Parket bij de Hoge Raad, 09-11-2001 / C99/328HR


ECLI:NL:PHR:2001:ZC3666

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum genomen
2001-11-09
Publicatiedatum
2001-11-12
Zaaknummer
C99/328HR
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie

Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JOL 2001, 654
  • JWB 2001/304
Conclusie

Rolnr.: C99/328

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 11 mei 2001


Conclusie inzake:

[Eiser],

tegen:

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerster 2]

3. [Verweerster 3]

4. [Verweerster 5]

5. [Verweerder 6],

6. De erfgenamen van wijlen [erflaatster]


1. Feiten(1) en procesverloop(2)


1.1 Verweerders in cassatie, [verweerder] c.s., hebben bij koopovereenkomst van 13 mei 1978 aan eiser tot cassatie, [eiser], een boerderij met onder meer opstallen, grasland en water(3) te [woonplaats] verkocht voor een bedrag van ƒ 2.050.000,-.


1.2 In de van deze overeenkomst opgemaakte akte is de bepaling opgenomen dat de betaling van de koopsom zou plaatsvinden bij eigendomsoverdracht in beginsel uiterlijk op 1 september 1978. Voorts was overeengekomen dat indien een der partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig zou blijven bij de uitvoering van de overeenkomst, de overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zou zijn, tenzij de wederpartij alsnog uitvoering van de overeenkomst zou verlangen. Bovendien gold daarbij dat de nalatige koper ten behoeve van de verkoper een zonder nadere ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van twee miljoen gulden verschuldigd zou zijn, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding.


Een deel van het verkochte werd vervolgens, bij notariële akte van 30 juni 1978, in eigendom overgedragen aan [betrokkene A] voor de koopsom van ƒ 617.500,-


1.4 [Eiser] heeft op de overeengekomen datum van 1 september 1978 niet afgenomen.

Bij brief van de voor het transport aangewezen notaris Drapers te Ede van 4 september 1978 werd [eiser] verzocht om op 11 september 1978 te 16.30 uur ten kantore van genoemde notaris mee te werken aan het verlijden van de transportakte. [Eiser] is toen wel verschenen, maar heeft verklaard niet in staat te zijn de restant koopsom op dat moment te betalen. [Eiser] is toen in gebreke gesteld en hem is nog 8 dagen gegund om aan zijn verplichtingen te voldoen. Opgeroepen om op 18 september daaraanvolgend weer ten kantore van de notaris te verschijnen, heeft [eiser] verstek laten gaan.


1.5 Blijkens een daarvan door en ten overstaan van notaris Nagtzaam te De Bilt opgemaakte akte van 21 september 1978 zijn partijen op die datum nader overeengekomen dat [eiser] met ingang van 1 september 1978 over het nog niet betaalde deel van de koopsom van ƒ 1.232.500,- een rente zou vergoeden van 8 % per jaar.

Op verzoek van [eiser] zijn partijen bij die gelegenheid voorts overeengekomen de datum waarop uiterlijk geleverd en betaald zou moeten worden, (wederom) te verplaatsen naar 5 oktober 1978, onder bepaling voorts dat de nalatige partij na 5 oktober 1978 in gebreke is zonder dat enige verdere formaliteit vereist zou zijn.

Bij wege van tegenprestatie voor dit hem verleende uitstel heeft [eiser], tezamen met een derde, tot zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen jegens [verweerder] c.s. in totaal begroot op ƒ 1.500.000,- aan dezen bij genoemde akte het recht van hypotheek verleend op vier percelen grond.


1.6 Op 5 oktober 1978 is [eiser] nalatig gebleven aan het transport mee te werken.

[Verweerder] c.s. hebben in of omstreeks de maand september 1979 het door [eiser] niet afgenomen deel van het verkochte aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten verkocht.


1.7 Door [verweerder] c.s. is, in mindering op het door [eiser] aan hen verschuldigde, het navolgende ontvangen:

In juni 1978, de eerste overeengekomen waarborgsom: ƒ 200.000,-;

Omstreeks de maand juli 1978, de opbrengst van het aan [betrokkene A] verkochte deel: ƒ 617.500,-;

Omstreeks 4 mei 1979, de opbrengst van de verhypothekeerde gronden: ƒ 68.311,74;

Omstreeks 1 oktober 1979, de opbrengst van de aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten verkochte gronden: ƒ 1.327.000,- of daaromtrent.


1.8 Bij exploot van 11 oktober 1978 hebben [verweerder] c.s. [eiser] gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht. Daarbij hebben zij allereerst ontbinding althans ontbonden verklaring van de overeenkomst voor zover niet ten uitvoer gelegd, gevorderd.

Daarnaast hebben [verweerder] c.s. gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van de overeengekomen boete van 2 miljoen gulden.

Het derde deel van de vordering [verweerder] c.s. strekte tot vergoeding van de geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.


1.9 Bij vonnis van 1 oktober 1980 heeft de rechtbank de overeenkomst tussen partijen ontbonden verklaard voor zover deze niet ten uitvoer is gelegd. Voorts heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om een boete van ƒ 50.000,- te betalen aan [verweerder] c.s. Met betrekking tot de door [verweerder] c.s. gevorderde schadevergoeding, nader op te maken bij staat, heeft de rechtbank overwogen dat de schade reeds thans kan worden vastgesteld en [verweerder] c.s. vervolgens in de gelegenheid gesteld hun vordering ter zake gemotiveerd aan de rechtbank voor te leggen, waartoe de stukken in handen van partijen werden gesteld.


1.10 Bij exploot van 1 december 1980 zijn [verweerder] c.s. in hoger beroep gekomen van dit vonnis. [eiser] heeft incidenteel appel ingesteld.

Bij arrest van 3 december 1981 is het incidenteel hoger beroep van [eiser] afgewezen.

Ten aanzien van het principaal appel heeft het hof geoordeeld dat bij matiging van de boete onder meer zoveel mogelijk ermee rekening diende te worden gehouden dat de boete niet lager wordt gesteld dan het bedrag van de schade die [verweerder] c.s. als gevolg van de gedeeltelijke niet-nakoming van de overeenkomst hebben geleden dan wel nog lijden. Het hof heeft de zaak vervolgens naar de rol verwezen om [verweerder] c.s. bij akte in de gelegenheid te stellen een gespecificeerde opgave te doen van de schade, waarbij [eiser] bij antwoordakte zijn standpunt dienaangaande kon uiteenzetten.


1.11 Ingevolge dit arrest hebben [verweerder] c.s. op 28 januari 1982 bij akte een schadeopstelling per 27 december 1981 overgelegd en daarbij enige bescheiden in het geding gebracht.


1.12 Wegens de op 20 januari 1982 uitgesproken faillietverklaring van [eiser] is het geding ingevolge art. 29 Faillissementswet vanaf die dag tot 14 april 1998, de dag waarop de opheffing van het faillissement is bevolen, geschorst geweest.


1.13 Bij akte van 18 februari 1999 hebben [verweerder] c.s. de akte van 28 januari 1982 nogmaals in het geding gebracht. Vervolgens heeft de Koning ook van zijn kant akte gevraagd van een schriftelijke uitlating en een aanvulling daarop.


1.14 Bij arrest van 15 juli 1999 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de boete en [eiser] veroordeeld tot betaling van ƒ 241.201,80 aan boete vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 1978 tot de dag der algehele voldoening, uitvoerbaar bij voorraad.

Het hof heeft de zaak voor het overige naar de rechtbank te Utrecht verwezen om op de hoofdzaak te beslissen.


1.15 [Eiser] heeft tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld tegen het tussenarrest van 29 oktober 1981 en tegen het eindarrest van 15 juli 1999. Daarna hebben partijen hun standpunt schriftelijk toegelicht en heeft [eiser] nog een conclusie van repliek genomen.


Bespreking van het cassatiemiddel


Het middel bestaat uit 18 onderdelen en diverse subonderdelen. Ik zal de onderdelen waar mogelijk per onderwerp behandelen.


2.2 De klachten die in de onderdelen I, II, V onder e, IX en X besloten liggen, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Onderdeel I richt zich tegen rechtsoverweging 6 (pagina 5) van het tussenarrest van 29 oktober 1981 en betoogt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door te overwegen dat het hof ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van de boete de schade [verweerder] c.s. wilde vaststellen. Immers, zo betoogt het middel, partijen hebben niet anders gevorderd dan een mindere matiging van de boete dan de rechtbank heeft toegepast.

Het tweede onderdeel is gericht tegen rechtsoverweging 2.5 en 2.6 van het eindarrest van 15 juli 1999 en klaagt erover dat het hof niet bevoegd was om de omvang van de door [verweerder] c.s. geleden schade te onderzoeken, nu de met de grief aan het hof voorgelegde vraag slechts de omvang van de matiging der boete betrof.

Onderdeel V onder e (slot) bevat de klacht dat het hof de zaak in haar geheel aan zich zou hebben gehouden.

Het negende onderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 2.23 en het tiende onderdeel tegen rechtsoverweging 2.24 van het eindarrest. Beide onderdelen betogen dat ten onrechte is overwogen dat de boete niet verder kan worden gematigd dan de geleden schade. Daarbij verwijzen de onderdelen naar hetgeen daaromtrent is gesteld door [eiser] in de onderdelen I en II.


2.3 Voor zover de onderdelen betogen dat het hof de zaak aan zich heeft gehouden om de hoogte van de door [verweerder] c.s. gevorderde schadevergoeding vast te stellen en de voortzetting van de behandeling bij de rechtbank heeft willen uitsluiten, missen de onderdelen feitelijke grondslag.

Zoals uit de rechtsoverwegingen 2.6, 2.23 en 2.24 van het eindarrest blijkt, heeft het hof bij benadering de hoogte van de schade willen vaststellen om tot een ondergrens voor de matiging van de boete te komen. Het hof heeft geen beslissing genomen over de hoogte van de aan [verweerder] c.s. toe te kennen schadevergoeding, maar de zaak daartoe uitdrukkelijk naar de rechtbank terugverwezen. Overigens stond het het hof vrij de zaak op de voet van art. 356 Rv. aan zich te houden.


2.4 Voor zover de klachten betogen dat het hof ten onrechte de boete in verband heeft gebracht met de hoogte van de door [verweerder] c.s. geleden schade, omdat partijen slechts om matiging van de boete hebben verzocht zonder daarbij de schade aan de orde te stellen, missen de klachten eveneens feitelijke grondslag.

Partijen hebben immers zelf het verband tussen de hoogte van de boete en de hoogte van de geleden schade gelegd.

Zo hebben [verweerder] c.s. in hun memorie van grieven (pagina 5 onder punt 4) gesteld:


"Tijdens de comparitie van partijen en bij akte na comparitie van partijen hebben [verweerder] c.s. aangegeven op welk bedrag naar hun oordeel de boete zou moeten worden vastgesteld ten einde een verdere schadevergoeding te voorkomen; dit bedrag werd door hen gesteld op ƒ 350.000,-. (...)

[Verweerder] c.s. zijn resumerend van oordeel, dat de bevoegdheid bestaat om de boete te matigen, doch dat een matiging niet verder dient plaats te vinden dan (...) ofwel tot het bedrag van ƒ 350.000,-, hetwelk in eerste instantie is genoemd als een bedrag waarbij [verweerder] c.s. van een verdere schadevordering zouden afzien."


[Eiser] heeft in eerste aanleg (conclusie van dupliek) betoogt dat de boete is bepaald ter vervanging van schadevergoeding. In zijn memorie van antwoord (p. 4 onderaan en pagina 5) heeft hij gesteld:


"De boete is gezien als een vorm van schadevergoeding, gelet op de tekst van artikel 11 van het voorlopig koopcontract: '...onverminderd het recht op verdere schadevergoeding.' Appellanten hebben geen schade geleden. Ergo is de rechtsgrond voor de boete in wezen vervallen."


Tussenopmerking.

Bij onderdeel X (blz. 10 onderaan) wordt door [eiser] opgemerkt dat hij zich genoodzaakt ziet cassatieberoep in te stellen omdat het hof de voortzetting van de behandeling voor de rechtbank heeft willen uitsluiten. Indien dit als de enige reden om cassatie in te stellen moet worden opgevat, mist [eiser] daarbij, gelet op het voorgaande, elk belang en kan het principaal beroep reeds op die grond worden verworpen.


2.6 De klachten die besloten liggen in onderdeel III, waarnaar in de onderdelen V onder a en VI wordt verwezen, richten zich tegen rechtsoverweging 2.7 van het eindarrest waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:


"(...) Zoals ook in het tussenarrest overwogen was het [eiser] uiteraard alleen toegestaan zijn standpunt aangaande de schadeopgave van de appellanten uiteen te zetten. Hij heeft echter ook andere beweringen naar voren gebracht, waaronder aanvullingen van eerder gevoerd verweer en zelfs nieuwe weren, waaraan hij een bewijsaanbod heeft verbonden. Aan dit alles moet thans worden voorbij gegaan omdat deze beweringen, waarop [verweerder] c.s. niet hebben kunnen reageren, in dit stadium van het geding ten aanzien van de boetevordering te laat naar voren zijn gebracht. Alleen datgene wat kan worden aangemerkt als uiteenzetting van het standpunt van [eiser] aangaande de schadeopgave van [verweerder] c.s., zal bij de verdere beoordeling in dit hoger beroep worden betrokken."

Volgens de onderdelen heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat bepaalde aanvullingen van eerder door [eiser] aangevoerde beweringen en nieuwe weren buiten beschouwing dienen te blijven omdat deze te laat naar voren zijn gebracht.


2.7 Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is voldoende gemotiveerd. De appelrechter behoeft niet op stellingen die eerst bij akte zijn aangevoerd, in te gaan indien de wederpartij daarop niet meer (voldoende) heeft kunnen reageren of indien die stellingen dwingen tot een onderzoek waarvoor in dat stadium van het geding geen plaats meer is(5).

Daarnaast is met zoveel woorden door het hof in zijn tussenarrest van 3 december 1981 aangegeven met welk doel (en dus inhoud) [eiser] een antwoordakte mocht nemen.


2.8 In onderdeel III onder a wordt nog betoogd dat het hof niet duidelijk heeft aangegeven welke stellingen het buiten beschouwing heeft gelaten.

Dit subonderdeel mist feitelijke grondslag nu het hof een en ander voldoende duidelijk en op begrijpelijke wijze heeft aangegeven. Het hof heeft in algemene bewoordingen geoordeeld welke beweringen het buiten beschouwing zou laten, terwijl het voorts in de slotzin van rechtsoverweging 2.7 heeft overwogen welke uiteenzettingen van [eiser] in de verdere beoordeling zouden worden betrokken. Het hof heeft vervolgens per schadepost opgemerkt welke beweringen buiten beschouwing zijn gelaten vanwege de in rechtsoverweging 2.7 genoemde redenen.


Het vierde onderdeel betoogt de onbegrijpelijkheid van rechtsoverweging 2.8 voor zover wordt overwogen dat post 1 niet zou zijn weersproken.

Volgens het onderdeel blijkt dat de verminderde verkoopopbrengst wel is weersproken, doch niet wordt aangegeven waar of op welke wijze een en ander is geschied.

Indien het onderdeel al mocht voldoen aan art. 407 lid 2 Rv., mist het feitelijke grondslag omdat het hof in rechtsoverweging


2.9 heeft geoordeeld dat en waarom het aan het verweer van [eiser] dat [verweerder] c.s. een schadebeperkingplicht hadden, voorbijgaat. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.


2.10 De klacht die het vijfde onderdeel onder b bevat, richt zich tegen een overweging ten overvloede (laatste zin van 2.9), zodat deze klacht bij gebrek aan belang faalt.


2.11 Het vijfde onderdeel onder c richt zich tegen rechtsoverweging 2.10 en betoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de subposten van post 2 niet zijn weersproken. Daartoe voert [eiser] slechts aan dat dat "implicite in de akte wel is gedaan".

Daarmee voldoet het onderdeel niet aan de eisen die art. 407 lid 2 Rv. aan een middel stelt, zodat het faalt.


2.12 Het vijfde onderdeel onder d klaagt over de onduidelijkheid van rechtsoverweging 2.10 waar het hof overweegt dat [eiser] ten onrechte meent dat de rente niet vanaf 5 oktober 1978 mag worden berekend.

De overweging is echter wel duidelijk: de rente betreft het bedrag minus het bedrag van de waarborgsom van ƒ 200.000,-. Over de boete dient rente te worden berekend vanaf 5 oktober 1978 voor zover deze boete de waarborgsom overtreft. Over het bedrag van de waarborgsom mag geen rente worden berekend.


Het vijfde onderdeel onder e klaagt erover dat het hof niet in aanmerking heeft genomen dat [verweerder] c.s. minder renteschade hebben geleden doordat zij vanaf zekere datum hebben beschikt over de door [eiser] betaalde waarborgsom van ƒ 200.000,- en over de opbrengst van onroerend goed ten bedrage van ƒ 68.312,-.

Voor zover de klacht, gelet op het slot, niet reeds is afgedaan op de hiervoor onder 2.3 vermelde grond, voldoet het niet aan art. 407 lid 2 Rv., waarbij ik erop wijs dat ook de wederpartij heeft moeten gissen wat de klacht nu eigenlijk behelst.


Onderdeel VII richt zich tegen rechtsoverweging 2.15 waarin de bestrijding door [eiser] van post 5 van [verweerder] c.s. wordt verworpen.

In de verkoop van de boerderij was betrokken de verkoop van grasland. In het jaar 1978 heeft [eiser] het genot gehad van dit grasland en heeft hij, zoals hij ter comparitie van 28 november 1979 bij de rechtbank heeft verklaard, over dat jaar de grasgewassen afgevoerd met als netto-opbrengst een bedrag van ƒ 12.000,-. Omdat de koopovereenkomst, voor zover niet nagekomen, per 5 oktober 1978 van rechtswege was ontbonden en bij vonnis ook ontbonden is verklaard en de koopovereenkomst van het grasland niet was nagekomen, had [eiser] met terugwerkende kracht geen recht op de opbrengst van het grasland. Aangezien [eiser] zelf het bedrag van ƒ 12.000,- had genoemd, hebben [verweerder] c.s. terecht dit bedrag als schadepost opgevoerd.

Het oordeel van het hof dat de stelling van [eiser] dat hem het genot van grasgewassen over 1978 was toegezegd omdat hij bereid was het gehele goed te kopen, ondeugdelijk is nu vaststaat dat de koop gedeeltelijk is nagekomen en voor de rest ontbonden, is zo bezien juist en begrijpelijk. Daarop stuit onderdeel VII in zijn geheel af.


Het achtste onderdeel is gericht tegen rechtsoverweging 2.17 en betoogt dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de posten onvoldoende zijn weersproken. Volgens [eiser] heeft hij op pagina 6 in de eerste drie alinea's deze posten betwist.


Het onderdeel gaat aldus uit van een onjuiste lezing van het arrest.

Rechtsoverweging 2.17 handelt in verbinding met rechtsoverweging 2.16 over post 6 "Diverse interne kosten" onder b, terwijl in de antwoordakte op bladzijde 6, eerste drie alinea's post 4 "Diverse externe kosten" wordt bestreden.

Overigens is het oordeel van het hof dat post 6b onvoldoende gemotiveerd is bestreden - welk oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter - volkomen terecht.


Volgens het elfde onderdeel onder a is in rechtsoverweging 2.19 ten onrechte post 7 opgevoerd en in het dictum toegewezen.

Dit subonderdeel voldoet niet aan art. 407 lid 2 Rv.


2.18 Onderdeel XI onder b richt zich tegen rechtsoverweging 2.17 waarin een rentepercentage van 20 wordt gehanteerd. Het subonderdeel betoogt dat dit percentage niet is gevorderd, dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden, dat het onbegrijpelijk is, niet voldoende gemotiveerd en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag nu [verweerder] c.s. dit percentage wel hebben gevorderd in hun schadeopstelling op bladzijde 4, onder 7. [eiser] heeft dit percentage in zijn antwoordakte bovendien niet betwist.


2.19 De onderdelen XII, XIII onder b, XIV en XV nemen alle tot uitgangspunt dat het hof in het dictum van het eindarrest rente heeft toegewezen over schade die is opgekomen na de inleidende dagvaarding.

Dit uitgangspunt is echter onjuist, nu rente is berekend over de boete en niet over schadevergoeding. Hierop stuiten de genoemde onderdelen reeds af.


Onderdeel XIII onder a richt zich nog met een rechtsklacht tegen de slotzin van rechtsoverweging 2.14 waarin het hof post 4b "renteverlies makelaar" heeft beoordeeld.

Het hof heeft in deze slotzin overwogen dat de enkele bewering dat [verweerder] c.s. de aan de makelaar verschuldigde rentevergoeding niet ten laste van [eiser] kunnen brengen, ongenoegzaam is als verweer. Deze beoordeling van hetgeen [eiser] in zijn antwoordakte op dit punt heeft aangevoerd, is echter voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Een dergelijke toets wordt echter door het onderdeel niet gevraagd.


2.21 Onderdeel XVI betoogt dat het hof ten onrechte rente heeft toegewezen. Dit wordt door het onderdeel vervolgens in verband gebracht met de opmerking van [verweerder] c.s. in hun schadeopstelling dat [eiser] te zijner tijd een bedrag van ƒ 270.000,- op de betaling van de boete in mindering kan brengen.

Een en ander houdt mijns inziens geen verband met elkaar. Het hof heeft terecht gevorderde rente toegewezen over de boete. Dat [eiser] genoemd bedrag van het totaal aan boete en rente mag aftrekken, heeft te maken met het feit dat door hem een waarborgsom is betaald en dat er een voor hem positieve opbrengst van een veiling is.


2.22 Volgens onderdeel XVII had het hof [verweerder] c.s. niet ontvankelijk moeten verklaren omdat [verweerder] c.s. in het bezit waren van een executoriale titel.

Het onderdeel faalt omdat het miskent dat het hof de hoogte van de boete diende vast te stellen.


2.23 Onderdeel XVIII betoogt dat ten onrechte een kostenveroordeling is uitgesproken, althans dat de kostenveroordeling zo hoog is nu [eiser] niet in gebreke was tot het betalen van de geleden schade.

Nu [eiser] in overwegende mate door het hof in het ongelijk is gesteld, heeft het hof hem op de voet van art. 56 Rv. in de kosten veroordeeld. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel faalt.


2.24 Nu alle onderdelen en subonderdelen falen, dient het principaal beroep te worden verworpen.


3 Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel


3.1 Het middel richt zich tegen de rechtsoverwegingen 2.10 en 2.12 waarin het hof heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat over de periode van 5 oktober 1978 tot en met 1 oktober 1979 wettelijke rente aan [eiser] was aangezegd en dat derhalve over die periode de rente 8% bedraagt over het bedrag van ƒ 1.232.500,--.

Volgens het middel zijn deze overwegingen onjuist althans onbegrijpelijk omdat [verweerder] c.s. bij inleidende dagvaarding schadevergoeding op te maken bij staat hebben gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de inleidende dagvaarding (11 oktober 1978).


3.2 Het middel treft doel op de daarin genoemde grond.

De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 juli 1999 te vernietigen voor zover [eiser] daarin wordt veroordeeld ter zake van de boetevordering te betalen de somma van ƒ 241.201, 80, en dit bedrag te bepalen op genoemd bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 1.232.500,- van 5 oktober 1978 tot en met 1 oktober 1979, en het arrest voor het overige te bekrachtigen.


4. Conclusie in het principaal en incidenteel beroep


De conclusie strekt

in het principaal beroep: tot verwerping

in het incidenteel beroep:

- tot vernietiging van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 juli 1999 voor zover [eiser] daarin wordt veroordeeld ter zake van de boetevordering aan [verweerder] c.s. te betalen de somma van ƒ 241.201, 80 en

- tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad door het door [eiser] aan [verweerder] c.s. verschuldigde boetebedrag te bepalen op ƒ 241.201, 80, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 1.232.500,- van 5 oktober 1978 tot en met 1 oktober 1979.


De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,


A-G


1 Zie het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 1 oktober 1980, zoals verbeterd bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 oktober 1981.

2 Voor zover in cassatie van belang.

3 Zie voor een exacte omschrijving van het verkochte het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 1 oktober 1980.

4 De dagvaarding is uitgebracht op 12 oktober 1999.

5 HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 m.nt. CHJB; HR 16 december 1994, NJ 1995, 303 m.nt. HER; HR 29 september 1995, NJ 1996, 104; H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, nr. 29 en 32; Veegens/Korthals Altes/Groen, nr. 120, p. 235.