Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-05-2016 / 15/00481


ECLI:NL:GHSHE:2016:1996

Inhoudsindicatie
Art. 67a AWR. BBBB 1998. Art. 3:2 Awb. Art. 7:15 Awb. Art. 8:75 Awb. Art. 5:46, lid 4 Awb. Art. 1, lid 2 Wetboek van Strafrecht. Straftoemeting en strafverminderende omstandigheden. Dictum Belanghebbende wordt uitgenodigd tot het doen van aangifte. Na een aanmaning stuurt belanghebbende alsnog de aangifte in. De aangifte is aldus te laat gedaan, maar voordat de aanslag is opgelegd. De Inspecteur legt een verzuimboete op van € 226. Belanghebbende betoogt dat de Inspecteur de omstandigheid dat belanghebbende, voordat de aanslag was opgelegd, alsnog een aangifte heeft ingestuurd als een strafverminderende omstandigheid in aanmerking had moeten nemen. Belanghebbende meent dat de vermindering van de boete bij uitspraak op bezwaar te wijten is aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid en dat daarom de kosten van bezwaar moeten worden vergoed. Straftoemeting kent volgens het Hof een ruime beoordelingsmarge, zodat de vermindering van de boete bij uitspraak op bezwaar niet te wijten is aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar wordt afgewezen. Omdat de Inspecteur in het dictum in de uitspraak op bezwaar ten onrechte het bezwaar heeft afgewezen en in het dictum de verzuimboete niet heeft verminderd dient uitspraak op bezwaar te worden vernietigd en heeft belanghebbende recht op vergoeding van de kosten van het beroep.
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2016-05-20
Publicatiedatum
2016-08-17
Zaaknummer
15/00481
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • V-N Vandaag 2016/1837
  • V-N 2016/44.14.5
  • FutD 2016-2073
  • NTFR 2016/2339 met annotatie van mr. J. Kastelein
Uitspraak GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer


Kenmerk: 15/00481


Uitspraak op het hoger beroep van


[belanghebbende] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,


tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 6 februari 2015, nummer AWB 14/2065, in het geding tussen


belanghebbende,


en


de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,


betreffende de na te noemen bij beschikking opgelegde verzuimboete.


1Ontstaan en loop van het geding


1.1.

De Inspecteur heeft over het jaar 2011 met dagtekening 6 december 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. Tegelijkertijd, en in één geschrift verenigd met de aanslag, heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226. Bij uitspraak op bezwaar van 18 maart 2014 is het bezwaar afgewezen en is beslist geen tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar te verlenen.


1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.


1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.


1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 8 april 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, de heer [A] , gemachtigde, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] .


1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.


1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.


2Feiten


Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:


2.1.

Belanghebbende is op 28 februari 2012 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over het jaar 2011.


2.2.

Er is uitstel voor het doen van aangifte verleend tot 1 mei 2013.


2.3.

Bij brief van 23 mei 2013 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een herinnering gestuurd voor het doen van aangifte. Hierin is medegedeeld dat de aangifte uiterlijk 6 juni 2013 binnen moet zijn.


2.4.

Bij brief van 19 juli 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende aan aanmaning tot het doen van aangifte gestuurd. Hierin is medegedeeld dat de aangifte uiterlijk 2 augustus 2013 binnen moet zijn.


2.5.

Het aangiftebiljet is op 5 november 2013 ingediend.


2.6.

Met dagtekening 6 december 2013 is een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd overeenkomstig het onder 2.5 vermelde aangiftebiljet. Tegelijkertijd, en in één geschrift verenigd met de aanslag, heeft de Inspecteur bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226.


2.7.

Op 26 november 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking verzuimboete en heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar.


2.8.

Op of rond 21 februari 2014 heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Inspecteur. In dit telefoongesprek is door de Inspecteur toegezegd dat de verzuimboete zou worden gematigd tot € 49, doch is ook besproken dat verschil van inzicht bestond over de vergoeding van de kosten van bezwaar. Bij brief van belanghebbende aan de Inspecteur van 4 maart 2014 heeft belanghebbende gereageerd. Hierin stelt belanghebbende dat de vaststelling van de verzuimboete bij beschikking te wijten is aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid en dat daarom de kosten van bezwaar moeten worden vergoed.


2.9.

Op 13 maart 2014 hebben belanghebbende en de Inspecteur met elkaar gemaild over het houden van een hoorgesprek en de verlenging van de termijn voor het beslissen op bezwaar. Belanghebbende heeft ingestemd met verlenging van deze termijn tot 1 mei 2014.


2.10.

Op 18 maart 2014 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden. In dit gesprek is medegedeeld dat de verzuimboete zou worden verminderd tot € 49.


2.11.

Op 18 maart 2014 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Deze luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:


‘Samenvatting van uw bezwaar


Uw bezwaar is gericht tegen de verzuimboete. En u verzoekt om een onkostenvergoeding. U bent van mening dat deze onrechtmatig is opgelegd. Als argumenten noemde u in het hoorgesprek vandaag;

-Verzuimboetes zijn in het leven geroepen om het arbeidsintensieve proces van de ambtshalve aanslagen te verminderen. Dit is geen arbeidsintensief proces geweest. De aangifte was ingediend en is gevolgd. Er had geen verzuimboete opgelegd mogen worden.

-Ten tijde van het opleggen van de aanslag waren de gegevens bekend, de aangifte was ingediend. Het is geen ambtshalve aanslag. Dus geen verzuimboete.

-Er wordt bij het opleggen van de verzuimboete geen onderscheid gemaakt tussen de niet tijdig ingediende aangifte en de niet ingediende aangifte. Dat zou wel moeten.

-Het opleggen van de verzuimboete is zo goed als automatisch gedaan. De rechter heeft in een zaak in Leeuwarden bepaald dat dit not done is.

-De matiging die ik u telefonisch dag datum 21 februari 2014 voorstelde, had tijdens het opleggen van de verzuimboete kunnen plaatsvinden. Reden voor u om de onkostenvergoeding te vragen; de verzuimboete had niet zo hoog opgelegd hoeven te worden.


Beoordeling van uw bezwaar tegen de verzuimboete


Op 29 februari 2012 is er een uitnodiging tot het doen van aangifte naar [belanghebbende] gestuurd. Door de vorige adviseur is becon uitstel gevraagd. Dat is verleend tot 1 mei 2013. In mei 2013 is geen aangifte ontvangen. Op 23 mei 2013 is een herinnering naar [belanghebbende] gestuurd. Hij kreeg de tijd tot 6 juni 2013. Omdat er nog steeds geen aangifte is ontvangen, werd op 19 juli een aanmaning gestuurd naar [belanghebbende] gestuurd. In deze brief werd de mogelijkheid van een verzuimboete benoemd. Op 2 augustus 2013 was de termijn genoemd in de aanmaning afgelopen. Op 5 november 2013 is de aangifte binnen. Dat is te laat. De verzuimboete wordt opgelegd bij het niet of niet tijdig indienen van de aangifte. Ik ben van mening dat de verzuimboete terecht is opgelegd.


Zoals telefonisch besproken heb ik u een aanbod gedaan de verzuimboete te verminderen tot € 49. U heeft mijn aanbod geaccepteerd en kon u in de vermindering vinden.


Beoordeling van uw verzoek om onkostenvergoeding


De aanslag is handmatig door een collega gedaan. Deze collega heeft beoordeeld of er sprake van een verzuim was en ingevuld dat dit het eerste verzuim was. Ten tijde van het opleggen van de aanslag was de aangifte weliswaar binnen maar niet op tijd. De verzuimboete is terecht opgelegd. De werkwijze om onder voorwaarden de verzuimboete te matigen tot € 49 was ten tijde van aanslagregeling nog niet bekend. Daarom is het opleggen van een verzuimboete van € 226 niet onrechtmatig geschied. Een onkostenvergoeding wordt gegeven als er kosten gemaakt zijn door een adviseur, en als er door de belastingdienst een onrechtmatig besluit genomen is. Daar is hier geen sprake van. Ik wijs uw verzoek om onkostenvergoeding af.


Beslissing op uw bezwaar


Ik wijs uw bezwaar af.


(…).’


2.12.

Pas nadat belanghebbende in januari 2015, hangende het beroep bij de Rechtbank, de Inspecteur erop had gewezen dat de verzuimboete nog niet was verminderd tot € 49, heeft de Inspecteur bij ambtshalve genomen besluit van 20 januari 2015 de verzuimboete alsnog verminderd tot € 49.


Relevante regelgeving


2.13.

Art. 67a, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR; tekst 2013), luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:


‘Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4 920 kan opleggen.’.


2.14.

Art. 5:46, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:


‘4 Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.’


2.15.

Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:


‘Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.’


2.16.

In het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), St.crt. 2011, 23178, zoals dat luidde ten tijde van het opleggen van de verzuimboete, is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:


Ԥ 6. Straftoemeting


1. Bij het opleggen van een boete gaat de inspecteur uit van de percentages of bedragen vermeld in dit besluit. Het opleggen van een boete is een vorm van straftoemeting. (…) Gelet hierop is de inspecteur bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de boete dus niet gebonden aan vaste bedragen of percentages. (…)


2. Bij het in aanmerking nemen van individuele omstandigheden vindt een afweging plaats tussen zowel strafverminderende feiten en omstandigheden als strafverzwarende feiten en omstandigheden. Het resultaat van de afweging zal moeten leiden tot een boete die passend is te achten bij de geconstateerde beboetbare gedraging.


3. Bij de meeste verzuimboeten zal, vanwege de wijze van oplegging, individueel getinte straftoemeting eerst in bezwaar aan de orde kunnen komen.


(…)


5. De stelplicht en bewijslast van strafverzwarende factoren rust op de inspecteur; de stelplicht en bewijslast van strafverminderende factoren op belanghebbende. Indien de inspecteur op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, zal hij bij het opleggen van de boete daarmee rekening houden. De inspecteur hoeft niet ambtshalve te onderzoeken of van strafverminderende factoren sprake is.


(…)


HOOFDSTUK 2 VERZUIMBOETEN


§ 21. Aangifteverzuimboete aanslagbelasting artikel 67a van de AWR


1. Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim.


2. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van € 226.


(…)


4. Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.


5. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.


(…).’


2.17.

In het BBBB 1998, St.crt. 2013, 35876, zoals dat luidde vanaf 1 januari 2014, is, voor zover te dezen van belang, het volgende vermeld:


‘HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN


§ 1. Reikwijdte


(…)


3. Op beboetbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtredingsdatum van dit besluit blijven de (oude) beleidsregels van toepassing, zoals deze luidden ten tijde van het begaan het beboetbare feit. Indien ter zake van deze feiten op het moment van inwerkingtreding van dit besluit nog geen boete is opgelegd of de boetebeschikking nog niet onherroepelijk vaststaat, dan zijn de beleidsregels van dit (nieuwe) besluit van toepassing voor zover deze gunstiger zijn voor belanghebbende.


(…)


§ 6. Straftoemeting


[Hof: zien onder 2.14]


HOOFDSTUK 2 VERZUIMBOETEN


§ 21. Aangifteverzuimboete aanslagbelasting artikel 67a van de AWR


1. Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim.


2. Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van zeven procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR.


(…)


4. Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de inspecteur gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de inspecteur.


5. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.


(…)


8. Indien de inspecteur de verzuimboete oplegt bij afzonderlijke beschikking vóór de aanslag, dan kan het alsnog indienen van de aangifte een omstandigheid zijn die aanleiding geeft de verzuimboete te matigen. Van een dergelijke strafverminderende omstandigheid is sprake, als de belanghebbende alsnog de aangifte doet in de periode die aanvangt met het verstrijken van de termijn in de aanmaning en uiterlijk in voorkomende gevallen eindigt op de dag dat de inspecteur uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking doet. Het voorgaande geldt dus ook als de belanghebbende alsnog de aangifte doet kort na het verstrijken van de termijn in de aanmaning. In dergelijke gevallen zal de inspecteur de verzuimboete ambtshalve verminderen.


In de in dit lid genoemde gevallen wordt de verzuimboete voor de inkomstenbelasting gematigd tot 1 procent van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR (…).


(…)


§ 40. Inwerkingtreding


(…)


2. Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting is paragraaf 21 van dit besluit van toepassing op belastingjaren vanaf 2014.


3. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2014.


(…).’


3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen


3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:


I. Dient aan belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar te worden verleend, omdat de vermindering van de bij beschikking opgelegde boete van € 226 te wijten is aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in art. 7:15, lid 2 van de Awb?

II. Indien vraag I ontkennend moet worden beantwoord: Dient aan belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van het beroep te worden verleend, omdat belanghebbende in verband met een onjuist dictum in de uitspraak op bezwaar in beroep heeft moeten komen om zijn rechten veilig te stellen?


Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.


3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.


3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot handhaving van de boetebeschikking, zoals nader vastgesteld bij ambtshalve besluit van 20 januari 2015, en tot het verlenen van een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar, van het beroep en het hoger beroep. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.


4Gronden


Ten aanzien van het geschil


Ambtshalve en vooraf


Ontvankelijkheid van het bij de Rechtbank ingestelde beroep


4.1.

Omdat de Inspecteur hangende het beroep bij de Rechtbank, nadat belanghebbende in januari 2015 de Inspecteur erop had gewezen dat de verzuimboete niet was verminderd, de verzuimboete alsnog ambtshalve heeft verminderd bij ambtshalve beslissing van 20 januari 2015, ziet het Hof zich gesteld voor de vraag of het belang van belanghebbende bij het de Rechtbank ingestelde beroep is komen te ontvallen (Hoge Raad 8 september 2006, 41568, ECLI:NL:HR:2006:AU4755 en Hoge Raad 15 januari 2016, 15/00460, ECLI:NL:HR:2016:43). Indien deze vraag bevestigend zou moeten worden beantwoord zou de Rechtbank alsdan het bij de Rechtbank ingestelde beroep niet ongegrond, maar niet-ontvankelijk hebben moeten verklaren.


4.2.

Het Hof beantwoordt de onder 4.1 vermelde vraag ontkennend, omdat belanghebbende in beroep bij de Rechtbank nog het belang had dat werd beslist over de bij uitspraak op bezwaar gegeven beslissing dat geen tegemoetkoming werd verleend voor de kosten van bezwaar (vgl. Hoge Raad 23 maart 2012, 11/01321, ECLI:NL:HR:2012:BV0655). Uit art. 7:15, lid 3, tweede volzin van de Awb volgt dat deze beslissing deel uitmaakt van de uitspraak op bezwaar. Daaruit volgt dat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd indien in de uitspraak op bezwaar ten onrechte is beslist dat geen tegemoetkoming wordt verleend voor een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar. (Vgl. onder meer de uitspraken van Hof ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2012, 11/00582, LJN: BX0728; van 24 juni 2011, 10/00803, LJN: BS1093; van 16 september 2010, 08/00045, LJN: BP4013; van 31 augustus 2006, 05/00342, LJN: BH4780 en van 8 juli 2005, 03/02930, LJN: AU0605).


4.3.

Ook de omstandigheid dat belanghebbende in hoger beroep uitdrukkelijk de hoogte van de verzuimboete, zoals nader vastgesteld bij het onder 2.12 vermelde ambtshalve genomen besluit van 20 januari 2015, niet meer betwist brengt niet met zich dat het bij het bij de Rechtbank ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, omdat belanghebbende bij de Rechtbank (blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting) een (lagere) verzuimboete verdedigde van nihil (Hoge Raad 16 november 2012, 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770).


Vraag I


4.4.

Met betrekking tot de in geschil zijnde vraag of aan belanghebbende een tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar te worden verleend, omdat de (beoogde) vermindering van de bij beschikking opgelegde boete van € 226 bij uitspraak op bezwaar te wijten is aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in art. 7:15, lid 2 van de Awb overweegt het Hof als volgt.


4.6.

Op het moment, dat de boetebeschikking werd gegeven, tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag, kon de Inspecteur ingevolge art. 67a van de AWR een verzuimboete van ten hoogste € 4.920 opleggen. Ingevolge de op dat moment geldende tekst van het BBBB 1998, zoals geciteerd onder 2.16, kon de Inspecteur een verzuimboete opleggen van € 226, hetgeen hij ook heeft gedaan.


4.7.

Belanghebbende stelt, samengevat, dat de vermindering van de boete van € 226 tot € 49, zoals die was beoogd bij uitspraak op bezwaar en later gerealiseerd, te wijten is aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in art. 7:15, lid 2 van de Awb.


4.8.

Belanghebbende stelt daartoe, dat de Inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag beschikte over de – weliswaar na de aanmaning en dus te laat – ingezonden aangifte (zie 2.5). Enerzijds verbindt belanghebbende hieraan de gevolgtrekking dat belanghebbende zijn goede wil heeft getoond en heeft meegewerkt aan een correcte vaststelling van de aanslag. Anderzijds verbindt belanghebbende daaraan de gevolgtrekking dat de Inspecteur aldus een bewerkelijke bezwaarfase bespaard is gebleven, nu de Inspecteur de aanslag kon vaststellen overeenkomstig de te laat ingezonden aangifte.


4.9.

Belanghebbende wijst in dit kader op de wijziging per 1 januari 2013 van art. 67a van de AWR, waarbij de regel dat de beschikking verzuimboete gelijktijdig met de aanslag werd opgelegd is verlaten en mogelijk is gemaakt de beschikking verzuimboete eerder op te leggen dan de aanslag om aldus aan belastingplichtigen een prikkel te verschaffen vóór het opleggen van de aanslag alsnog de aangifte in te sturen en de uitvoeringslasten van de rijksbelastingdienst te beperken. Tevens wijst belanghebbende op het in verband daarmede, onder 2.17 vermelde, per 1 januari 2014 gewijzigde, boetebeleid in § 21 van het BBBB 1998. In dit gewijzigde boetebeleid wordt in beginsel een verzuimboete voorgeschreven van € 344,40 (7% van het wettelijk maximum), welk bedrag evenwel wordt verminderd tot (afgerond) € 49 (1% van het wettelijk maximum) als, kort geschreven, de belastingplichtige vóór het opleggen van de aanslag alsnog de aangifte instuurt.


4.10.

Belanghebbende is van oordeel, dat de omstandigheid dat belanghebbende vóór het opleggen van de aanslag alsnog de aangifte heeft ingezonden door de Inspecteur ten tijde van het geven van de boetebeschikking in aanmerking had moeten nemen als een strafverminderende omstandigheid. Nu de Inspecteur dit niet heeft gedaan is, zo stelt belanghebbende, de bij uitspraak op bezwaar beoogde, maar later gerealiseerde, vermindering van de verzuimboete te wijten aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.


4.11.

De Inspecteur betoogt, samengevat, dat hij bij het geven van de boetebeschikking een verzuimboete van € 226 kon opleggen en dat hij bij uitspraak op bezwaar deze had mogen handhaven, omdat de wijzigingen in § 21 van het BBBB 1998 ingevolge § 40, lid 2 van het BBBB 1998 pas van toepassing waren op belastingjaren 2014 en verder. Desondanks is uit praktische overwegingen bij uitspraak op bezwaar beoogd de verzuimboete te verminderen tot € 49. Aldus is de bij uitspraak op bezwaar beoogde, maar later gerealiseerde, vermindering van de verzuimboete niet te wijten aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zo stelt de Inspecteur.


4.12.

Het Hof overweegt allereerst, dat het Hof van oordeel is dat de overweging van de Rechtbank in r.o. 2.14 van de bestreden uitspraak, namelijk dat de vermindering van de verzuimboete in de bezwaarfase een tegemoetkomend karakter had, omdat de wijzigingen in het BBBB 1998 alleen van toepassing zijn op belastingjaren vanaf 2014 (§ 40, lid 2 van het BBBB 1998), onjuist is. Reeds uit § 1, lid 3 van het BBBB 1998 volgt dat bij de uitspraak op bezwaar van 18 maart 2014 § 21, lid 8 van het BBBB 1998, zoals dat toen gold, van toepassing was, omdat dit per 1 januari 2014 in werking getreden lid voor belanghebbende gunstiger was dan de oude tekst van het BBBB 1998. Hierbij wijst het Hof mede op art. 5:46, lid 4 van de Awb en art. 1, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, zoals geciteerd onder 2.14 en 2.15. Hieruit volgt ook, dat het standpunt van de Inspecteur dat hij in de bezwaarfase niet gehouden was de verzuimboete te verminderen tot € 49 onjuist is.


4.13.

Met betrekking tot evenwel de vraag of de Inspecteur bij het geven van de boetebeschikking al dan niet een boete had moeten opleggen van € 226 overweegt het Hof, dat uit Hoge Raad 9 juli 2010, 09/03083, ECLI:NL:HR:2010:BN0631 volgt dat het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb niet meebrengt dat een inspecteur alvorens hij een verzuimboete oplegt gehouden is zich van de relevante feiten en omstandigheden te vergewissen.


4.14.

In de onderhavige zaak was de Inspecteur echter ervan op de hoogte dat belanghebbende – weliswaar na de aanmaning en dus te laat – alsnog de aangifte had ingezonden (zie 2.5). Met deze omstandigheid moest hij dus rekening houden bij het opleggen van de verzuimboete. Anders dan belanghebbende verdedigt is het Hof evenwel van oordeel dat deze omstandigheid de Inspecteur niet noopte tot het opleggen van een verzuimboete lager dan € 226. Straftoemeting kent een ruime beoordelingsmarge van de Inspecteur en, bij (hoger) beroep, van de belastingrechter. Gelet op deze ruime beoordelingsmarge is de bij uitspraak op bezwaar beoogde, maar later gerealiseerde, vermindering van de verzuimboete niet te wijten aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Hierbij overweegt het Hof dat de wijzigingen in het BBBB 1998 per 1 januari 2014 eerst na het geven van de boetebeschikking, namelijk op 16 december 2013, zijn bekend gemaakt.


4.15.

Uit al het vorenoverwogene volgt, dat de vraag I ontkennend moet worden beantwoord.


Vraag II


4.16.

Nu vraag I ontkennend moet worden beantwoord dient vraag II beantwoord te worden.


4.17.

Het Hof stelt voorop, dat uit de onder 2.11 geciteerde overwegingen van de uitspraak op bezwaar blijkt dat de Inspecteur de tegelijkertijd met de aanslag gegeven beschikking verzuimboete van € 226 wilde verminderen tot € 49. Desondanks luidt het dictum in de uitspraak op bezwaar:


‘Ik wijs uw bezwaar af.’.


4.18.

Het Hof is van oordeel, dat de Inspecteur in het dictum niet tot uitdrukking heeft gebracht dat het bezwaar gegrond werd bevonden en dat de bij beschikking opgelegde verzuimboete van € 226 verminderd werd tot € 49. Het dictum van de uitspraak op bezwaar is mitsdien onjuist. Anders dan de Rechtbank in de bestreden uitspraak in r.o. 2.15 heeft beslist is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur de verzuimboete niet reeds bij uitspraak op bezwaar van 18 maart 2014 heeft verminderd tot € 49, maar dat de Inspecteur dat pas heeft gedaan bij het onder 2.12 vermelde ambtshalve genomen besluit van 20 januari 2015, nadat belanghebbende gedurende het bij de Rechtbank aanhangige beroep de Inspecteur erop had gewezen dat de verzuimboete nog niet was verminderd. Uit het onjuiste dictum in de uitspraak op bezwaar volgt, dat belanghebbende – om zijn rechten veilig te stellen – genoodzaakt is geweest beroep bij de Rechtbank in te stellen (vgl. Hoge Raad 26 maart 2010, 09/01089, ECLI:NL:HR:2010:BL8875).


4.19.

Gelet op hetgeen onder 4.17 en 4.18 is overwogen en mede gelet op het overwogene onder 4.1 tot en met 4.3 dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd en dient de boetebeschikking, zoals nader vastgesteld bij ambtshalve besluit van 20 januari 2015, te worden gehandhaafd. Daarom heeft belanghebbende recht op een tegemoetkoming in de kosten van het beroep (art. 8:75 van de Awb)


4.20.

Vraag II moet bevestigend worden beantwoord.


Slotsom


4.21.

Doende wat de Rechtbank had behoren te doen zal het Hof de uitspraak op bezwaar vernietigen, de boetebeschikking, zoals nader vastgesteld op € 49 bij ambtshalve besluit van 20 januari 2015, handhaven en het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar afwijzen.


Ten aanzien van het griffierecht


4.22.

Nu de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd, dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 123 te vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten


4.23.

Nu het door belanghebbende ingestelde (hoger) beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.


Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.


Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep bij Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 992.


5Beslissing


Het Hof:


  • - vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
  • - verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
  • - vernietigt de uitspraak op bezwaar,
  • - handhaaft de boetebeschikking, zoals nader vastgesteld op € 49 bij ambtshalve besluit van 20 januari 2015,
  • - wijst het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar af,
  • - veroordeelt de Inspecteur in een tegemoetkoming van de kosten van het geding bij de Rechtbank en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.984, en
  • - gelast dat door de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 168 wordt vergoed.

Aldus gedaan op 20 mei 2016 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.


Het aanwenden van een rechtsmiddel:


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.