Parket bij de Hoge Raad, 13-03-2001 / 01407/99


ECLI:NL:PHR:2001:AB0495

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2001-03-13
Publicatiedatum
2001-08-20
Zaaknummer
01407/99
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JOL 2001, 181
  • NJ 2001, 329
Conclusie

Mr Fokkens

Nr. 01407/99

Zitting 19 december 2000


Conclusie inzake

[Verdachte]


Edelhoogachtbaar College,


1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens overtreding van art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. Bovendien is door het Hof de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.


2. Namens verdachte heeft mr R.B. Milo, advocaat te Tilburg, twee middelen van cassatie voorgesteld. Er is een schrijven binnengekomen van de benadeelde partij. Dit schrijven bevat geen middelen van cassatie.


3. Het eerste middel houdt in dat de bewezenverklaring onvoldoende toereikend is gemotiveerd. Het middel bevat twee klachten.


4. Het Hof heeft tenlaste van verdachte bewezenverklaard dat:


"hij op 10 december 1995 te Raamsdonkveer, gemeente Raamsdonk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Rijksweg A 27, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos rijdende met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over de linkerrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die weg, terwijl het zicht ter plaatse tengevolge van de mist 100 à 200 meter bedroeg, zeer kort te gaan en blijven rijden achter een vóór hem over voornoemde rijstrook in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdend motorrijtuig (Peugeot) en vervolgens dat motorrijtuig (Peugeot) rechts in te halen en vervolgens zeer kort vóór dat voertuig (Peugeot) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig weer naar links te sturen en wederom genoemde linkerrijstrook te gaan berijden en vervolgens, terwijl hij zich met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig zeer kort vóór dat motorrijtuig (Peugeot) bevond, zonder noodzaak dat door hem bestuurde motorrijtuig af te remmen, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de voorzijde van dat motorrijtuig (Peugeot) en de achterzijde van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig mede waardoor een aanrijding is ontstaan tussen laatstgenoemd motorrijtuig en een vierde op die weg rijdend motorrijtuig, van welke laatstgenoemde motorrijtuigen er één van het merk Opel en één van het merk Volkswagen was, waardoor A: de bestuurster van laatstgenoemd motorrijtuig (Volkswagen) genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht te weten een whiplash (zweepslag nekletsel) en B: een inzittende van laatstgenoemd voertuig (Volkswagen) genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht te weten een aantal ribfacturen en een neusfractuur en C: een inzittende van laatstgenoemd motorrijtuig (Volkswagen) genaamd [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht te weten een whiplash (zweepslag nekletsel) en een ontwrichting van beide knieën."


5. De eerste klacht houdt in dat er sprake is van een dubbele Meer en Vaart-situatie. Ten eerste zouden de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen de met de bewezenverklaarde onverenigbare mogelijkheid openlaten dat de inhaalmanoeuvre van verdachte het noodzakelijk gevolg was van een daaraan voorafgaande manoeuvre van het slachtoffer [slachtoffer 4], die plotseling voor verdachte op de linkerbaan zou zijn gaan rijden. Ten tweede zouden de bewijsmiddelen de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat de remmanoeuvre van verdachte is ingegeven doordat het slachtoffer dat achter verdachte reed, lichtsignalen gaf, niet uitsluiten. In zijn pleidooi heeft de raadsman aangevoerd dat het ongeval volgens de verdachte op deze wijze heeft plaatsgevonden en dat derhalve van roekeloos rijgedrag van de verdachte geen sprake is geweest.


6. Het Hof heeft, anders dan de rechtbank, geen aanleiding gezien om in een bijzondere bewijsoverweging dit betoog van de raadsman te weerleggen. Het zou duidelijker zijn geweest als het Hof een dergelijke overweging in de motivering van de bewezenverklaring had opgenomen, maar dat betekent nog niet dat de bewezenverklaring op de genoemde punten een Meer en Vaart-gat vertoont. De stelling dat verdachte genoodzaakt was om de voor hem rijdende Peugeot rechts in te halen omdat deze auto plotseling voor hem op de linkerrijstrook was rijden, wordt weerlegd door de voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1], die ter plaatse op de rechterrijstrook reed, dat hij heeft gezien dat de Peugeot toen de manoeuvre van verdachte plaats vond al een tijdje links reed en dat hij niet heeft gezien dat de Peugeot van baan veranderde.


7. Het verweer dat het afremmen een reactie was op lichtsignalen die de bestuurster van de Peugeot gaf en derhalve niet roekeloos was, vindt eveneens zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit kan immers volgen dat verdachte met grote snelheid de Peugeot van achteren naderde, zonder verkeersnoodzaak deze auto rechts inhaalde met een snelheid van ongeveer 120 kilometer per uur, vervolgens wederom zonder verkeersnoodzaak naar links reed en darbij de Peugeot sneed en daarna kort voor de Peugeot rijdend onverwachts zo krachtig heeft geremd dat de bestuurster van die Peugeot verdachtes auto niet meer kon ontwijken en tegen hem aanreed. Ook als de bestuurster van de Peugeot in deze omstandigheden een lichtsignaal zou hebben gegeven (niet verstandig, maar wel begrijpelijk) zou dat op geen enkele wijze de verdachte genoopt hebben om te remmen zoals hij heeft gedaan. Van een met de bewezenverklaring opengebleven mogelijkheid is dus volstrekt geen sprake.


8. De tweede klacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard, althans onvoldoende toereikend heeft gemotiveerd dat het bewezenverklaarde handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen kan niets worden afgeleid omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak tot medisch ingrijpen en uitzicht op herstel, aldus de indiener van de klacht.


9. Voor wat betreft het bewijs van het zwaar lichamelijk letsel steunt de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

- een verklaring d.d. 8 januari 1996 van de behandelend arts van het slachtoffer [slachtoffer 1]:


"omschrijving uitwendig letsel:

musculus Trapesius Syndroom (ontstoken nekspier) t.g.v. whiplash"

- een verklaring d.d. 19 januari 1996 van de behandelend arts van het slachtoffer [slachtoffer 2]:

Omschrijving uitwendig letsel:

"Bijkomende onderzoeken tonen dat er multipele ribfracturen waren rechts en een neusfractuur".

- een verklaring d.d. 22 februari 1996 van de behandelend arts van het slachtoffer [slachtoffer 3]:

"omschrijving uitwendig letsel:

-whiplash syndroom (zweepslag t.h.v. nek)

-distorsie beide knieën"


10. Voor de uitleg van het bestanddeel 'zwaar lichamelijk letsel' is in de eerste plaats het normale spraakgebruik van belang.(1) Vandaar dat, zoals de Hoge Raad in NJ 2000, 510 heeft geoordeeld, beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in belangrijke mate is voorbehouden aan de feitenrechter. De Hoge Raad kan ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niet blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.(2)


11. In de onderhavige beslissing is niets opgenomen waar uit iets blijkt omtrent de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. In zoverre is het middel gegrond.


12. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof onvoldoende toereikend heeft gemotiveerd waarom het een hogere straf heeft opgelegd dan door het Openbaar Ministerie was gevorderd.


13. Ik versta het middel aldus dat het is gericht tegen de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid. Door het Openbaar Ministerie is geen ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd. Het Hof heeft hieromtrent overwogen:


"Naar het oordeel van het Hof kan niet worden volstaan met een ontzegging van de rijbevoegdheid zoals door de procureur-generaal gevorderd, omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:


-de mate waarin het bewezenverklaarde rijgedrag persoonlijk leed teweeg heeft gebracht, namelijk het zwaar lichamelijk letsel bij de slachtoffers (...) en de psychische gevolgen

-het gewelddadige karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke verontrusting die daarvan het gevolg is;

-de mate waarin verdachte door zijn roekeloze en agressieve rijgedrag medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het Hof daarin voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.


14. Hiermee heeft het Hof op voldoende toereikende wijze gemotiveerd waarom het Hof, anders dan de procureur-generaal kwam tot een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het oordeel van het Hof is ook niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel betoogt dat de omstandigheden die het Hof ten grondslag legt aan de op te leggen straf niet volgen uit de bewijsmiddelen, geldt in de eerste plaats dat de feiten omstandigheden die ten grondslag liggen aan de sanctieoplegging geen steun behoeven te vinden in de wettige bewijsmiddelen, het moet om feiten of omstandigheden gaan die ter zitting aan de orde zijn geweest.(3)


15. Voor wat betreft verdachtes rijgedrag, de gevaarzetting, het agressieve en gewelddadigekarakter mist het middel feitelijke grondslag. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden afgeleid dat verdachte zijn medeweggebruikers in gevaar heeft gebracht door zijn roekeloze rijgedrag. Voor wat betreft het zwaar lichamelijk letsel geldt dat in de eerste plaats dat het letsel van de slachtoffers ter zitting aan de orde is geweest. Gelet op hetgeen ik onder 14 heb geconcludeerd, kan het Hof na verwijzing van de zaak de strafmotivering aanpassen aan de mate van het bewezenverklaarde letsel.


Ik concludeer dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd met verwijzing der zaak naar een aangrenzend gerechtshof, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan met verwerping van het beroep voor het overige.


De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,


1HR NJ 1923, p. 1368

2Zie ook mijn conclusie in de zaak met griffienummer 02066/00

3G.J.M. Corstens, Het Nederlandse Strafprocesrecht, Deventer 1999, 682