Parket bij de Hoge Raad, 10-04-2001 / 02713/00 E


ECLI:NL:PHR:2001:AB0959

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2001-04-10
Publicatiedatum
2004-03-16
Zaaknummer
02713/00 E
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JOL 2001, 248
  • NJ 2001, 423
Conclusie

Nr. 02713 /00 E

Mr. Machielse

Zitting: 6 februari 2001


Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]



Edelhoogachtbaar College,



1. Bij arrest van 25 januari 2000 is verzoeker door het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld ter zake van "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 84 van de Zaai- en Plantgoedwet, terwijl het feit opzettelijk is begaan, meermalen gepleegd" tot een geldboete van ƒ 8.000,--, subsidiair 80 dagen hechtenis.


2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.(1) Voorts heeft mr. Boksem - tijdig - een aanvullende schriftuur ingediend, welke betrekking heeft op het tweede middel in de schriftuur.


3. Het eerste middel berust op de stelling dat het hof in de door verzoeker ter zitting gemaakte opmerkingen een verzoek tot schorsing van het onderzoek ter zitting had moeten zien met het oog op het alsnog verkrijgen van rechtsbijstand. Nu het hof heeft nagelaten op die opmerkingen te reageren zou het hof art. 330 Sv, en het in de artikelen 6 lid 3 sub c EVRM en 18 lid 1 Grondwet gegarandeerde recht op rechtsbijstand, hebben geschonden.


3.1.1. Blijkens het proces-verbaal in hoger beroep heeft verzoeker aldaar onder meer het volgende verklaard, op welke verklaring de steller van het middel zich beroept.:


(Fries)

Ik kin der net by. Ik haw gjin advokaat. Dy nimme allinnich dieders oan, gjin slachtoffers.


(Nederlands)

Ik begrijp het niet. Ik heb geen advocaat. Zij nemen alleen daders aan, geen slachtoffers."


3.1.2. Blijkens het proces-verbaal in hoger beroep heeft verzoeker aldaar - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang en voorafgaand aan hetgeen hiervoor is weergegeven - van de gelegenheid gebruik gemaakt om de getuige [getuige 1] vragen te stellen, welke getuige blijkens de stukken op verzoek van verzoeker is opgeroepen.


3.1.3. Blijkens het proces-verbaal in appel heeft verzoeker voorts nog - vertaald in de Nederlandse taal - voorafgaand aan hetgeen hiervoor onder 3.1.1. is weergegeven, het volgende verklaard:


"Het klopt niet. Ik ben onschuldig.


Ik weet niet wat [betrokkene A] heeft opgeschreven. Ik heb te Finkum meermalen aardappelen verkocht aan [betrokkene A]. Ik weet niet welke soorten. De soort maakt voor mij niet uit. Ik verkoop blankschillige aardappelen. De maat maakt voor mij niet uit. Het gaat mij om de hoogste prijs. Ik heb niets te maken met het NAK. Ik kan het bewijzen. Ik heb hier vier aardappelen. Dit is bijvoorbeeld een pootaardappel, dat een consumptieaardappel en dat een fabrieksaardappel. Ik pak nu de aardappelen, haal ze door elkaar en dan moet u maar zeggen welke de pootaardappel is. Dat kunt u niet. U laat mij bonnen en verklaringen van [betrokkene A] zien. [Betrokkene A] vroeg niet naar Bildtstar. Wij spraken over rood en blank.

U houdt mij voor dat ik eerder ben veroordeeld. Ik heb die zaak later opgelost. Ik heb het geld gekregen waar ik recht op had.


3.1.4. Bij de stukken van het geding bevinden zich - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang -:


- een blijkens de daaraan gehechte akte op 12 november 1999 in persoon betekende appeldagvaarding om in hoger beroep voor het hof te verschijnen "met verwijzing naar de mededelingen aan de onderzijde van deze dagvaarding". Deze mededelingen behelzen informatie omtrent het "recht getuigen en deskundigen te doen dagvaarden" en omtrent "de bevoegdheid, indien toevoeging van een raadsman nog niet heeft plaatsgehad, zodanige toevoeging te verzoeken";

- een aan de griffier van het hof te Leeuwarden gericht schrijven van 21 september 1998 van mr. O.A. van Oorschot, advocaat te Leeuwarden, waarin deze, als raadsman van verzoeker in hoger beroep, vraagt om toezending van processtukken;

- een aan de griffier van het gerechtshof te Leeuwarden gericht schrijven van 14 december 1999 van mr. O.A. van Oorschot, advocaat te Leeuwarden, waarin deze mededeelt niet meer de raadsman te zijn van verzoeker, zodat mr. van Oorschot ook niet ter zitting zal verschijnen. Deze brief houdt voorts in dat verzoeker wel zelf ter zitting zal verschijnen, naar informatie van mr. van Oorschot;

- een door verzoeker aan het parket van het OM te Leeuwarden gerichte en ondertekende brief van 4 januari 2000. Deze brief houdt in: "In de bovengenoemde zaak wil ik gaarne gebruik maken van het recht getuigen à decharge te mogen benoemen, in dit kader verzoek ik U [getuige 1] in deze te dagvaarden."


3.2. De stelling in het middel dat het hof in de door verzoeker ter zitting gemaakte hiervoor onder 3.1.1. weergegeven opmerkingen een verzoek tot schorsing van het onderzoek ter zitting had moeten zien, met het oog op het alsnog verkrijgen van rechtsbijstand, faalt op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven. Daaruit kan immers worden opgemaakt:


(i) dat verzoeker een advocaat heeft ingeschakeld om als zijn raadsman ter zitting in appel op te treden, ingevolge waarvan verzoeker op de hoogte is geweest van zijn recht op rechtsbijstand als bedoeld in de in het middel genoemde bepalingen;

(ii) dat verzoeker zich klaarblijkelijk bij het - gelet op de zittingsdatum niet ontijdig geuite - besluit van zijn voormalige raadsman, om verzoekers verdediging niet (meer) ter hand te nemen, heeft neergelegd, terwijl verzoeker klaarblijkelijk niet heeft verzocht om bijstand van een andere raadsman dan mr. van Oorschot;

(iii) dat verzoeker van zijn verdedigingsrechten, waaronder het recht om een getuige te doen dagvaarden, gebruik heeft gemaakt;

(iv) dat verzoeker ook van zijn verdedigingsrechten ter zitting gebruik heeft gemaakt, waaronder het recht om vragen te stellen aan de opgeroepen en ter zitting verschenen getuige en het recht om zelf de verdediging ter zitting ter hand te nemen, en

(v) dat verzoeker reeds eerder veroordeeld is geweest.


Eén en ander is immers voor geen andere uitleg vatbaar, dan dat verzoeker op de hoogte is geweest van zijn recht op rechtsbijstand ter zitting(2), maar dat verzoeker - om hem moverende redenen - heeft verkozen om van dat recht geen gebruik te maken. Dit komt voor zijn eigen rekening(3).

De in het middel aangevoerde omstandigheid, dat tijdens de behandeling ter zitting in appel duidelijk zou zijn geworden dat "verzoeker zich alsnog afvroeg of juridische bijstand door een advocaat mogelijk was", mist feitelijke grondslag gelet op de inhoud van het proces-verbaal, waaruit die vraag niet kan volgen. Hetzelfde geldt voor de in het middel ingenomen stelling dat "van enige vorm van verdediging" van verzoeker "geen sprake" is geweest; uit het proces-verbaal volgt namelijk dat verzoeker dat onomstotelijk wel heeft gedaan.


3.3. Kortom: nu het hof verzoekers opmerkingen ter zitting niet als een verzoek om rechtsbijstand heeft behoeven op te vatten, is van enige schending van de in het middel genoemde bepalingen geen sprake.


3.4. Het middel treft dus geen doel.


4. Het tweede middel berust ten eerste op de stelling dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven aan het de tenlastelegging voorkomende bestanddeel "teeltmateriaal" als bedoeld in de Zaaizaad- en Plantgoedwet. De uiteindelijke "feitelijke bestemming van de aardappelen" zou daarvoor "bepalend" zijn; niet bepalend is volgens de steller van het middel de aanduiding of vermelding van "pootaardappelen" op de facturen of (op papieren) in de boekhouding, dan wel een (op papier gestelde) klassenaanduiding of rubriekcode. De verkoper kan deze bestemming niet aan een aardappel geven. Dat kan alleen maar de uiteindelijke koper. Ik begrijp het middel aldus dat de uiteindelijke bestemming van een aardappel een pootaardappel of bijvoorbeeld een consumptieaardappel maakt. Wordt de aardappel daadwerkelijk gepoot dan is het een pootaardappel, wordt hij opgegeten dan is het een consumptieaardappel. In de aanvulling op het tweede middel stelt de advocaat nog dat alleen een gecertificeerde aardappel feitelijk als pootaardappel mag worden gebruikt.


4.1. Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat:


"hij in of omstreeks de periode van 1 december 1994 tot en met 30 november 1995, althans in of omstreeks het tijdvak omvattende het jaar 1994 en het jaar 1995, te Finkum, (althans) in de gemeente Leeuwarderadeel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, al dan niet opzettelijk een hoeveelheid teeltmateriaal, te weten (pootgoed)aardappelen (behorende tot de rassen Frieslander en/of Nicola en/of Bildtstar en/of Ukama en/of Premiere), zijnde een ras behorend tot de krachtens artikel 87 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet aangewezen landbouwgewassen, in het verkeer heeft gebracht en/of verder heeft verhandeld en/of uitgevoerd, terwijl dat teeltmateriaal telkens geen gecertificeerd pootgoed, als bedoeld in artikel 1 onder 2 sub E van het Besluit categorieën teeltmateriaal was".


4.2. Hiervan heeft het hof bewezenverklaard dat:


"hij in de periode van 1 december 1994 tot en met 30 november 1995, te Finkum, in de gemeente Leeuwarderadeel, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk een hoeveelheid teeltmateriaal, te weten pootgoedaardappelen (behorende tot de rassen Frieslander en/of Nicola en/of Bildtstar en/of Ukama en/of Premiere), zijnde een ras behorend tot de krachtens artikel 87 van de Zaaizaad- en Plantgoedwet aangewezen landbouwgewassen, in het verkeer heeft gebracht of verder heeft verhandeld terwijl dat teeltmateriaal telkens geen gecertificeerd pootgoed, als bedoeld in artikel 1 onder 2 sub E van het Besluit categorieën teeltmateriaal was".


4.3. De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde wettelijke bepalingen houden achtereenvolgens het volgende in:


(i) Art. 2 (oud) Zaaizaad- en Plantgoedwet (Stb. 1966,455), hierna aangeduid als:


ZPW,- zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging - is een definitiebepaling, welke onder meer omschrijft:


"teeltmateriaal": planten en plantedelen, welke bestemd zijn om door middel van uitplant, uitzaai of op andere wijze voor de teelt van gewassen te dienen".


(ii) Art. 84 lid 1 ZPW luidt als volgt:


"Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, welke categorieën teeltmateriaal van rassen behorende tot een krachtens artikel 87 aangewezen landbouwgewas, in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd mogen worden.


(iii) In art. 87 lid 1 ZPW is het volgende bepaald:


"Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van een cultuurgewas worden bepaald, dat het bedrijfsmatig voortbrengen, bewaren en bewerken, anders dan voor gebruik in eigen bedrijf, en het bedrijfsmatig in het verkeer brengen, verder verhandelen, invoeren, uitvoeren en ten uitvoer aanbieden van teelmateriaal dan wel het bedrijfsmatig doen verrichten van deze handelingen uitsluitend is toegestaan aan hem, die is aangesloten bij een in de algemene maatregel van bestuur voor dat cultuurgewas aanwezen keuringsinstelling".


Het Aansluitingsbesluit NAK (Stb. 1990, 596) vormt de in art. 87 ZPW aangekondigde AmvB. Het regelt de aanwijzing van de cultuurgewassen ten aanzien waarvan de genoemde bedrijfsmatige verrichtingen zijn voorbehouden aan degenen die bij de NAK zijn aangesloten.


(iv) Art. 1 Aansluitingsbesluit NAK luidt als volgt:


"1. Het bedrijfsmatig voortbrengen, bewaren en bewerken van teelmateriaal van de in het tweede en derde lid genoemde gewassen, anders dan voor gebruik in eigen bedrijf alsmede het doen verrichten van deze handelingen, is slechts toegestaan aan hem, die is aangesloten bij de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen, gevestigd in Ede, hierna te noemen NAK.

2. De in het eerste lid bedoelde landbouwgewassen zijn de gewassen waarvoor een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen ingevolge art. 1 van de Richtlijn 70/457/EEG, betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen van de Raad van Europese Gemeenschappen van 29 september 1970 (PbEG L 125) bestaat.

3. (....)."


(v) In art. 1 van de Richtlijn 70/457/EEG, betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen van de Raad van Europese Gemeenschappen van 29 september 1970 (PbEG L 125) is, - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende neergelegd:


"1. Deze richtlijn heeft betrekking op de opneming van rassen van (...) aardappelen (...) in een gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen waarvan het (...) pootgoed in de handel mag worden gebracht volgens de bepalingen van de Richtlijn van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van (...) pootgoedaardappelen (...).


2. De gemeenschappelijke rassenlijst wordt opgesteld op basis van de rassenlijsten der Lid-Staten".


(vi) Het Besluit bindende rassenlijst landbouwgewassen (Stb. 1971, 758) houdt onder

art. 1 het volgende in:


"1. Van de in het tweede lid genoemde landbouwgewassen, mag uitsluitend teeltmateriaal van rassen of andere groepen van planten, welke op de rassenlijst zijn geplaatst, in het verkeer worden gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd worden.

2. De in het eerste lid bedoelde landbouwgewassen zijn die, welke zijn vermeld in artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn van de Raad van Ministers van De Europese Gemeenschappen van 29 september 1970 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen (PbEG L 225)" (lees - in verband met een kennelijke verschrijving -: (PbEG L 125); A.M.).


Aardappelen zijn dus een gewas dat valt onder de werkingssfeer van het Aansluitingsbesluit NAK en aldus een landbouwgewas dat op de voet van art. 87 ZPW is aangewezen. Daarmee is de aardappel een landbouwgewas waarop de AmvB waarvan art. 84 ZPW spreekt betrekking kan hebben.

Het Besluit Categorieën Teeltmateriaal (Stb. 1983, 598) is die AMvB. Het Besluit Categorieën Teeltmateriaal wijst aan welk teeltmateriaal van aardappelen in het verkeer mag worden gebracht, worden verhandeld en worden uitgevoerd.


(vii) In art. 2 van dat Besluit - zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging - is het volgende neergelegd:


1. Van rassen, behorende tot de krachtens artikel 87 van de wet aangewezen landbouwgewassen mogen, onverminderd de ter zake krachtens artikel 91 van die wet gegeven voorschriften, uitsluitend de volgende categorieën teeltmateriaal in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd worden:


a. prebasiszaad;

b. basiszaad onderscheidenlijk basispootgoed;

c. gecertificeerd zaad onderscheidenlijk gecertificeerd pootgoed.


2. Van groenvoedergewassen mag, zolang Onze Minister van Landbouw en Visserij of het Produktschap voor Landbouwzaaizaden niet het tegendeel bepaalt, bovendien handelszaad in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd worden.

3. Onze Minister van Landbouw en Visserij of het Produktschap voor Landbouwzaaizaden kan bepalen, dat andere dan de in het eerste lid genoemde categorieën teeltmateriaal in het verkeer gebracht, verder verhandeld en uitgevoerd mogen worden.

4. Onze Minister van Landbouw en Visserij oefent de hem bij het tweede en derde lid gegeven bevoegdheden slechts uit, voor zover het Produktschap voor Landbouwzaaizaden ter zake geen voorziening treft.


(viii) In art. 1 onder E van het Besluit Categorieën Teeltmateriaal - zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging (Stb. 1993, 776) - is tot slot nog de volgende definitie van "gecertificeerd pootgoed" neergelegd, als zijnde:


"knollen van een aardappel die

a. rechtstreeks afkomstig zijn van basispootgoed, van gecertificeerd pootgoed of van pootgoed van een aan het basispootgoed voorafgaand stadium, waarvan is gebleken dat het aan de eisen voor basispootgoed voldoet;

b. vooral bestemd zijn voor de voortbrenging van andere aardappelen dan pootaardappelen en

c. zijn goedgekeurd door de N.A.K. als gecertificeerd pootgoed en ten bewijze daarvan zijn gewaarmerkt."


4.4.1. De wetsgeschiedenis van art. 2 ZPW houdt ten aanzien van het begrip "teelmateriaal' het volgende in:


"De regelingen, welke het onderhavige ontwerp geeft, hebben betrekking op teeltmateriaal. Hieronder worden blijkens het eerste lid van dit artikel(4) verstaan de planten en plantedelen, welke bestemd zijn om door middel van uitplant, uitzaai of op andere wijze voor de teelt van gewassen te dienen, zoals de jonge planten, bewortelde stekken, bollen en knollen, welke worden uitgeplant, het zaaizaad, dat uitgezaaid, en het ent- en oculatiehout, dat op andere wijze aangewend wordt om voor de teelt van nieuwe planten te dienen.

Onder teeltmateriaal wordt in het ontwerp derhalve niet begrepen het materiaal, dat wel voor de teelt kan worden aangewend, bv. consumptiemateriaal van aardappelen, granen en peulvruchten, maar uitsluitend dat materiaal, dat de bestemming gekregen heeft om voor de teelt te worden gebezigd. Deze bestemming zal uit de feitelijke omstandigheden moeten worden afgeleid. Zij kan blijken uit de omschrijving bij het verhandelen, uit de prijs, de sortering of de verpakking dan wel uit andere uiterlijke omstandigheden."


4.4.2. Uit de hiervoor weergegeven wetgeschiedenis volgt dat onder het begrip "teeltmateriaal" als bedoeld de ZPW moet worden begrepen planten en plantedelen, die bestemd zijn om door middel van uitplant, uitzaai of op andere wijze voor de teelt van gewassen te dienen, waarbij die bestemming uit de feitelijke, waaronder de uiterlijke, omstandigheden van - onder meer - de handel in dat teeltmateriaal dient te worden afgeleid.


4.3. Anders dan de steller van het middel meent, is voor de bestemming "teeltmateriaal" dus niet slechts bepalend (indien bewijsbaar) de uiteindelijke "feitelijke bestemming van de aardappelen", maar ook de feitelijke, uiterlijke, omstandigheden zoals de aanduiding of vermelding van "pootaardappelen" op de facturen en op papieren in de boekhouding, evenals op papier gestelde klassenaanduidingen(5) en de prijs die voor de aardappelen wordt betaald. Reeds hierom faalt de eerste rechtsklacht in het middel. Nu ook overigens uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, gelet op de daarin telkens terugkerende vermelding van "pootgoedaardappelen" in de inbeslaggenomen boeken van afnemers van verzoeker, in samenhang beschouwd met de daarmee samenhangende klassenaanduiding "A" en/of de codeaanduiding "8143", telkens kan volgen dat verzoekers handelen betrekking heeft op "pootgoedaardappelen", heeft het hof geen onjuiste uitleg gegeven aan het in de tenlastelegging voorkomende bestanddeel "teeltmateriaal" als bedoeld in de Zaaizaad- en Plantgoedwet.


4.4. De tweede rechtsklacht in het middel berust - naar ik begrijp - op de stelling dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven aan het in de tenlastelegging voorkomende woord "pootgoedaardappelen", nu "het bestemmen van een [moeder]knol tot pootgoedaardappel" "via de ATR-regeling uitsluitend [is] toegestaan als die [moeder]knol van een NAK-certificaat is voorzien". Deze klacht gaat eraan voorbij dat de tenlastelegging en bewezenverklaring - juist - betrekking hebben op de omstandigheid dat verzoeker "teeltmateriaal, te weten (pootgoed)aardappelen (...)" in het verkeer heeft gebracht of verder heeft verhandeld wat "telkens geen gecertificeerd (onderstreping door mij; A.M.) pootgoed, als bedoeld in artikel 1 onder 2 sub E van het Besluit categorieën teeltmateriaal was", met dien verstande dat het hof "pootgoedaardappelen" heeft bewezenverklaard. Dat "ieder boer en handelaar [weet] dat de knollen niet de status van pootgoed hebben" wanneer "het certificaat ontbreekt", doet hier juridisch beschouwd niet aan af, maar is ook feitelijk onjuist. Iedere boer en handelaar weet immers in zodanig geval dat de aardappelknollen niet de (juridische) status van gecertificeerd pootgoed hebben, hetgeen vanzelfsprekend niet van invloed is, althans niet behoeft te zijn, op de (feitelijke) bestemming van de aardappel als pootgoed.

Tot slot wijs ik op de ongerijmde consequenties waartoe de opvatting van de steller van het middel kan voeren. Als de uiteindelijke bestemming die de eindgebruiker aan de aardappel geeft beslissend is voor toekenning van de kwalificatie 'pootaardappel' zou een verbod op het verhandelen, in het verkeer brengen en uitvoeren van ongecertificeerd pootgoed nauwelijks zin hebben. In het stadium vóór de eindgebruiker zal de status van de aardappel immers onzeker zijn omdat de uiteindelijke bestemming nog niet kenbaar is. Een aardappel wordt pas een pootaardappel als hij is aanbeland bij de uiteindelijke gebruiker die hem als pootaardappel gebruikt, daarvóór bestaat slechts een multifunctionele aardappel die nog alle kanten uitkan. Een systeem waarin de handelaar alleen strafbaar is als bewezen kan worden dat hij zeker wist dat de eindgebruiker de ongecertificeerde aardappel zou poten en dat die aardappel inderdaad is gepoot doet het door de wetgever gewenste niveau van kwaliteitsbewaking ineenschrompelen tot een onaanvaardbaar niveau.


4.5. Het tweede middel faalt dus eveneens.


5. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.


De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,


1 Deze zaak hangt samen met gr. nr. 02714/00 P-E, waarin ik eveneens heden concludeer.

2 Zie de noot van G.E.M. op HR NJ 1978, 213, waarin Mulder de - door mij onderschreven - stelling heeft ingenomen dat het niet vaak zal voorkomen dat een verdachte "buiten zijn schuld onkundig is van zijn toevoegingsmogelijkheden, hetgeen uitzondering zou kunnen lijden wanneer de dagvaarding niet in persoon is uitgereikt en de verdachte deze pas op het laatste nippertje in handen heeft gekregen. Als gezegd, is hiervan in casu geen sprake.

3 Zulks komt voor verzoekers eigen rekening. Vgl. HR NJ 1999, 330.

4 In het wetsontwerp was nog sprake van een artikel 2 ZPW met vier leden; de definitie van "teeltmateriaal", neergelegd in lid 1 ZPW, is gehandhaafd gebleven in het uiteindelijke art. 2 ZPW.

5 De NAK hanteert klassenaanduidingen S, SE, E, A, B en C voor pootaardappelen die door de NAK zijn goedgekeurd en gecertificeerd (bewijsmiddel H.).