Parket bij de Hoge Raad, 12-06-2001 / 02780/00


ECLI:NL:PHR:2001:AB2064

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2001-06-12
Publicatiedatum
2002-07-22
Zaaknummer
02780/00
Rechtsgebied
Strafrecht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JOL 2001, 385
  • NJ 2001, 696 met annotatie van J. de Hullu
Conclusie

Nr. 02780/00

Mr Machielse

Zitting: 13 maart 2001


Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]


Edelhoogachtbaar College,


1. Bij arrest van 11 februari 2000 is verzoeker door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 25 juni 1998 van de arrondissementsrechtbank te 's- Hertogenbosch, waarbij verzoeker is vrijgesproken van het onder 2. tenlastegelegde en veroordeeld ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid aanhef en sub a onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" tot een gevangenisstraf van 15 maanden.


2. Namens verzoeker hebben mrs. J.M. Sjöcrona en D.V.A. Brouwer, beiden advocaat te 's Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.


3.1. Het middel bevat de klacht dat het hof de niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn hoger beroep op ontoereikende wijze heeft gemotiveerd.


3.2.1. Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2000 heeft de raadsman van verzoeker aldaar het volgende verklaard:


"Door de verantwoordelijkheid (voor het tijdig instellen van het hoger beroep, AM) bij de raadsman te leggen krijgt hij er een publiekrechtelijke taak bij, welke niet bij hem thuishoort. Het is de verantwoordelijkheid van de overheid; de overheid had de uitspraak aan de verdachte moeten betekenen. Het is in strijd met artikel 6 EVRM de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te verklaren als hij niet binnen veertien dagen na de uitspraak hoger beroep instelt, omdat hij niet is verschenen en afstand heeft gedaan van de termijn van betekening van de oproeping. Dat de raadsman wel ter terechtzitting aanwezig was, houdt nog niet in dat de raadsman de verdachte de uitspraak heeft medegedeeld en dat, indien niet binnen veertien dagen hoger beroep is ingesteld, de verdachte daarmee afstand heeft gedaan van zijn recht in hoger beroep te gaan.

Ik verwijs naar het arrest van de Hoge Raad, 23 januari 1979, NJ 79, 307: het moet worden voorkomen dat de verdachte ten gevolge van omstandigheden waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld, de mogelijkheid zou worden ontnomen in hoger beroep te komen. De verdachte verkeerde in die tijd in een psychose. Alles wat er gebeurde ging langs hem heen. Ik verwijs voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 7 april 1998, NJ 98, 577: de verdachte, die te laat appel had ingesteld is toch ontvankelijk verklaard vanwege de psychische gesteldheid van die verdachte.

Om in hoger beroep te gaan moet de advocaat de toestemming van de verdachte hebben. Hij heeft geen zelfstandige taak daarin. De gevolgen van het niet door de advocaat instellen van hoger beroep mogen niet aan de verdachte worden toegerekend en de verdachte moet derhalve alsnog ontvankelijk in zijn hoger beroep worden verklaard.

De raadsman in eerste aanleg heeft inderdaad kennelijk verzuimd met de uitspraak naar de verdachte te gaan om te overleggen of hoger beroep moest worden ingesteld. Dat kan echter niet aan de verdachte, die in een volstrekt psychotische toestand verkeerde, worden toegerekend.

Ik vraag het hof de verdachte ontvankelijk in zijn hoger beroep te verklaren en een nadere datum voor de behandeling te bepalen."


Hierna heeft de Advocaat-Generaal gerepliceerd dat zij ervan uitgaat dat tussen verdachte en zijn advocaat, gelet op de wijze van verdediging, overleg is geweest.


3.2.2. Het hof heeft in het arrest met betrekking tot de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn hoger beroep het volgende overwogen:


"De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Volgens artikel 408, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet in een geval als het onderhavige het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van de eerste rechter.

Nu het hoger beroep pas na het verstrijken van die termijn, immers eerst op 10 september 1999 is ingesteld, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen."


3.3. Het middel klaagt erover dat het hof in het midden heeft gelaten of de psychische gesteldheid van verdachte een omstandigheid oplevert die het te laat instellen van het rechtsmiddel verontschuldigt. 's Hofs overwegingen houden omtrent het daarover ter terechtzitting aangevoerde inderdaad niets in. Het middel is in zoverre dan ook terecht voorgesteld(1). Maar naar mijn mening behoeft dit verzuim niet tot cassatie te leiden.


3.4.1. Een korte uiteenzetting over de feitelijke gang van zaken zoals die uit de stukken blijkt is daarvoor van belang.


3.4.2. De berechting van verzoeker in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op meerdere terechtzittingen, respectievelijk 21 oktober 1997, 8 januari 1998, 19 maart 1998 en 11 juni 1998, waarbij op iedere terechtzitting het onderzoek opnieuw is aangevangen vanwege de gewijzigde samenstelling van de rechtbank. Op 25 juni 1998 is het vonnis uitgesproken. Op 21 oktober 1997 en 8 januari 1998 is verdachte telkens verschenen, de laatste maal in het gezelschap van zijn raadsman. Op 19 maart 1998 is verdachtes advocaat wel verschenen, maar verdachte niet. De advocaat heeft als reden voor de afwezigheid van verdachte opgegeven dat verdachte in het ziekenhuis was opgenomen omdat hij een hoeveelheid chloor had gedronken. Het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 1998 werd aangehouden voor onbepaalde tijd.


3.4.3. De akte van uitreiking die aan het dubbel van de oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 1998 is gehecht, houdt in dat deze aan verzoeker op 8 juni 1998 in persoon is uitgereikt. De akte houdt tevens in dat verzoeker akkoord is gegaan met de verkorte dagvaardingstermijn. Tevens is aan de dubbel van de oproeping een akte gehecht die inhoudt dat verzoeker afstand heeft gedaan van het recht om aanwezig te zijn bij het onderzoek ter terechtzitting. Op grond van het voorgaande, in verbinding met artikel 408, eerste lid onder a Sv (oud), moest verzoeker binnen veertien dagen na de einduitspraak hoger beroep (doen) instellen(2).


3.4.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 juni 1998 houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.


De verdachte, genaamd:


[..],

(...)

thans verblijvende in het St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg.

is niet verschenen.


Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T.F.J. van Oorschot, advocaat te Boxtel.(...)

De voorzitter deelt mede dat verdachte op de bij de wet voorschreven wijze voor deze terechtzitting is opgeroepen.(...)


De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij legt een schrijven omtrent verdachte van Psychiatrisch Ziekenhuis Reinier van Arkel aan de rechtbank over. (Dit schrijven wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.)

Aan de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken."


3.4.5. Bedoelde bijlage bij het proces-verbaal houdt onder meer in:

"[Verdachte] is sinds 20-03-1998 bij ons in zorg wegens een psychose tijdens lichamelijke ziekte."


3.5. Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker in eerste aanleg was voorzien van rechtskundige bijstand. Zijn toenmalige raadsman heeft in de psychische toestand van verzoeker geen aanleiding gezien om hetzij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting hetzij schorsing van de vervolging te verzoeken (art. 16 Sv), hetzij de rechtbank te verzoeken art. 509a Sv toe te passen, terwijl hij klaarblijkelijk wel in staat was om inhoudelijk de verdediging te voeren.


3.6. De huidige Titel IIA van het Vierde Boek van het Wetboek van strafvordering, inhoudende regels voor de berechting van verdachten bij wie een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed, heeft zijn wortels in een voorstel dat op 29 maart 1911 is ingediend. De mogelijkheid van een bijzondere rechtspleging voor de geestelijk gestoorde verdachte berustte op de volgende argumenten:


Eenerzijds behoort toch buiten allen twijfel te worden gesteld, of en welke handelingsbevoegdheid hun in het geding toekomt, anderzijds dient voor de belangen van degenen onder hen, welke tengevolgen van hun lijden buiten staat zijn die zonder bijstand zelf naar behooren te behartigen te worden gewaakt.(3)


Vandaar dat een parallel wordt getrokken met de berechting van jeugdigen en dat art. 509d lid 1 Sv een aantal bepalingen van die regeling van overeenkomstige toepassing verklaart. De rechter kan een beslissing van art. 509a lid 1 Sv op elk moment van het geding geven:


De beslissing bij het eerste lid van art. 227a (thans art. 509a Sv, AM) bedoeld zal ingevolge het imperatieve voorschrift van dat lid, in elken stand der zaak moeten worden gegeven, dus zelfs bij de einduitspraak of bij een buitenvervolgingstelling op grond van afwezigheid van het recht tot strafvordering. Dit is van belang met het oog op de rechtsmiddelen.(4)


Blok/Besier benadrukt dat art. 509a Sv een verplichting aan de rechter oplegt wanneer het vermoeden bestaat dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens en daarom niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen.(5) De advocaat kan het nemen van die beslissing door een daartoe strekkend verzoek uitlokken. Daardoor kan de advocaat bewerkstelligen dat aan hem alle bevoegdheden toekomen die ook aan verdachte toekomen, zoals het instellen van een rechtsmiddel (art. 509d lid 3 Sv). Art. 509a Sv is volgens Blok/Besier de pendant van art. 16 Sv dat de rechter verplicht om de vervolging te schorsen wanneer de verdachte na het begaan van het feit krankzinnig is geworden.(6) In een beschikking van 5 februari 1980 in het Mentenproces heeft de Hoge Raad evenwel een onderscheid gemaakt in die zin dat onder krankzinnigheid in art. 16 Sv is te verstaan een geestestoestand die verdachte verhindert de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging te begrijpen, terwijl de geestestoestand waarop art. 509a Sv ziet de verdachte niet in staat stelt zijn belangen behoorlijk te behartigen.(7)

Wat daarvan zij, de wetgever heeft een rechtsgang geschapen, mede "met het oog op de rechtsmiddelen", waardoor de belangen van de psychisch gestoorde verdachte naar beste vermogen zouden kunnen worden gediend.

Wat betreft het instellen van rechtsmiddelen geldt dat de wet bepaalt in welke gevallen en binnen welke termijn tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld; die termijnen zijn van openbare orde.(8) Voor de rechtszekerheid in al haar facetten is het van belang dat duidelijkheid bestaat over de beantwoording van de vraag of een uitspraak onherroepelijk is of niet. Die duidelijkheid kan bestaan als er handzame criteria voorhanden zijn waaraan getoetst kan worden of nog een rechtsmiddel kan worden aangewend. Een duidelijke toetssteen is natuurlijk de termijn waarbinnen een rechtsmiddel moet worden aangewend als de verdachte geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van de dag van de uitspraak. Het komt mij voor dat zoveel mogelijk moet worden vermeden dat achteraf alsnog de onherroepelijkheid van een uitspraak, vastgesteld door hantering van een duidelijk criterium, daaraan wordt ontnomen. Voor de rechtspraktijk zou het bijzonder bezwaarlijk zijn als de mogelijkheid wordt geboden om ruimschoots de regels te passeren die op de onherroepelijkheid van beslissingen betrekking hebben doordat nadien omstandigheden worden aangevoerd die ten tijde van de uitspraak en van de rechtsmiddelentermijn aanwezig zouden zijn geweest en met zich zouden brengen dat de rechtsmiddelentermijn, in tegenstelling tot wat de wet letterlijk daarover bepaalt, (als)nog door zou lopen.

Ik realiseer mij meteen dat de grenzen van deze praktische bezwaren daar lijken te liggen waar de betekenis van de uitgereikte inleidende dagvaarding of oproeping niet tot de verdachte is doorgedrongen ten gevolge van een hem niet toe te rekenen geestesgesteldheid, waardoor het verzuim om tijdig hoger beroep in te stellen hem niet kan worden aangerekend. Aldus de Hoge Raad in HR NJ 1998, 577. Mijn ambtgenoot mr Fokkens concludeerde in die zaak in gelijke zin, waarbij hij onder nr. 7 sprak van "het uitzonderlijke geval dat een verdachte zonder raadsman (mijn onderstreping, AM) een dagvaarding krijgt uitgereikt waarvan hij als gevolg van zijn psychische stoornis de betekenis niet begrijpt".

Ik meen dat de situatie waarop het zojuist genoemde arrest doelt verschilt van de onderhavige. In deze zaak is de verdediging gevoerd door een advocaat. De advocaat heeft de rechtbank - klaarblijkelijk in overleg met verdachte - gevraagd getuigen op te doen roepen (21 oktober 1997), heeft in aanwezigheid van verdachte op 8 januari 1998 het woord gevoerd, heeft op 19 maart 1998 uitstel gevraagd vanwege de (lichamelijke) toestand van verdachte waarvan de advocaat zich klaarblijkelijk op de hoogte had gesteld, en heeft tenslotte op 11 juni 1998 het woord ter verdediging gevoerd en aan de rechtbank overgelegd een verklaring van psychiaters van het psychiatrisch ziekenhuis Reinier van Arkel, inhoudende dat verdachtes toestand werd gekenmerkt door een psychose tijdens lichamelijke ziekte. De advocaat heeft niet om toepassing van art. 16 Sv of van art. 509a Sv verzocht. Het komt mij voor dat het van beiden één is. Of de advocaat beroept zich vanuit zijn ervaringen met zijn cliënt wél op een van beide bepalingen, waarna de rechter een onderzoek zal kunnen instellen dat ertoe zal kunnen leiden dat aan de advocaat alle bevoegdheden worden toegekend die ook de verdachte heeft, of de advocaat laat zo een verzoek tot toepassing na, waaruit dan valt af te leiden dat op dat moment naar de mening van de advocaat het inroepen van een bijzondere regeling met het oog op de behartiging van de belangen van verdachte niet nodig is. Behoudens zeer sterke aanwijzingen voor het tegendeel zal de rechter zich bij die klaarblijkelijke opvatting hebben neer te leggen. Als art. 509a Sv niet tot toepassing komt zal ervan uit mogen worden gegaan dat zich de toestand van art. 509a Sv, welk artikel ook uitdrukkelijk door de wetgever is voorzien om de belangen van de verdachte met het oog op het instellen van rechtsmiddelen te behartigen, niet voordoet. Zo een standpunt strookt ook met eisen van rechtszekerheid, die nopen tot het zo vroegtijdig mogelijk scheppen van duidelijkheid over de onherroepelijkheid van rechterlijke uitspraken. Als de advocaat tot het oordeel komt dat de geestestoestand van zijn cliënt deze niet toelaat beslissingen te nemen in verband met de rechtszaak die tegen hem dient ligt het op zijn weg die belangenbehartiging te waarborgen door direkt een verzoek tot toepassing van art. 509a Sv te doen bij de rechtervoor wie de zaak dient. Verzuimt de advocaat dat dan is een beroep op die reeds eerder bestaande en kenbare geestestoestand in een later stadium naar mijn oordeel tardief.

Ik wijs in dit verband op HR NJ 1986, 684, waarin het hof had geoordeeld dat het verzuim van de raadsman om tijdig een rechtsmiddel in te stellen voor rekening van verdachte komt. Volgens de Hoge Raad was het verweer strekkende tot ontvankelijkverklaring van het - te laat ingestelde - hoger beroep terecht verworpen. Weliswaar is de onderhavige casus niet identiek met die in opgemeld arrest, maar een verregaande parallellie is wel te ontwaren. Ook in de onderhavige zaak gaat het om een te laat instellen van een rechtsmiddel hetgeen voorkomen had kunnen worden als de advocaat in eerste aanleg die maatregelen had genomen die de advocaten in hoger beroep en in cassatie kennelijk nodig oordeelden.(9)

Voor de situatie dat een verdachte niet wordt bijgestaan door een advocaat geldt de opvatting neergelegd in HR NJ 1998, 577.


3.7. Gelet op de systematiek van de wetgeving en op de eisen van rechtszekerheid enerzijds, de behartiging van de belangen van de gestoorde verdachte anderzijds zou ik dus de volgende situaties willen onderscheiden;


1. de verdachte is voorzien van rechtskundige bijstand en de advocaat voert aan dat verdachte vanwege een geestesstoornis niet in staat is de strekking van de vervolging te begrijpen of om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. De rechter zal dan hebben na te gaan of zich de situatie van art. 16 Sv of van art. 509a Sv voordoet;


2. de verdachte is niet voorzien van rechtskundige bijstand en na de eerste instantie - én na het verlopen van de appeltermijn - wordt aangevoerd dat verdachte vanwege een geestesstoornis niet in staat is geweest de strekking van de vervolging te begrijpen of om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Alsdan zal de appelrechter naar die bewering een onderzoek hebben in te stellen en bij gegrondbevinding verdachte alsnog ontvankelijk moeten verklaren in zijn appel;


3. de verdachte is wél voorzien van rechtskundige bijstand, maar de advocaat doet geen beroep op art. 16 Sv of op art. 509a Sv. Vervolgens wordt na de eerste instantie - én na het verlopen van de appeltermijn - aangevoerd dat verdachte vanwege een geestesstoornis niet in staat is geweest de strekking van de vervolging te begrijpen of om zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Gelet op de bedoeling van de wetgever zal in dergelijke gevallen waarin de situatie waarin verdachte verkeerde voor de advocaat kenbaar was, deze van de hem wettelijk geboden wegen gebruik moeten maken. Verzuimt de advocaat dit dan geldt de normale rechtsmiddelenregeling.


3.8. Naar mijn mening speelt bij de onderhavige kwestie ook een zekere rol dat de raadsman tot taak heeft om de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen(11). Dat wordt ook tot uitdrukking gebracht in artikel 46 van de Advocatenwet, waarin wordt voorgeschreven dat "een advocaat zorg moet dragen voor de behartiging der toevertrouwde belangen en moet handelen overeenkomstig hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt", nader uitgewerkt in de Gedragsregels van de Nederlandse Orde van Advocaten(12).


3.9. Ook speelt een rol dat het wél instellen van het rechtsmiddel níet irreversibel is; intrekking is nog mogelijk tot het moment van aanvang van behandeling van het beroep, artikel 453, eerste lid Sv. Door - ondanks het ontbreken van een bepaalde volmacht van de verdachte - toch een rechtsmiddel in te stellen en vervolgens art. 509a Sv in te roepen wordt de verdachte op geen enkele wijze in zijn belangen geschaad, in tegendeel(15).


3.12. Overigens ben ik van mening dat de wijze waarop de stellers van het middel de regeling van de uitdrukkelijke machtiging van artikel 450 Sv willen toepassen niet tot voordeel van de verdachte strekt, terwijl die regeling juist wel ten gunste van de verdachte behoort te worden toegepast(17).

Voor zover aldus -zoals ter terechtzitting in hoger beroep en in het spoor daarvan ook door de stellers van het middel is betoogd - daarmee aan de raadsman een publieke taak wordt toebedeeld, is dat naar mijn mening onbegrijpelijk. Ik vermag niet in te zien welke taak de advocaat aldus van de overheid moet overnemen. Als de verdachte geestelijk gestoord is en niet voor zijn belangen kan opkomen lijkt het mij juist de taak van de advocaat te zijn ervoor te zorgen dat die belangen toch voldoende aandacht krijgen. Evenmin vermag ik in te zien hoe het mogelijk is dat door een ten behoeve van een verdachte openstaand rechtsmiddel in te stellen de belangen van die verdachte geschaad kunnen worden.


3.13. Zo beschouwd heeft het hof dan ook in het midden kunnen laten of verzoeker indertijd niet heeft kunnen beseffen wat de reikwijdte van de aan hem uitgereikte oproeping was en behoeft het middel niet tot cassatie te leiden, nu naar mijn mening verdachte terecht niet ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep.


4. Volkomen ten overvloede geef ik nog een gedachte weer over het in cassatie gehanteerde systeem dat feitelijke beweringen van de verdediging die de feitenrechter niet heeft weerlegd geacht moeten worden in het midden te zijn gelaten, waarna de Hoge Raad in zijn beschouwingen van de juistheid van die beweringen pleegt uit te gaan. Ik kan mij voorstellen dat een feitelijk aandoende bewering die evenwel tot de bevoegdheid van een deskundige behoort om de zo-even vermelde status te kunnen verkrijgen gedocumenteerd en verantwoord zal moeten worden. Als een advocaat enkel bijvoorbeeld stelt dat zijn cliënt psychotisch is en daarom geen inzicht heeft in de betekenis van de strafvervolging zal de rechter zo een loutere bewering naast zich neer kunnen leggen door te verwijzen naar het ontbreken van enigerlei onderbouwing zonder deze bewering uitdrukkelijk te behoeven weerleggen. Het ontbreken van zo een weerlegging zou naar mijn mening niet tot gevolg mogen hebben dat in het vervolg van de procedure wél van de juistheid van die beweringen zou mogen worden uitgegaan.


5. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.


De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,


1 Vergelijk HR NJ 1998, 577.

2 De inleidende dagvaarding in deze zaak is uitgevaardigd op 22 september 1997, zodat de regeling zoals die gold tot 1 februari 1998 van toepassing is.

3 W 9133, p. 8.

4 W 9822, p. 4. Zie voorts Blok/Besier, Derde Deel, p. 75/76; Ch. Haffmans, De berechting van de psychisch gestoorde delinquent, p. 115 e.v.; Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 3e druk, § 21.3.

5 Blok/Besier, Derde Deel, p. 74.

6 Blok/Besier, Derde Deel, p. 75.

7 HR NJ 1980, 104.

8 HR NJ 1995, 500; HR NJ 1997, 10.

9 Zie ook HR NJ 1997, 63 (civiel request), waarin overschrijding van een beroepstermijn door een advocaat niet verschoonbaar werd geoordeeld.

10 Zie artikel 43 Sv en HR NJ 1998, 784.

11 Zie de Inleidende opmerkingen bij Titel III van Boek I WvSv, T & C Sv., 3e druk.

12 Vademecum KantoorOrganisatie Advocatuur.

13 Vergelijk bijvoorbeeld HR NJ 1999, 500.

14 Zie HR NJ 1986, 648.

15 Vergelijk de uitspraak 1959/107, Mols en Malherbe, 1990: Tuchtrechtspraak voor advocaten: Het laten verstrijken van de appèltermijn heeft verwaarlozing van de belangen van de cliënt tot gevolg en de advocaat had in beroep moeten gaan ook al had hij daar geen uitdrukkelijke opdracht ontvangen. Deze zaak verschilt in die zin van de onderhavige dat de advocaat wíst dat zijn cliënt appèl wilde instellen.

16 Art. 1:234 BW.

17 Vergelijk HR NJ 1965, 129.