Parket bij de Hoge Raad, 20-03-2001 / 00478/00


ECLI:NL:PHR:2001:AB0606

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2001-03-20
Publicatiedatum
2002-02-19
Zaaknummer
00478/00
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JOL 2001, 199
  • NJ 2001, 366
Conclusie

Nr. 00478/00

Mr Fokkens

Zitting: 23 januari 2001


Conclusie inzake:

[Verdachte]


Edelhoogachtbaar College,


1. Verdachte is door de Arrondissementsrechtbank te Haarlem in hoger beroep wegens een snelheidsovertreding veroordeeld tot een geldboete van f 150,-- subsidiair drie dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.


2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen. Namens verdachte heeft mr A. van Waarden, advocaat te Haarlem, drie middelen van cassatie voorgesteld.


3. Het eerste middel klaagt erover dat de Rechtbank het in hoger beroep gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.


4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is namens verdachte door diens raadsman het volgende verweer gevoerd:


“De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

(…)

Vervolgens heeft de raadsman daarvoor aangevoerd dat in deze zaak de dagvaarding niet is opgesteld en de vervolgingsbeslissing niet is genomen door de officier van justitie, maar door een parketsecretaris zonder dat daaraan een schriftelijke mandateringsregeling ten grondslag lag.”


5. De Rechtbank heeft dat verweer als volgt verworpen:


“Bij de beoordeling van het standpunt van de verdediging gaat de appelrechter van het volgende uit:


- nu de officier van justitie zulks niet heeft weersproken, gaat de appelrechter ervan uit dat in deze zaak de beslissing tot vervolging van verdachte is genomen en de dagvaarding is opgesteld door een parket- secretaris;

- jegens verdachte bestaat de verdenking dat hij op 13 juli 1995 de maximumsnelheid met ongeveer 60 kilometer heeft overschreden;

- verdachte is - blijkens de hem betreffende gegevens uit het justitiëel documentatieregister - op 20 juli 1993 door de kantonrechter te Zaandam wegens een snelheidsovertreding veroordeeld tot een geldboete van fl. 500,-- subsidiair 10 dagen hechtenis en 3 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en op 14 januari 1994 door de kantonrechter te Alkmaar veroordeeld wegens een snelheidsovertreding tot een geldboete van fl. 1000,- subsidiair 20 dagen hechtenis en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, welke proeftijd is geëindigd op 9 mei 1995, zulks met tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 20 juli 1993 opgelegde voorwaardelijke ontzegging;

Gelet op de forse mate van overschrijding van de maximumsnelheid, waarvan in de onderhavige zaak verdenking bestond en in aanmerking genomen voormelde ernstige recidive, is de appelrechter van oordeel dat een parketsecretaris - ook bij gebreke van een schriftelijke mandatering - bevoegdelijk kon besluiten tot vervolging van verdachte en het zelfstandig opstellen van de dagvaarding voor de aan verdachte tenlastegelegde overtreding.

De appelrechter heeft bij dit oordeel mede betrokken het gegeven dat het feit, waarvan verdenking bestond een - in eerste aanleg - voor de kantonrechter te vervolgen verkeersovertreding betreft en dat de officier van justitie tot aan de zitting bij de kantonrechter de mogelijkheid heeft gehad de dagvaarding in te trekken, van welke mogelijkheid hij blijkens de in eerste aanleg gevorderde straf kennelijk geen gebruik heeft willen maken.”


6. Ingevolge art. 167 Sv komt de bevoegdheid tot dagvaarden toe aan de Officier van Justitie. Onder het in deze zaak nog toepasselijke oude recht achtte de Hoge Raad het onder bepaalde voorwaarden mogelijk deze vervolgingsbevoegdheid aan een parketsecretaris te mandateren. Inmiddels is sedert 1 juli 1999 art. 126 RO in werking getreden (Wet van 19 april 1999, Stb. 1999, 194), welk artikel in samenhang met het in het vierde lid van dat artikel bedoelde Besluit van 11 mei 1999, Stb. 1999, 197, een wettelijke basis verschaft aan de jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals die nog geldt in de onderhavige zaak.


7. De Hoge Raad heeft in NJ 1998, 49 geoordeeld dat het stelsel van strafvordering zich niet verzet tegen het onder bepaalde voorwaarden krachtens schriftelijk mandaat uitoefenen van de bevoegdheid tot vervolging door het uitbrengen van een dagvaarding door ambtenaren, niet zijnde officieren van justitie, die aan het parket van de officier van justitie zijn verbonden. In NJ 2000,423 heeft de Hoge Raad die regel herhaald.


8. In de zaak die uitmondde in NJ 1998, 49 was door middel van een Handleiding vastgelegd onder welke omstandigheden zaken in mandaat door parketsecretarissen mochten worden afgedaan. De Hoge Raad overwoog na kennisneming van die Handleiding dat in dat geval van een algemene mandatering zonder nadere instructies geen sprake was en oordeelde:


“In aanmerking genomen a) de aard van de genomen beslissing, welke ingevolge het bepaalde in art. 266, eerste lid, Sv door de officier van justitie tot aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting ongedaan kan worden gemaakt, en b) de omstandigheid dat een parketsecretaris binnen het hiervoor onder 5.7 gegeven kader bij mandaat heeft beslist tot dagvaarding van de verdachte, kan niet als juist worden aanvaard ’s Hofs oordeel dat te dezen de omstandigheid dat de beslissing tot het uitbrengen van de dagvaarding niet door de Officier van Justitie zelf is genomen, moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging.”


9. In deze zaak heeft de Rechtbank niet onderzocht of er sprake was van een situatie waarin een parketsecretaris krachtens uitdrukkelijk en schriftelijk mandaat van de Officier van Justitie een beslissing tot vervolging heeft genomen. De Rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat de vervolgingsbeslissing door een parketsecretaris is genomen en heeft daaraan de conclusie verbonden dat de inleidende dagvaarding, ook bij gebreke van een schriftelijke mandatering, geldig was uitgebracht.


10. De hierboven weergegeven argumentatie van de Rechtbank begrijp ik als volgt. De ernst van het feit en de recidive zijn relevant omdat gezien die omstandigheden het vrijwel ondenkbaar was dat er niet zou worden vervolgd. Met andere woorden: er viel in concreto voor de parketsecretaris weinig af te wegen bij het nemen van de beslissing al dan niet te vervolgen. Daarnaast gaat het hier om een overtreding die voor de kantonrechter wordt vervolgd, in welke overweging de onuitgesproken gedachte besloten lijkt te liggen dat het door een parketsecretaris nemen van de beslissing tot dagvaarding over te gaan, anders dan bij misdrijven het geval is, niet duidelijk in strijd is met het systeem van het Wetboek van Strafvordering. Een argument voor die opvatting zou kunnen zijn dat het Wetboek in art. 384 ook opsporingsambtenaren, onder de daar genoemde voorwaarden, de bevoegdheid geeft te beslissen om een oproeping voor de terechtzitting van de kantonrechter uit te reiken. Tenslotte acht de Rechtbank het van belang dat de beslissing van de parketsecretaris een voorlopige is: de officier van justitie kan immers tot aan de terechtzitting de dagvaarding intrekken.


11. Mijns inziens is er geen reden bij overtredingen anders te oordelen over de bevoegdheid van de parketsecretaris tot dagvaarding over te gaan dan bij misdrijven het geval is. De wet heeft in art. 384 Sv uit doelmatigheidsoverwegingen, namelijk een snelle afhandeling van dergelijke zaken, aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid gegeven een oproeping voor de terechtzitting van de kantonrechter uit te reiken. Vgl. Blok-Besier, dl. II blz. 270. Blok-Besier beklemtoont dat door deze bepaling de leiding met betrekking tot het aanhangig maken van deze zaken blijft bij de officier van justitie. Thans biedt de wet in art. 126 RO de mogelijkheid de bevoegdheid zaken ter terechtzitting aan te brengen aan parketsecretarissen te mandateren. Noch in de tekst van de wet, noch in de MvT, noch in het krachtens art. 126 lid 4 RO uitgevaardigde Besluit (Stb. 1999, 197) is enig aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat voor het uitbrengen van dagvaardingen in overtredingszaken door parketsecretarissen geen mandaat vereist zou zijn. Het niet stellen van die eis acht ik ook niet juist, omdat het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid tot vervolging heeft toegekend aan de officier van justitie. Dat anderen die bevoegdheid namens de officier van justitie uitoefenen is in het wettelijk systeem tot 1 juli 1999, zoals Uw Raad dat in NJ 1998, 49 uiteen heeft gezet, slechts aanvaardbaar op grond van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling (art. 384 Sv) of op grond van een mandaat met duidelijke instructies.


12. Ik meen derhalve dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of er sprake was van een duidelijke en schriftelijke mandatering van de bevoegdheid in zaken als de onderhavige een dagvaarding uit te brengen en dat het middel daarover terecht klaagt.


13. Het tweede middel behelst de klacht dat de berechting van verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zodat art 6, eerste lid, EVRM is geschonden.


14. De pleegdatum van het tenlastegelegde feit is 13 juli 1995. Tot aan de cassatiefase is deze overtreding maar liefst in vier instanties behandeld. De keuze die de verdachte en diens raadsman hebben gemaakt om wegens het niet ontvangen hebben van de gedingstukken in deze eenvoudige overtredingzaak niet bij de eerste en tweede behandeling door de Kantonrechter te verschijnen heeft onmiskenbaar aan de duur van de gehele rechtsgang bijgedragen. Ik kan mij vinden in de uitgebreide beschouwingen die de appèlrechter blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 april 1999 daaraan heeft gewijd en verwijs kortheidshalve naar de laatste alinea van pagina 4 van dat proces-verbaal.


15. Aan de hand van de in HR NJ 2000, 721 genoemde criteria, waarbij ik met name verwijs naar de overwegingen 3.13, 3.14 en 3.16, meen ik dat het oordeel van de Rechtbank dat de zaak met voldoende voortvarendheid is behandeld en dat de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop in feitelijke aanleg de duur daarvan mede heeft bepaald niet getuigt van een verkeerde rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Daar komt nog bij dat de appèlrechter het tijdsverloop verregaand in de strafoplegging heeft verdisconteerd door in plaats van een geldboete van f 550,-- en een voorwaardelijke ontzegging van vier maanden met een proeftijd van 2 jaren, te volstaan met een geldboete van f 150, -- en een voorwaardelijke ontzegging van drie maanden met een proeftijd van 1 jaar. Voor zover het middel over de verwerping van het verweer door de Rechtbank klaagt kan het dan ook niet slagen.


16. Dat neemt niet weg dat de periode van tien maanden die is verstreken tussen het moment waarop cassatieberoep werd ingesteld, 22 april 1999, en de datum waarop de stukken ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, 22 februari 2000 wel een onredelijke vertraging laat zien. In zoverre treft het middel doel. De overschrijding is echter niet zodanig dat het Openbaar Ministerie op dit moment niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.


17. Het derde middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.


18. Vaststaat dat verdachte op een voor het openbaar verkeer openstaande weg, niet zijnde een autoweg of autosnelweg heeft gereden alwaar een toegestane snelheid van 80 kilometer per uur gold. Verdachte ontkent dat hij te hard heeft gereden. Hij voert in cassatie aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat hij de toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden, omdat uit het vonnis van de Rechtbank niet blijkt welke afwijking de door de verbalisant gebruikte niet geteste snelheidsmeter had.


19. Het is vaste rechtspraak dat, indien de in de tenlastelegging voorkomende term “snelheid” is gebezigd in de betekenis overeenkomende met die welke toekomt aan de term “maximumsnelheden” in art. 21 RVV 1990, een redelijke uitleg daarvan meebrengt dat met die term wordt gedoeld op de werkelijke snelheid van het desbetreffende voertuig, nu uit de tekst, toelichting of strekking van die bepaling niet het tegendeel voortvloeit. Het meten van snelheden gebeurt in de praktijk op verschillende manieren. De afgelopen jaren is diverse keren de vraag aan de orde geweest welke foutmarges bij welke meetmethoden gehanteerd dienen te worden.


20. In HR NJ 1996, 511 werd gemeten met een gewone, “nog onlangs geteste” snelheidsmeter in een surveillance-auto. Bewezen werd verklaard dat de verdachte in kwestie “ongeveer 153 kilometer per uur” had gereden terwijl de geldende maximumsnelheid 120 kilometer per uur bedroeg. In cassatie werd aangevoerd dat de werkelijk gereden snelheid minder zou kunnen hebben bedragen dan de bewezenverklaarde 153 kilometer per uur en dat dus niet uitgesloten kon worden dat de overschrijding van de maximale snelheid minder had bedragen dan 30 kilometer per uur.

Ervan uitgaande dat de Rechtbank kennelijk bewezen had geacht dat de snelheid in ieder geval boven de 150 kilometer per uur lag, oordeelde de Hoge Raad:


“dat de Rechtbank (…) de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd.

Immers, indien de Rechtbank van oordeel is geweest dat de verbalisante bij de vaststelling van de gereden snelheid reeds rekening heeft gehouden met mogelijke afwijkingen tussen de door de in het surveillancevoertuig aanwezige snelheidsmeter aangewezen snelheid en de werkelijke snelheid en in verband daarmee een correctie heeft toegepast, is dat oordeel onbegrijpelijk, nu het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal, inhoudende het relaas van de verbalisante daaromtrent niets inhoudt.

Doch ook indien de Rechtbank heeft geoordeeld dat voor zodanige correctie geen aanleiding bestond, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. De enkele mededeling van de verbalisante dat de gereden snelheid is vastgesteld met behulp van de “nog onlangs geteste“ snelheidsmeter van het surveillancevoertuig laat immers onbeantwoord de vraag of deze snelheidsmeter de werkelijke snelheid registreerde , dan wel slechts voldeed aan een bepaalde objectieve nauwkeurigheidsnorm (met maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfouten) in welk geval een met die snelheidsmeter verkregen meetresultaat - evenals het geval is met meetresultaten verkregen met een overeenkomstig de Beschikking Verkeersmeetmiddelen Politie dan wel de sedert 1 april 1994 geldende Regeling meetmiddelen politie geijkte radarsnelheidscontrolemeter - slechts redengevend kan zijn voor het bewijs van een bepaalde snelheid indien dat meetresultaat na aftrek van de maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout ten minste gelijk is aan die snelheid.”


21. In HR NJ 1997, 735 en 736 m.nt. JdH vonden eveneens mobiele metingen met een motorrijtuig plaats. In HR NJ 1997, 736 werd gebruik gemaakt van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidscontroleapparaat, (merk Police Pilot). De Hoge Raad voegde in die zaak aan de eerder ontwikkelde maatstaf toe dat verplichte correctie slechts hoeft plaats te vinden “indien nader bewijs ontbreekt” en dat was in die zaak niet het geval.

In HR NJ 1997, 735 ontbrak dat nadere bewijs wel en werd de snelheid vastgesteld met behulp van een “nog onlangs geteste snelheidsmeter van het surveillancevoertuig”. Evenals in de hiervoor besproken zaak (HR NJ 1996, 511) was niet bewezen verklaard dat de toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur was overschreden, maar dat de betreffende verdachte gereden had met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur (waar 100 kilometer was toegestaan). De Hoge Raad oordeelde:


“Noch de ten tijde van het bewezenverklaarde (9 september 1993, JWF) geldende Beschikking Verkeersmeetmiddelen Politie, noch de sedert 1 april 1994 van toepassing zijnde Regeling meetmiddelen politie, bevatten voorschriften omtrent de maximaal toelaatbare fouten bij meting met een dergelijke snelheidsmeter, terwijl zodanige voorschriften evenmin bij enige andere algemeen kenbare regeling zijn gegeven. Teneinde derhalve in een geval als het onderhavige de snelheid van een voertuig vast te stellen dient het van een snelheids(controle)meter afgelezen meetresultaat met de voor die snelheidsmeter vastgestelde maximale afwijking te worden gecorrigeerd. Indien nader bewijs ontbreekt, zal daarom het met zo’n snelheids(controle)meter verkregen meetresultaat slechts toereikend zijn voor het bewijs van een bepaalde snelheid, indien dat meetresultaat na aftrek van die maximale afwijking tenminste gelijk is aan die snelheid.”


22. Het in laatstgenoemde uitspraak voor de situatie dat nader bewijs ontbreekt aangescherpte criterium zien we in latere uitspraken terug; ik noem HR 10 februari 1998, griffienummer 106.486, HR NJ 1998, 536, HR NJ 1998, 855 en HR 14 april 1998, DD 98.268.


23. In HR NJ 1998, 855 werd de snelheidsovertreding geconstateerd met een niet geijkte snelheidsmeter van een politievoertuig en werd bewezenverklaard het rijden met een snelheid van ongeveer 135 kilometer per uur. Verdachte ontkende met deze snelheid te hebben gereden. Blijkens het proces-verbaal van politie werd de gemeten snelheid van 150 kilometer per uur met 15 % gecorrigeerd. De Rechtbank nam die correctie over en verklaarde bewezen het rijden met een snelheid van ongeveer 135 kilometer per uur. De Hoge Raad oordeelde ook deze bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd, omdat “de Rechtbank niet heeft aangegeven waarom in dit geval, waarin blijkens de gebezigde bewijsmiddelen geen sprake was van een voor de meting geijkte snelheidsmeter, een aftrek van 15 km per uur op de gemeten snelheid moest worden toegepast, zodat vorengenoemde bepaalde snelheid bewezen was.”


24. Voor de juiste beoordeling van deze uitspraak, waarin de Rechtbank wel een correctie had toegepast, is van belang dat bewezen was verklaard dat de verdachte met een snelheid van ongeveer 135 kilometer per uur had gereden. Nu voor de meting gebruik was gemaakt van een niet geijkte snelheidsmeter, en de foutmarge dus niet bekend was, was het zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat de toe te passen correctie 15 kilometer bedroeg. Dat luisterde in die zaak zo nauw omdat bewezen was verklaard dat verdachte met een snelheid van ongeveer 135 kilometer per uur had gereden. Indien de rechter had overwogen dat een verschil van meer dan 10% tussen de werkelijke en de op deze wijze gemeten snelheid zo onwaarschijnlijk was dat daarmee geen rekening behoefde te worden gehouden en bewezen had verklaard dat verdachte meer dan 30 kilometer te hard had gereden -ter plaatse gold een maximumsnelheid gold van 80 kilometer per uur - zou de bewezenverklaring naar mijn mening wel voldoende gemotiveerd zijn geweest.


25. Een dergelijke redenering kan in de onderhavige zaak ook gevolgd worden. De bewezenverklaring luidt dat verdachte:


“op 13 juli 1995 in de gemeente Uitgeest buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig, personenauto, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Provincialeweg Zaandam-Castricum, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, heeft gereden en de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.”


26. De Rechtbank heeft ten aanzien van het bewijs overwogen:


“De appèlrechter acht, nu bij de vastgestelde snelheid niet de vereiste correctiefactor ter bepaling van de feitelijk gereden snelheid in acht is genomen, niet bewezen dat verdachte met een werkelijke snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur heeft gereden. Wel bewezen acht de appèlrechter - gelet op de door de politie - met inachtneming van de afwijking van de gecontroleerde snelheidsmeter - vastgestelde ongecorrigeerde snelheid - bewezen dat de verdachte de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met (veel) meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.”


27. Dit oordeel is gelet op het verschil van 60 kilometer tussen de ter plaatse geldende maximum snelheid en door de verbalisant op zijn snelheidsmeter geconstateerde snelheid waarmee verdachte reed van 140 kilometer per uur niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.


28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan,


De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden