Hoge Raad, 24-06-2005 / C01/189HR


ECLI:NL:HR:2005:AT5466

Inhoudsindicatie
24 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C01/189HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, incidenteel verweerder, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n de erfgenamen van wijlen [betrokkene 1], in leven wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, incidenteel eisers, advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.1. Het geding in feitelijke instanties...
Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2005-06-24
Publicatiedatum
2005-06-24
Zaaknummer
C01/189HR
Procedure
Cassatie
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
Uitspraak

24 juni 2005

Eerste Kamer

Nr. C01/189HR

JMH


Hoge Raad der Nederlanden


Arrest


in de zaak van:


[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, incidenteel verweerder,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,


t e g e n


de erfgenamen van wijlen [betrokkene 1],

in leven wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie, incidenteel eisers,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.


1. Het geding in feitelijke instanties


Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 6 juli 1994 wijlen [betrokkene 1] - verder te noemen: [betrokkene 1] - gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en gevorderd:

i. [betrokkene 1] te veroordelen tot betaling van ƒ 471.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;

ii. [betrokkene 1] te veroordelen tot betaling van ƒ 3.500,-- voor iedere maand of gedeelte van een maand gedurende welke [betrokkene 1] na 1 maart 1995 in gebreke zou blijven de aan [eiser] verhuurde en opnieuw gebouwde restaurantruimte aan de [a-straat 1] te [plaats] op te leveren;

iii. [betrokkene 1] te veroordelen tot vergoeding van de door [eiser] gemaakte (buitengerechtelijke) kosten.


[Betrokkene 1] heeft de vorderingen bestreden en harerzijds in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat.

[Eiser] heeft de vordering in reconventie bestreden.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 5 juli 1996 [eiser] in de gelegenheid gesteld te reageren op het verweer van [betrokkene 1] dat zij niet in verzuim is en dat zij niet eens in gebreke is gesteld. Nadat [eiser] bij akte een aantal brieven in het geding had gebracht, heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 6 juni 1997 zowel de vordering in conventie als de vordering in reconventie afgewezen.

Tegen beide vonnissen van de kantonrechter heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam. [Eiser] heeft in hoger beroep gevorderd de vonnissen waarvan beroep te vernietigen en [betrokkene 1] te veroordelen tot betaling van een schadebedrag van ƒ 677.000,--, althans tot een zodanige bedrag als de rechtbank in redelijkheid vermeent te behoren.

Bij tussenvonnis van 20 oktober 1999 heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [betrokkene 1]. Nadat [betrokkene 1] een akte had genomen en [eiser] daarop bij antwoordakte had gereageerd, heeft de rechtbank bij vonnis van 20 december 2000 het op 5 juli 1996 gewezen vonnis bekrachtigd, het op 6 juni 1997 gewezen vonnis vernietigd en [betrokkene 1] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van ƒ 57.858,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 2.938,-- vanaf 7 juni 2000 en met de wettelijke rente over ƒ 54.920,-- vanaf de tijdstippen waarop de aan elke maand toe te rekenen gedeelten van dat bedrag opeisbaar werden, het eerste deel in september 1995, alles tot aan de algehele voldoening. De rechtbank heeft de zaak voorts naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [eiser], en iedere verdere beslissing aangehouden.

Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.


2. Het geding in cassatie


Tegen de vonnissen van de rechtbank van 20 oktober 1999 en 20 december 2000 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.

De erfgenamen van [betrokkene 1] - verder te noemen: de erven [betrokkene 1] - hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt in het principale beroep tot verwerping, en in het incidentele beroep tot vernietiging.

De advocaat van de erven [betrokkene 1] heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.


3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep


De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.


4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep


4.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen [betrokkene 1] en [eiser] heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de bedrijfsruimte van het aan [betrokkene 1] in eigendom behorende pand aan de [a-straat 1] te [plaats], in welke ruimte [eiser] zijn Griekse restaurant "[A]" dreef.

(ii) De kantonrechter te Amsterdam heeft bij beschikking van 14 april 1992 bepaald dat de huurovereenkomst zal eindigen met ingang van 1 juni 1992, voor zover de huurovereenkomst niet als reeds geëindigd moet worden beschouwd, op de grond dat voldoende is gebleken dat [betrokkene 1] wegens noodzakelijk gebleken sloop het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik.

(iii) [Betrokkene 1] heeft [eiser] in kort geding gedagvaard tot ontruiming. Partijen hebben vervolgens een overeenkomst gesloten (door partijen aangeduid als dading, hierna als "overeenkomst van dading" aan te duiden). De daarvan opgemaakte onderhandse "akte van dading" van 19 augustus 1992 houdt onder meer het volgende in:

"Aangezien partijen ter minnelijke regeling van een kort geding met betrekking tot tijdige ontruiming door huurster ten behoeve van sloop van het verhuurde aan de [a-straat 1] te [plaats] en voorts tot vaststelling van een huurovereenkomst na nieuwbouw thans een overeenkomst wensen aan te gaan om een en ander tegen finale kwijting te regelen;


KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:


A. Huurster zal, zodra verhuurster een aanschrijving ontvangt van de Gemeentelijke Bouw- en Woningtoezicht om het pand in te pakken c.q. met de sloop kan beginnen op verzoek van verhuurster, (welk verzoek twee weken vooraf dient te worden verzonden aan huurster) het gehuurde te ontruimen met alle personen en goederen die zich daarin bevinden onder afgifte van de sleutel het gehuurde leeg op te leveren. Verhuurster wordt daarbij gemachtigd om voor het geval huurster alsnog weigert te ontruimen, deze zelf te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm.


B. Verhuurster stuurt na oplevering van de nieuwbouw een aangetekende brief met bericht van ontvangst aan huurster (althans aan het kantooradres van de gemachtigde van huurster met de mededeling dat het pand opgeleverd is. Partijen hebben vanaf dat moment zes weken de gelegenheid om gezamenlijk een nieuwe huurovereenkomst tot stand te brengen. De huurprijs zal worden vastgesteld op basis van de gangbare huurprijzen van vergelijkbare panden in de omgeving."


(iv) Bij brief van 28 april 1993 heeft [betrokkene 1] [eiser] aangezegd om het gehuurde te ontruimen per 14 mei 1993. [Eiser] heeft de bedrijfsruimte vervolgens op 21 mei 1993 ontruimd.


4.2 Aan zijn vordering als hiervoor onder 1 omschreven legde [eiser] ten grondslag, kort gezegd, dat [betrokkene 1] in verzuim is gebleven met de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van dading en dat zij derhalve verplicht is de schade die [eiser] daardoor heeft geleden en zal lijden te vergoeden. In hoger beroep heeft hij, na wijziging van zijn eis, aan zijn vordering mede ten grondslag gelegd dat het na gereedkoming van de nieuwbouw nog tot 1 december 1997 heeft geduurd eer hij weer over het restaurant kon beschikken. De kantonrechter heeft overwogen (a) dat de gevorderde schadevergoeding eerst toewijsbaar kan zijn indien [betrokkene 1] in verzuim is, (b) dat voor het intreden van verzuim in de regel een schriftelijke aanmaning vereist is waarbij de crediteur de debiteur een redelijke termijn voor de nakoming stelt (ingebrekestelling), (c) dat in de overgelegde brieven geen ingebrekestelling valt te lezen, (d) dat er geen fatale termijn is bij overschrijding waarvan [betrokkene 1] in verzuim zou raken en (e) dat [betrokkene 1] derhalve het gelijk aan haar zijde heeft waar zij gesteld heeft niet in verzuim te zijn. Op die grond heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.


4.3 De rechtbank heeft zich, in haar tussenvonnis van 20 oktober 1999, aangesloten bij het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [eiser] slechts kan worden toegewezen indien [betrokkene 1] in verzuim is gebleven met de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van dading en dat een ingebrekestelling nodig was wilde zij in verzuim zijn. Anders dan de kantonrechter oordeelde de rechtbank evenwel (rov. 11 van het tussenvonnis) dat [betrokkene 1] wel degelijk in gebreke is gesteld, nu de brief van de toenmalige raadsman van [eiser] aan de advocaat van [betrokkene 1] van 22 oktober 1993 "een voldoende duidelijke ingebrekestelling behelst".


4.4 De onderdelen 1.1 en 1.2 van het middel klagen dat [eiser] de door de rechtbank bedoelde brief van 22 oktober 1993 niet in dit proces, maar in een eerder kort geding heeft overgelegd, terwijl de stukken van dat kort geding weliswaar door [eiser] in de onderhavige zaak bij repliek in conventie zijn overgelegd, maar door hem geen beroep op die brief als ingebrekestelling is gedaan. De rechtbank had, aldus onderdeel 1.2, niet de vrijheid ambtshalve tot het oordeel te komen dat de brief van 22 oktober 1993 een voldoende duidelijke ingebrekestelling behelst.


4.5 Deze klacht slaagt. Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen (HR 1 oktober 2004, nr. C03/094, NJ 2005, 92).


4.6 Onderdeel 1.3 is voorgesteld voor het geval dat de rechtbank mocht hebben geoordeeld dat in de stellingen van [eiser] wèl een beroep op de brief van 22 oktober 1993 als ingebrekestelling besloten ligt. Nu de rechtbank niet heeft geoordeeld dat [eiser] een beroep op de bedoelde brief als ingebrekestelling heeft gedaan, kan het onderdeel bij gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.


4.7 De onderdelen 1.4, 1.5 en 1.6, die gericht zijn tegen het oordeel van de rechtbank dat de bedoelde brief "een voldoende duidelijke ingebrekestelling" behelst, behoeven geen behandeling meer.


4.8 De overige in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.


4.9 De Hoge Raad zal de zaak verwijzen, zodat de verwijzingsrechter alsnog zal kunnen oordelen over het in de grieven van [eiser] besloten liggende, door de rechtbank niet behandelde, betoog dat aan de correspondentie die [eiser] in eerste aanleg heeft overgelegd ter staving van zijn stelling dat [betrokkene 1] wel degelijk in gebreke is gesteld dan wel aan de kort-gedingdagvaarding van maart 1994 waarop [eiser] in dit kader een beroep heeft gedaan, bewijs kan worden ontleend voor die stelling.


5. Beslissing


De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven begroot op € 752,01 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank te Amsterdam van 20 oktober 1999 en 20 december 2000;

verwijst de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [betrokkene 1] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.


Dit arrest is gewezen door de raadsheren D.H. Beukenhorst, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 juni 2005.