12 van de huwelijksvoorwaarden dient de waarde van de aandelen in de vermogensbeschrijving van beide echtgenoten te worden meegenomen.

Het is niet aan het hof in het kader van een familierechtelijke procedure de overdracht van de aandelen van de vrouw aan de man te bewerkstelligen, nu in artikel 8 en 9 van de statuten van de B.V. een uit boek 2 BW voortvloeiende regeling voor vervreemding van aandelen is opgenomen.


Rekening courant schuld aan de BV

19. De man stelt dat partijen ieder voor de helft gehouden zijn de rekening courant schuld te dragen. Tussen partijen staat vast dat de rekening courant schuld is ontstaan door tijdens het huwelijk verrichte geldopnames ter financiering van de gezamenlijke huishouding. De man stelt dat voor vaststelling van de hoogte van de schuld als peildatum 31 december 2014 dient te gelden, nu beide partijen in 2014 nog geprofiteerd hebben van het geld op de en/of rekening die partijen in privé aanhielden, welke privérekening werd gevoed vanuit de rekening courant bij de BV.


20. De vrouw stelt dat partijen ter zitting overeenstemming hebben bereikt over de datum voor verrekening van de rekening courant schuld, te weten 31 december 2013, en dat dit correct in de bestreden beschikking is opgenomen. Subsidiair verzoekt de vrouw als peildatum de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 13 februari 2014, te hanteren.


21. Het hof overweegt als volgt. De rekening courant schuld aan de B.V. dient door de echtgenoot die de schuld is aangegaan in zijn/haar vermogensopstelling te worden opgenomen. Op grond van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen welke echtgenoot de schuld is aangegaan. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen en de verzoeken van beide partijen ten aanzien van de rekening courant schuld afwijzen.


Polis ASR

22. De man stelt dat de polis bij ASR betrokken dient te worden bij de afwikkeling ex artikel 12 van de huwelijksvoorwaarden, in die zin dat de polis afgekocht dient te worden en elk van partijen gerechtigd is tot de helft van de afkoopwaarde.


23. De vrouw verweert zich daartegen en stelt dat zij geen recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft en dat zij het reeds daarom redelijk en billijk acht dat zij de polis (onder verrekening van de helft van de waarde) krijgt toebedeeld en voor eigen rekening mag voortzetten.


24. Het hof overweegt als volgt. De polis bij ASR behoort toe aan die echtgenoot die de polis heeft afgesloten. Toedeling van de polis is op grond van de huwelijksvoorwaarden niet mogelijk. Die echtgenoot aan wie de polis toebehoort, dient de polis op te nemen in zijn/haar vermogensopstelling.


Saldi bank- en spaarrekeningen, rekening en verantwoording en benadeling

25. De man betwist dat hij heeft ingestemd met 17 december 2014 als peildatum voor de waardering van de bank- en spaarrekeningen, het hof begrijpt dat de man daarmee bedoelt dat het gaat om de omvang van de saldi.


26. Voor zover hij daarmee wel zou hebben ingestemd, was sprake van verschillende wilsgebreken, zodat sprake is van een vernietigbare afspraak. De man stelt dat als peildatum voor het verrekenen van de bank- en spaarrekeningen de datum van het feitelijk uiteengaan, te weten 10 maart 2012, dient te gelden. Vanaf dat moment ontbrak immers wederzijds alle controle op het verloop van het saldo en de aard van de daaruit betaalde uitgaven van de andere partij.


27. Pas na afloop van de zitting in eerste aanleg heeft de vrouw stukken overgelegd waaruit genoegzaam kan worden opgemaakt dat de vrouw de man in de periode tussen 10 maart 2012 en 17 december 2014 willens en wetens benadeeld heeft door onttrekking van € 130.609,- aan het zicht van de man, zodat ook om die reden de man niet gehouden kan worden aan een (door de man betwiste) afspraak ter zitting.


28. Indien het hof de man niet volgt in dit standpunt, stelt de man dat de vrouw – mede op grond van artikel 13 van de huwelijksvoorwaarden – inzicht dient te verschaffen in het verloop van de bank- en spaarrekeningen en dat indien daaruit blijkt dat de vrouw opzettelijk bestanddelen van het tot het te verrekenen vermogen heeft verzwegen, daaraan de sanctie ex artikel 1:135, derde lid, BW dient te worden verbonden.


29. De man betwist dat hij gedurende het huwelijk zwarte inkomsten genereerde en alle door de vrouw dienaangaande geponeerde stellingen. De man heeft eenmalig, in 2012, zwart inkomen verkregen, en wel een bedrag dat opliep tot € 32.000,-. Dit bedrag is gestort op een bankrekening in Zwitserland en aangewend voor de studiekosten van de zoon van partijen in Amerika. De man stelt dat de vrouw bekend was met deze feiten en het feit dat de rekening in Zwitserland op 9 december 2014 is opgeheven. De man heeft bij de opheffing het resterende saldo ter hoogte van € 23,11 contant ontvangen.


30. De vrouw stelt dat ter zitting, ten overstaan van drie rechters en in aanwezigheid van de advocaten van beide partijen, zonder enige vorm van dwang of pressie afspraken zijn gemaakt over de datum waarop de saldi van de bank- en spaarrekeningen in de verdeling zouden worden betrokken.


31. Partijen hebben gehandeld op basis van wederzijds bekende correcte gegevens en uitgangspunten en zij hebben de rechtbank gevraagd een en ander in de beschikking op te nemen. Er was geen sprake van een wilsgebrek aan de zijde van de man, en als dit anders zou zijn, zou dat worden opgeheven door de aanwezigheid van zijn advocaat en was het bestaan van een wilsgebrek voor de vrouw niet kenbaar.


32. De vrouw betwist voorts dat sprake is van bedrog of van dwaling en zij wijst erop dat de man alle uitgaven en saldibewegingen steeds heeft kunnen controleren omdat hij toegang had tot internetbankieren.


33. De afname van het vermogen van partijen is te verklaren door het voortgezette hoge uitgavenpatroon in samenhang met het wegvallen van de zwarte inkomsten die de man gedurende het huwelijk genereerde en het feit dat de man ineens kosten aanmerkte als privé, die voordien als zakelijke kosten werden voldaan door de BV. De vrouw stelt dat zij reeds voldoende inzage heeft gegeven in alle door haar gemaakte kosten en de saldi van de te verdelen bankrekeningen. De vrouw verzoekt het hof derhalve de bestreden beschikking te bekrachtigen ten aanzien van de peildatum voor de waardering van de bank- en spaarrekeningen en de grief van de man af te wijzen.


34. De vrouw stelt in incidenteel hoger beroep dat de man beschikt over een bankrekening in Zwitserland en dat hij heeft verzuimd inzage te geven in het saldoverloop van deze rekening vanaf het moment dat partijen niet meer samenleefden (maart 2012). De vrouw verzoekt het hof derhalve te bepalen dat de man alsnog overzichten dient over te leggen over de periode vanaf maart 2012. Indien daaruit zou blijken dat die rekening een saldo heeft (gehad) dat niet direct of indirect terecht is gekomen op een van de rekeningen die de man blijkens de processtukken in eerste aanleg heeft opgevoerd, verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man ten aanzien van dat saldo de daaraan verbonden sanctie van artikel 1:135, derde lid, BW verbeurt.


35. Subsidiair verzoekt de vrouw als peildatum de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 13 februari 2014, te hanteren, met dien verstande dat tevens bepaald wordt dat een volledige verrekening dient plaats te vinden van de gezamenlijke eigenaarslasten ter zake van de echtelijke woning, de hypotheken en levensverzekeringen, alsmede de kosten van studie van de oudste zoon, die op of na die datum ten laste van de bewuste rekeningen zijn voldaan. Tevens dienen verrekend te worden alle overige kosten indien en voor zover deze verband houden met overeenkomsten aangegaan door de man en/of op zijn naam gefactureerd.


36. Het hof overweegt als volgt.


37. Geschilpunt tussen partijen is of partijen met betrekking tot de omvang van de banksaldi een andere datum zijn overeengekomen dan voortvloeit uit artikel 12 van de huwelijksvoorwaarden. Uit de bestreden beschikking volgt dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat voor de omvang van de banksaldi uitgegaan moet worden van 17 december 2014. De man wenst uit te gaan van een peildatum in 2012, de datum dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan, hetgeen door de vrouw wordt bestreden nu in haar visie partijen overeenstemming hebben bereikt inzake een afwijkende peildatum, namelijk 17 december 2014. Uit de door de griffier van de rechtbank opgemaakte zittingsaantekeningen volgt dat partijen de datum van 17 december 2014 met elkaar zijn overeengekomen. Gezien de stelling van de vrouw alsmede de zittingsaantekeningen is het hof van oordeel dat vaststaat dat partijen ter zake de peildatum voor de banksaldi zijn afgeweken van de huwelijksvoorwaarden, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 20 augustus 2015.


38. Ter zake de rekening en verantwoording is het hof van oordeel dat partijen met betrekking tot het beheer van hun vermogen op basis van de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden niet gehouden zijn tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot het door hen gevoerde beheer over hun eigen vermogen. Relevant is slechts het vermogen dat aanwezig is op de peildatum en met betrekking tot de banksaldi is dat 17 december 2014.


39. De man stelt dat de vrouw hem heeft benadeeld met betrekking tot onttrekkingen in de periode van 10 maart 2012 tot 17 december 2014 voor een bedrag van € 130.609,-. De vrouw heeft deze stelling van de man weersproken en zij heeft aangegeven waarom de bedragen zijn onttrokken.


40. Het hof overweegt als volgt. Het hof kan niet vaststellen of de vrouw gelden van de bankrekening van de man heeft onttrokken. In goederenrechtelijke zin behoren de banksaldi die op naam staan van de man toe aan de man en de banksaldi die op naam staan van de vrouw behoren toe aan de vrouw. Wanneer er sprake is van een gemeenschappelijke bankrekening bestaat het vermoeden dat het saldo gemeenschappelijk is. Indien de vrouw zonder recht of titel gelden heeft onttrokken die behoren tot het vermogen van de man, dan heeft de man in beginsel een vergoedingsrecht jegens de vrouw. Indien de vrouw saldi van haar eigen bankrekening heeft opgenomen, dan was zij hiertoe bestuursbevoegd. Het vorenstaande geldt eveneens voor saldi die op een gemeenschappelijke rekening staan. Of de vrouw zonder recht of titel een bedrag van € 130.609,- heeft onttrokken, kan het hof derhalve niet vaststellen.


Wijze van afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden

41. De man stelt dat uit artikel 13 van de huwelijksvoorwaarden voortvloeit dat – nu partijen geen overeenstemming hebben bereikt ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden – de vaststelling en de waardebepaling van de vermogens c.q. vermogensbestanddelen bij notariële akte dient te geschieden. De man stelt dat deze bepaling onverlet laat dat de waardering van de aandelen in de B.V. en van de woning door daartoe aangewezen deskundigen zal dienen te geschieden. De kosten van zowel de deskundigen als de notaris zullen door partijen bij helfte gedragen dienen te worden.


42. De vrouw stelt dat de man in eerste aanleg heeft verzocht de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden integraal door de rechtbank te laten geschieden, met welk verzoek de vrouw akkoord is gegaan door intrekking van haar verzoek de afrekening en boedelscheiding te bevelen ten overstaan van een door de rechtbank te benoemen notaris en onzijdig persoon. De vrouw stelt dat de grief van de man dient te worden verworpen, nu hij in eerste aanleg de afwikkeling heeft gekregen waar hij om heeft verzocht.


43. Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, dient eerst een boedelbeschrijving te worden opgesteld om überhaupt te kunnen vaststellen of er een te verrekenen vermogen is. In artikel 13 van de huwelijksvoorwaarden zijn partijen het navolgende met elkaar overeengekomen: “De vaststelling en de waardebepaling van de vermogens, casu quo vermogensbestanddelen, geschiedt in onderling overleg, danwel bij gebreke van overeenstemming op de wijze als is voorgeschreven voor een boedelscheiding waarbij minderjarigen zijn betrokken.

De echtgenoten zijn verplicht elkaar inzage te geven in hun vermogensbescheiden.”

Gezien het feit dat tussen partijen geen overeenstemming bestaat omtrent de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden dient zulks thans te geschieden conform artikel 13.


Afwikkeling huwelijksvoorwaarden en wettelijke rente

44. De man verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden een door het hof vast te stellen bedrag aan de man zal dienen te voldoen binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking, alsmede dat de vrouw verplicht is daarover vanaf dat moment tot de dag van algehele voldoening aan de man de wettelijke rente te betalen.


45. De vrouw stelt dat het verzoek van de man prematuur en weinig zinvol is, nu de man eraan voorbij gaat dat de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden meer omvat dan de betalingen door de vrouw waar hij thans om verzoekt en de man ingevolge de verdeling van de eenvoudige gemeenschap per saldo juist een bedrag aan de vrouw dient te betalen. Daarnaast heeft de vrouw een forse vordering op de man ter zake de aandelen. Voorts is de vordering nog niet kenbaar of opeisbaar en is nog niemand in gebreke gesteld. De grief en verzoeken van de man dienen dan ook te worden afgewezen. Mocht het hof desondanks een uitspraak over de wettelijke rente doen, dan verzoekt de vrouw (in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep) de verplichting tot betaling daarvan niet enkel aan haar, maar ook aan de man op te leggen.


46. Het hof overweegt als volgt. Het hof beschikt niet over vermogensopstellingen van partijen, zodat het hof niet kan vaststellen of het vermogen van één der echtgenoten een lagere waarde heeft dan dat van de andere echtgenoot, op grond waarvan de ene echtgenoot conform artikel 12 van de huwelijksvoorwaarden het recht zou hebben te vorderen dat die echtgenoot hem of haar een zodanig geldbedrag betaalt dat de waarde van de vermogens gelijk wordt. Het hof zal het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, derhalve afwijzen.


Partneralimentatie

Behoefte vrouw

47. De vrouw stelt dat haar behoefte na vertrek uit de echtelijke woning verhoogd dient te worden met € 1.000,- bruto per maand, in verband met de huur die zij alsdan verschuldigd zal zijn. Voorts stelt de vrouw dat haar verdiencapaciteit verminderd had moeten worden met € 90,- in verband met haar aandeel in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon van partijen. De aanvullende behoefte van de vrouw dient becijferd te worden op € 4.404,- min (€ 1.350,- min € 90,-) is € 3.144,- voor de periode tot aan haar vertrek uit de echtelijke woning en op € 3.144,- plus € 1.000,- is € 4.144,- voor de periode daarna.


48. De man stelt dat de vrouw er ten onrechte aan voorbij gaat dat haar toekomstige behoeftigheid kan veranderen, ten opzichte van de uitgangspunten die door de rechtbank zijn gehanteerd. De man voert daartoe aan dat de verdiencapaciteit van de vrouw door de rechtbank is bepaald op een werkweek van 30 uur tegen een minimumloon, terwijl van de vrouw verwacht kan worden dat zij full time gaat werken en daarmee meer dan het minimumloon genereert. De man gaat uit van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.750,- bruto per maand, zodat de toekomstige behoefte € 1.564,- bruto per maand bedraagt. Voorts heeft de rechtbank geen rekening gehouden met rendement uit het vermogen waarop de vrouw mogelijk recht heeft uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden en wellicht niet met de van toepassing zijnde heffingskortingen. Ook die componenten strekken in mindering op de toekomstige behoefte van de vrouw.

De man betwist dat met een huurlast van € 1.000,- rekening gehouden dient te worden en stelt dat moet worden uitgegaan van een lagere woonlast, alsmede dat de wooncomponent uit de bijstandsnorm in mindering gebracht dient te worden.

Tot slot stelt de man dat het door de vrouw meegenomen bedrag van € 90,- een netto last is die tot een lagere Inkomstenbelastingheffing over het salaris van de vrouw zal leiden.


49. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht het – gelet op de huurprijzen in de vrije sector in de Randstad en de welstand van partijen tijdens het huwelijk – redelijk om na vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning rekening te houden met een huurlast van € 1.000,- per maand.


50. Het hof acht het op dit moment nog redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw van ten minste € 1.350,- per maand. Het hof is echter wel van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd dat zij haar verdiencapaciteit doet toenemen door zich actief te oriënteren op de arbeidsmarkt.


51. Bij een eventuele berekening van de draagkracht van de vrouw kan in mindering worden gebracht het bedrag van € 90,- dat zij voldoet in de kosten van levensonderhoud en studie van haar zoon.


52. Nu partijen hebben nagelaten inzicht te geven in hun vermogens, ziet het hof geen aanleiding om reeds nu rekening te houden met rendement uit het vermogen waarop de vrouw mogelijk recht heeft uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.


53. Het hof stelt de behoefte van de vrouw derhalve vast op € 4.404,- min € 1.350,- is € 3.054,-,- voor de periode tot aan haar vertrek uit de echtelijke woning. Voor de periode na haar vertrek uit de echtelijke woning stelt het hof de behoefte van de vrouw vast op € 3.054,- plus € 1.000,- is € 4.054,- .


Draagkracht man

54. De vrouw stelt dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man ten onrechte de opnamen in rekening-courant niet heeft aangemerkt als netto inkomen aan de zijde van de man.


55. De vrouw wijst er in dat kader op dat de B.V. blijkens de conceptjaarstukken ultimo 2013 een vrij uitkeerbare winstreserve heeft van € 328.949,-, waarmee de man de komende jaren dividenduitkeringen kan doen. Het hof begrijpt uit de stelling van de vrouw dat mede bezien de vrije reserves de man a) zich een dividend kan laten uitkeren, of b) de rekening-courant schuld kan laten oplopen.


56. De vrouw concludeert dat het netto besteedbaar inkomen van de man becijferd dient te worden op € 4.307,- (vastgesteld door de rechtbank) + € 773,70 (gemiddelde opnamen in rekening courant) + € 210,- (ten onrechte afgetrokken bijdrage Zorgverzekeringswet) = € 5.290,97. Daarop strekt in mindering het draagkrachtloos inkomen van € 2.909,-, zodat als draagkrachtruimte resteert € 2.382,- per maand, waarvan 60 %, ofwel € 1.429,-, beschikbaar is voor partneralimentatie. Daarop strekt nog in mindering de bijdrage voor de kosten van levensonderhoud van de zoon van partijen van € 342,- per maand, zodat voor partneralimentatie € 1.087,- netto per maand beschikbaar is. De vrouw verzoekt het hof derhalve om het bruto equivalent daarvan, € 2.265,- per maand, als partneralimentatie vast te stellen.


57. De man betwist de juistheid van de standpunten van de vrouw en stelt dat gekeken dient te worden wat er nu en in de toekomst aan reserves in de B.V. aanwezig is, niet naar de reserve van eind 2013. De enkele aanwezigheid van reserves zegt bovendien niets over de vraag in hoeverre deze vrij uitkeerbaar zijn. Om te bepalen of er ruimte is voor dividenduitkeringen is een balanstoets en een uitkeringstest nodig aan de hand van de huidige situatie, rekening houdend met de toekomstige kapitaalbehoefte, resultaten, verplichtingen, investeringen en dergelijke. Om tot definitieve conclusies te komen moet de accountant genoemde toetsen uitvoeren. Nu de vrouw stelt dat de BV in staat is dividenden uit te keren teneinde de draagkracht van de man te verhogen, maar niet aan haar stelplicht voldoet, zal zij genoemde toets en test door de accountant moeten laten uitvoeren en de kosten daarvoor dienen te dragen. De man verzoekt het hof zich daar bij tussenbeschikking over uit te laten.

De man stelt tot slot dat zijn accountant bevestigt dat de man in privé de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet voldoet.


58. Het hof overweegt als volgt. De grief van de vrouw dat de man een hoger inkomen kan verwerven, treft geen doel. De man heeft niet de feitelijke zeggenschap over de vennootschap en hij kan derhalve niet zelfstandig beslissen over dividenduitkeringen, noch over de hoogte van het salaris dat hij als directeur-grootaandeelhouder geniet. De vrouw bezit immers zelf ook 50 % van de aandelen. Beslissingen daarover zijn aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders voorbehouden. Opnames in rekening courant zijn volgens vaste jurisprudentie geen inkomen, zodat het hof daarmee geen rekening zal houden bij de vaststelling van de draagkracht van de man. Voorts staat vast dat de man de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd is, zodat het hof daarmee, evenals de rechtbank, rekening zal houden.


59. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie zal bekrachtigen.


Proceskosten

60. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.


61. Dit leidt tot de volgende beslissing.



BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP


Het hof:


vernietigt de bestreden beschikking voor zover partijen daarbij bevolen zijn over te gaan tot afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden op de wijze zoals weergegeven in het lichaam van de beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:


bepaalt dat partijen over dienen te gaan tot afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden conform het bepaalde in artikelen 12 en 13 van de huwelijksvoorwaarden;


wijst de verzoeken van de man om voorzieningen te treffen ter afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden af;


wijst de verzoeken van de vrouw om voorzieningen te treffen ter afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden af;


bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de ten laste van de man aan de vrouw toegekende uitkering tot levensonderhoud;


verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;


compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.



Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A.E. Sutorius-van Hees en L.N.A. van Veen, bijgestaan door mr. R.S. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2016.