Rechtbank Amsterdam, 29-11-2018 / C/13/656192 / KG RK 18-1738


ECLI:NL:RBAMS:2018:8550

Inhoudsindicatie
Bij tussenbeschikking in een conservatoir beslagverzoek is een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De vraag betreft de nadere uitleg van het Radlingerarrest over de toepasselijkheid van de richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. De vraag luidt kort gezegd als volgt. Hoe dient de cumulatieve werking van meerdere boetebedingen die zijn verbonden aan diverse tekortkomingen van uiteenlopende aard te worden uitgelegd, indien slechts aanspraak wordt gemaakt op één boete uit hoofde van één tekortkoming.
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2018-11-29
Publicatiedatum
2018-12-03
Zaaknummer
C/13/656192 / KG RK 18-1738
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel


nummers C/13/656192 / KG RK 18-1738 FB/CB


Tussenbeschikking van 29 november 2018


in de zaak van


1 [verzoeker1] ,

wonende te [woonplaats1] ,

2. [verzoeker2] ,

wonende te [woonplaats2] ,

verzoekers,

advocaat mr. J.F. Hoff te Zwolle,


tegen


[verweerder] ,

wonende te [woonplaats3] ,

verweerder,

gemachtigde mr. drs. P.N.M. Commandeur.



Partijen zullen hierna [verzoeker] (in enkelvoud) en [verweerder] worden genoemd.



1Verloop van de procedure


1.1.

[verzoeker] heeft op 23 oktober 2018 een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir verhaalsbeslag onder ING Bank N.V. en Universal Studios International B.V. ten laste van [verweerder] ingediend, welk verzoekschrift aan deze beschikking is gehecht.

De voorzieningenrechter heeft op 24 oktober 2018 voorlopig verlof verleend tot het leggen van het verzochte beslag onder de ING Bank, onder vaststelling van het bedrag waarvoor het verlof wordt verleend, met inbegrip van rente en kosten op

€ 15.300,--, en met bepaling dat de voorzieningenrechter ten aanzien van de verzochte beslagen (het gevraagde beslagverlof onder Universal Studios International B.V. betreft een beslag op loon), alvorens definitief te beslissen, partijen zal horen.


1.2.

Partijen zijn gehoord op 15 november 2018. Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder producties overgelegd. Ter zitting hebben partijen een pleitnota overgelegd en hun standpunten nader uiteengezet.

[verzoeker] heeft ter zitting zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij subsidiair verzoekt de vordering te begroten op drie maanden huur (twee maanden achterstallige huur over oktober en november en één maand te verwachten achterstallige huur over de maand december), te vermeerderen met 30% rente en kosten.

Ter zitting waren aanwezig: verzoeker sub 1 met mr. D.F. Fransen en [verweerder] met mr. Comandeur en [XXX] , tolk in de Engelse taal.



2Het verzoek

2.1.

[verzoeker] heeft met ingang van 27 maart 2018 aan [verweerder] verhuurd de gestoffeerde woonruimte met inventaris, staande en gelegen aan [adres] . De huurprijs bedraagt € 1.775,-- per maand.


2.2.

In de tussen partijen gesloten huurovereenkomst is onder artikel 11.5 opgenomen dat het huurder verboden is om het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of in gebruik te geven aan derden. Dit verbod betreft ook de verhuur of ingebruikgeving aan derden via internetsites zoals AirBnB. In artikel 12.4 van de huurovereenkomst is opgenomen dat bij overtreding van dit verbod een direct opeisbare boete van € 10.000,-- verschuldigd is.

[verzoeker] stelt – samengevat – dat [verweerder] het verbod herhaaldelijk heeft overtreden waardoor hij de boete van € 10.000,-- verschuldigd is geworden. Daarnaast heeft [verweerder] de huur voor de maand oktober 2018 onbetaald gelaten.

Omdat [verzoeker] vreest dat [verweerder] , die de Engelse nationaliteit heeft, binnenkort zal (terug)verhuizen naar Engeland, wenst hij tot zekerheid van zijn vordering ten laste van [verweerder] beslag te leggen onder de ING Bank en onder zijn werkgever. Zijn vordering begroot hij, inclusief rente en kosten, op € 15.307,50.



3Het verweer

3.1.

[verweerder] heeft verweer gevoerd.


3.2.

De standpunten van partijen komen, voor zover relevant, hierna aan de orde.



4De beoordeling

Kern van de zaak 4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] op goede gronden beslag heeft doen leggen op het saldo van [verweerder] bij ING Bank N.V. en of het [verzoeker] moet worden toegestaan om ook beslag te leggen op het loon van [verweerder] , alles ter zake van overtreding van het navolgende contractuele verbod, gesanctioneerd met een boetebeding:

“11.5 Het is huurder verboden om het gehuurde geheel of gedeeltelijk onder te verhuren of in gebruik te geven aan derden. Dit verbod betreft ook de verhuur of ingebruikgeving aan derden via internetsites zoals AirBnB. Bij overtreding van dit verbod zijn boetes verschuldigd.


12.4

Onder geen beding is onderverhuur of in gebruik geven van het appartement of gedeelte van het appartement aan derden toegestaan. Dit geldt tevens voor aanbieden en verhuren via websites als AirBnB en vergelijkbare websites. Onverlet het bovenstaande heeft de verhuurder recht op een direct opeisbare boete van € 10.000,--.”


Vier vragen

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] de toepasselijkheid in deze zaak van de richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna ook: de richtlijn) bestreden. Hij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht:

1. Over het boetebeding is afzonderlijk onderhandeld

2. Het boetebeding is een kernbeding

3. [verweerder] is geen consument in de zin van de richtlijn

4. Het boetebeding is niet oneerlijk.


Ad 1

4.3.

Dit verweer is toegelicht met een verwijzing naar een schriftelijke verklaring, gedateerd op 6 november 2018, van Interclavis, die als tussenpersoon namens de verhuurder is opgetreden bij het sluiten van de huurovereenkomst. In deze verklaring staat dat [verweerder] nadrukkelijk is gewezen op zowel de Nederlandse als de Engelse versie van de huurovereenkomst. Met name artikel 12.1 (lees: 12.4) van de huurovereenkomst, waarin wordt gewezen op het verbod op onderhuur, is besproken, aldus nog steeds de verklaring.


4.4.

Het verweer faalt. De omstandigheid dat bij de totstandkoming van de huurovereenkomst ‘is gewezen op’ de (tekst van de) huurovereenkomst en meer in het bijzonder op het daarin opgenomen specifieke verbod op onderhuur, impliceert niet dat over dit beding is onderhandeld.


Ad 2

4.5.

Het begrip ‘kernbeding’ dient in deze context beperkt te worden uitgelegd, om aan de richtlijn - in verband met het daarmee nagestreefde doel - haar volle werking te geven. Daarom dient het te worden verstaan als een beding over een onderwerp dat, indien niet geregeld, meebrengt dat de overeenkomst, bij gebrek aan voldoende bepaaldheid, niet tot stand kan komen. Dit kan van boetebedingen in het algemeen, en meer in het bijzonder van het onderhavige boetebeding, niet worden gezegd. Het verweer faalt.



Ad 3

4.6.

Het verweer is toegelicht met de omstandigheid dat [verweerder] , na het sluiten van de huurovereenkomst, de gehuurde woonruimte naar eigen verklaring 21 maal heeft onderverhuurd aan derden in de context van door hem uitgeoefende AirBnB-activiteiten. Daarom is hij, volgens [verzoeker] , aan te merken als een beroepsmatige verhuurder.


4.7.

Ook dit verweer kan geen doel treffen omdat de hoedanigheid waarin iemand een overeenkomst sluit, moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden op het moment van contractsluiting. Als dit anders was en het standpunt van [verzoeker] zou worden gevolgd, zou dat tot het onaannemelijke rechtsgevolg leiden dat juist de contractueel verboden activiteit van onderverhuur, de huurder zou beroven van de hem door de richtlijn geboden bescherming.


Ad 4

4.8.

Het boetebeding is in zijn algemeenheid vermeld in de als bijlage bij de richtlijn behorende grijze (dan wel blauwe) lijst. Deze lijst bevat een indicatieve en niet-uitputtende opsomming van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt (zie artikel 3 lid 3 van de richtlijn). Een beding uit deze lijst hoeft niet noodzakelijk als oneerlijk te worden beschouwd.

Bij de verdere beoordeling wordt het volgende citaat uit de in deze zaak uitgesproken tussenbeschikking van 24 oktober 2018 vooropgesteld:


“Volgens artikel 3, lid 1, van de richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG, oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het boetebeding behoort tot de bedingen die op de bij de richtlijn behorende indicatieve lijst staan. Op grond van vaste jurisprudentie dient ambtshalve te worden getoetst of het boetebeding eerlijk is, ook in een procedure als de onderhavige. Bij die toetsing dient niet te worden beoordeeld hoe het boetebeding uiteindelijk uitwerkt en door de gebruiker ervan wordt toegepast, maar moet in ogenschouw worden genomen hoe het kan uitwerken. Daarbij moet het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst als beoordelingsmoment worden genomen. Bovendien doet zich de vraag voor of het cumulatieve effect van alle in de huurovereenkomst opgenomen boetebedingen als oneerlijk is te beschouwen, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming daarvan nastreeft.”

4.9.

Redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de (on)eerlijkheid van het onderhavige boetebeding, op zichzelf bezien. Aan de ene kant is dit beding immers vérgaand omdat daarin niet alleen onderhuur of in gebruik geven van het appartement aan derden wordt verboden, maar zelfs het aanbieden (en verhuren) via AirBnB sites en vergelijkbare sites. Bovendien wordt op overtreding van het verbod een boete van € 10.000,-- gesteld, dat wil zeggen een bedrag ter hoogte van

- afgerond - een half jaar huurbetaling. Dit boetebedrag is zowel op zichzelf bezien, als in relatie tot de huurprijs, (zeer) hoog en is, naar de letter van het beding, al verbonden aan een enkele overtreding van het desbetreffende verbod gedurende een korte periode.


4.10.

Daartegenover staat dat het, naar [verzoeker] onweersproken heeft gesteld, op de voet van artikel 2.18A APV [XXX] (‘Hinder in en om de woning’) door de [XXX] is verboden woonruimte aan toeristen te verhuren zonder toestemming van de gemeente en dat op overtreding van dat verbod een boete is gesteld, verhaalbaar op de rechthebbende van de woning, dat wil in dit geval zeggen op [verzoeker] als verhuurder. Volgens de website van de gemeente kunnen boetes variëren van € 6.000,-- tot € 20.500,-- per woning. Aldus heeft [verzoeker] in beginsel een redelijk belang bij het verbieden van onderverhuur, versterkt door een boetebeding. In het onderhavige geval klemt dit temeer omdat [verweerder] , blijkens de hiervoor aangehaalde verklaring van Interclavis, bij het aangaan van de huurovereenkomst is gewezen op het onderhavige verbod, en de desbetreffende pagina van de - door de verhuurder opgestelde - schriftelijke huurovereenkomst (kennelijk voor akkoord) door hem is geparafeerd.


4.11.

Ten slotte is bij de beoordeling van de eerlijkheid van dit boetebeding niet geheel zonder betekenis dat naar Nederlands recht een bedongen boete desverlangd kan worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 lid 1 BW). Bij deze beoordeling kan de rechter alle omstandigheden van het geval betrekken, waaronder het aantal of de duur van de schending(en) van het onderhavige verbod, het motief dat daarbij voorzat en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

Het gewicht van dit argument is echter niet heel groot, mede omdat niet iedere huurder zich op deze rechtsregel zal beroepen, bijvoorbeeld omdat het niet tot een procedure komt of bij gebrek aan juridische kennis.


Voorlopige slotsom

4.12.

Hetgeen hiervoor in 4.9-4.11 is overwogen tegen elkaar afwegend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onderhavige boetebeding, op zichzelf bezien, niet oneerlijk is.


Nadere vraag

4.13.

De vraag rijst echter of de beoordeling van de eerlijkheid van het boetebeding mag worden beperkt tot dit beding zelf. In het licht van het Radlingerarrest van het HvJEU van 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283, moet de vraag onder ogen worden gezien of bij die beoordeling ook de overige (boete)bedingen in de huurovereenkomst dienen te worden betrokken. Het gaat hier met name om de volgende twee bedingen:


“3.4 Ontruiming

Huurder is gehouden om het gehuurde aan het einde van de overeengekomen huurperiode met al de daarin vanwege huurder aanwezige personen en zaken te verlaten en ontruimd ter vrije en algehele beschikking te stellen van verhuurder onder inlevering van de sleutels, een en ander op straffe van een boete van € 350,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat huurder hieraan niet of niet geheel voldoet, met een maximum van € 50.000,-- zulks onverminderd de verplichting van huurder de schade van verhuurder te vergoeden. De schade van verhuurder bestaat in elk geval uit de gederfde huurinkomsten over de periode dat huurder niet aan zijn ontruimingsverplichting voldoet. De gederfde huurinkomsten worden gerelateerd aan de tussen partijen laatst geldende huurprijs, vermeerderd met alle bijkomende kosten. Indien de markthuurprijs hoger is dan de laatst geldende huurprijs, geldt dienaangaande de markthuurprijs.



Wanneer verhuurder constateert dat er in de woning in verdovende middelen gedeald wordt of verbouwd / geproduceerd wordt (bijvoorbeeld cannabis) kan verhuurder zonder rechtelijke tussenkomst de woning direct laten ontruimen. Verhuurder kan de kosten van de ontruiming en de geleden schade/kosten aan de woning en huurachterstand/leegstand op de huurder verhalen en is eveneens hierbij gemachtigd om de in de woning aanwezige spullen te verkopen tegen elk aannemelijk bod om de schade/kosten/huurachterstand en leegsand (vzr; lees leegstand) te voldoen. Onverlet het bovenstaande heeft de verhuurder recht op een direct opeisbare boete van € 10.000,-- (zegge tienduizend euro) wanneer geconstateerd is dat er in de woning in verdovende middelen wordt gedeald of deze worden geproduceerd of verbouwd. Hierbij is verhuurder eveneens gemachtigd om de in de woning aanwezige spullen te verkopen tegen elk aannemelijk bod om de direct opeisbare boete van € 10.000,-- te voldoen. Indien de gemeente (of een ander openbaar lichaam) verhuurder een boete oplegt voor het verhuren van een woning waarin verdovende middelen worden verbouwd kan verhuurder deze zonder tussenkomst van de rechter direct op huurder verhalen. Huurder gaat hiermee uitdrukkelijk akkoord.”


4.14.

Meer in het bijzonder rijst deze vraag omdat het boetebeding van 3.4 van de onderhavige huurovereenkomst een uitzonderlijk hoog maximum van € 50.000,-- kent en bovendien de verplichting van de huurder onverlet laat om de schade te vergoeden.


4.15.

Anders dan het geval was in het Radlingerarrest van het HvJEU, gaat het in deze zaak niet om een geval waarin aan één en dezelfde tekortkoming contractueel meer dan één sanctie is verbonden, maar om een geval waarin boetebedingen zijn verbonden aan drie tekortkomingen van uiteenlopende aard. Uitgangspunt bij de beoordeling is dat slechts één van die tekortkomingen (namelijk verboden onderverhuur) zich in concreto heeft voorgedaan. Gesteld noch gebleken is dat daarnaast ook sprake is geweest van drugsgerelateerde activiteiten in het gehuurde, terwijl de ontruimingsboete van artikel 3.4 van de huurovereenkomst uit haar aard nog niet aan de orde kan zijn.


4.16.

Onder deze omstandigheden rijst de vraag hoe het oordeel van het HvJEU in het Radlingerarrest

“dat richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of de schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, onevenredig hoog is in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij die richtlijn, moet worden nagegaan wat de cumulatieve werking is van alle desbetreffende bedingen van de betrokken overeenkomst, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming van al die bedingen nastreeft”

moet worden uitgelegd met betrekking tot de daarin opgenomen woorden ‘alle desbetreffende bedingen’. Daarmee zou bijvoorbeeld kunnen zijn bedoeld:

( a) alle boetebedingen in de overeenkomst,

( b) alle boetebedingen die in de overeenkomst aan de onderhavige tekortkoming worden verbonden,

( c) alle boetebedingen en alle andere oneerlijke bedingen (mede gelet op de bij richtlijn 93/13 behorende indicatieve lijst) in de overeenkomst, of

( d) alle boetebedingen en alle andere oneerlijke bedingen (mede gelet op de bij richtlijn 93/13 behorende indicatieve lijst) die in de overeenkomst aan de onderhavige tekortkoming worden verbonden.

Voorshands wordt echter aangenomen dat daarmee een op het geval toegesneden toepassing van het cumulatieprincipe is bedoeld, zoals hierna in 4.24 uitgewerkt en in 4.25 toegelicht.


4.17.

Aangezien over deze uitleg redelijkerwijs twijfel kan bestaan en duidelijkheid daarover van belang is voor een groot aantal in de praktijk aangebrachte zaken, zal hierover een prejudiciële vraag worden gesteld aan het HvJEU.


Toelichting op de vraag

4.18.

Ter toelichting op de hierna in 4.27 te formuleren prejudiciële vraag wordt het volgende overwogen.

Aan contractuele verboden kunnen diverse contractuele sancties zijn verbonden, bijvoorbeeld (i) een verplichting tot winstafdracht én een boete in geval van verboden onderverhuur. Een, iets gecompliceerder geval is (ii) een overeenkomst waarin de regel is gesteld dat de huur uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande maand moet worden betaald, waaraan twee sancties zijn verbonden, namelijk een onder alle omstandigheden geldend verbod tot opschorting van de verplichting tot huurbetaling én een op een te late betaling gestelde boete. Weer een ander geval is aan de orde als (iii) contractuele sancties zijn verbonden aan gedragingen of nalatigheden van uiteenlopende aard die zich uit hun aard niet gezamenlijk hoeven voor te doen, maar dat wel kúnnen doen. Een voorbeeld van dat laatste ligt in de onderhavige huurovereenkomst besloten, waarin contractuele boetes zijn gesteld op zulke uiteenlopende gedragingen als onderverhuur, drugsgerelateerde activiteiten en onbehoorlijk opleveren van het gehuurde. Een complicerende variant van dit voorbeeld doet zich voor als (iv) de huurder, in strijd met het contractuele verbod, de woning in onderhuur geeft aan een derde die ter plaatse, buiten medeweten van de huurder, drugsgerelateerde activiteiten verricht. Naar Nederlands recht heeft de huurder aan dit laatste weliswaar geen schuld, maar komt de overtreding van dit tweede contractuele verbod in verhouding tot de verhuurder voor zijn risico (artikel 7:219 BW).

Hierna in 4.25 zal worden besproken hoe deze verschillende gevallen naar voorlopig inzicht van de vragen stellende rechter dienen te worden beoordeeld.


4.19.

In de gevallen (ii) – (iv), en dus ook in de onderhavige zaak (gevalstype (iii)), rijst de vraag of sancties die op gedragingen van andere, niet naar aard of inhoud samenhangende, gedragingen of nalatigheden zijn gesteld, moeten worden betrokken bij de beoordeling van de eerlijkheid van een boetebeding dat is gesteld op contractueel verboden gedrag dat zich wél heeft voorgedaan, zoals in deze zaak (AirBnB-)onderhuur. Over deze voor de praktijk belangrijke vraag bevat het arrest-Radlinger geen uitspraak.


4.20.

Ten gunste van een bevestigend antwoord op deze vraag kan het volgende worden aangevoerd. In het Radlingerarrest is zonder voorbehoud overwogen dat moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de overeenkomst, waarbij alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een daarmee samenhangende overeenkomst in aanmerking moeten worden genomen. Bovendien gaat het hier om een beschermingsstelsel ten behoeve van de consument, zodat in beginsel een ruime uitleg van vorenstaande regel voor de hand ligt.


4.21.

Ten gunste van een ontkennend antwoord op deze vraag kan worden aangevoerd, in de eerste plaats, dat - zoals hiervoor in 4.15 al aangestipt - het Radlingerarrest een geval betrof waarin aan één en dezelfde tekortkoming contractueel meer dan één sanctie was verbonden. Hetgeen in een dergelijk geval behoort te gelden, geldt niet zonder meer ook in een geval waarin het gaat om boetebedingen zijn verbonden aan diverse tekortkomingen van uiteenlopende aard die zich naar hun aard niet gezamenlijk hoeven voor te doen, en dat in het concrete geval ook inderdaad niet doen.


4.22.

Ten tweede is de ratio van de in het Radlingerarrest gegeven regel klaarblijkelijk dat de consument bij zijn afweging of hij zich aan een contractueel verbod zal houden, alle omstandigheden van het geval mag en moet kunnen betrekken, dus ook alle aan de desbetreffende gedraging of nalatigheid verbonden contractuele sancties. In dit licht is principieel niet van belang of zijn wederpartij naderhand in een procedure daadwerkelijk al die sancties inroept. Maar bij deze afweging zal de consument niet betrekken dat ook sancties zijn gesteld op heel andere activiteiten of nalatigheden die hij niet overweegt.

‘Vertaald’ naar het onderhavige geval: de huurder die in strijd met een contractueel verbod AirBnB-onderverhuur overweegt, zal in zijn overwegingen niet betrekken dat een contractuele boete staat op onbehoorlijke oplevering van het gehuurde en op drugsgerelateerde activiteiten. Daarvoor heeft hij geen aanleiding (althans slechts een vooral theoretisch denkbare aanleiding; zie gevalstype (iv)). Hij zal zich dus ook niet door die andere boetebedingen van onderverhuur laten weerhouden.

Redelijkerwijs moet daarom worden aangenomen dat de regel van het Radlingerarrest, gelet op de ratio daarvan, geen betrekking heeft op gevallen als hier bedoeld.


4.23.

Ten derde is een bezwaar van bevestigende beantwoording van de in 4.19 bedoelde vraag dat dit tot ongewenste rechtsgevolgen zou leiden. Van bedingen die op zichzelf niet oneerlijk zijn, zoals het onderhavige verbod op onderverhuur, versterkt door een boetebeding, zou dan immers geen nakoming kunnen worden gevorderd indien de overeenkomst met betrekking tot een gedraging of nalatigheid die zich in het onderhavige geval niet voordoet, een oneerlijke sanctie bevat. Daarmee zou niet alleen het redelijke belang van verhuurder, dat hij zijn pand niet wil laten ‘uitwonen’ door derden, worden geschaad, maar ook het algemene belang dat bij zorgvuldig huurderschap is betrokken. Het ‘uitwonen’ van een pand door derden gaat immers vaak gepaard met overlast voor omwonenden.


4.24.

De hiervoor in 4.20-4.23 genoemde argumenten tegen elkaar afwegend, lijkt voorshands de volgende interpretatie van richtlijn 93/13 - en daarmee van het Radlingerarrest – te prefereren. Bij de beoordeling of de schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt (hierna: boetebeding), onevenredig hoog is in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij die richtlijn, moet worden nagegaan wat de cumulatieve werking is van alle bedingen met een sanctiekarakter die in de overeenkomst aan de onderhavige tekortkoming worden verbonden, ook als deze bedingen op zichzelf niet oneerlijk zijn. In dit verband komt geen bijzondere betekenis toe aan bedingen met een sanctiekarakter die in de overeenkomst aan tekortkomingen van andere aard worden verbonden, indien deze andere tekortkomingen zich in het concrete geval niet hebben voorgedaan.


4.25.

Toepassing van deze interpretatie op de vier hiervoor in 4.18 omschreven gevallen, leidt tot het volgende.

Ad (i) In het geval van verboden onderverhuur kan het vorenstaande meebrengen dat een op zichzelf niet oneerlijk boetebeding door de werking van het voormelde cumulatieprincipe alsnog voor oneerlijk dient te worden gehouden indien de overeenkomst tevens een verplichting tot winstafdracht bevat, welk beding op zichzelf evenmin oneerlijk is. Vanwege het cumulatieprincipe geldt dit ook als geen winstafdracht wordt gevorderd.

Ad (ii) Het onder alle omstandigheden geldende verbod tot opschorting van de verplichting tot huurbetaling is in beginsel een oneerlijk beding. Ook als op dit beding geen beroep wordt gedaan, is dus in beginsel elk ander beding met een sanctiekarakter dat aan te late betaling is verbonden, een oneerlijk beding vanwege het cumulatieprincipe. De oneerlijkheid en dus vernietigbaarheid van deze bijkomende bedingen laat de geldigheid van de door die bedingen gesanctioneerde regel dat de huur uiterlijk op de laatste dag van de voorafgaande maand moet worden betaald, onverlet.

Ad (iii) Vanwege de uiteenlopende aard van de desbetreffende tekortkomingen komt bij de beoordeling van de eerlijkheid van het boetebeding dat aan (verboden) onderverhuur is verbonden, in beginsel geen bijzondere betekenis toe aan de boetebedingen die zijn gesteld op drugsgerelateerde activiteiten in het pand of op onbehoorlijk opleveren van het gehuurde, als dergelijke tekortkomingen zich in concreto niet hebben voorgedaan. In dit bijzondere geval geldt het cumulatieprincipe dus niet.

Ad (iv) Omdat hier sprake is van twee met een boetebeding gesanctioneerde tekortkomingen die, hoewel uiteenlopend van aard, zich in het concrete geval beide hebben voorgedaan, geldt hier - anders dan in het onder (iii) bedoelde geval - wél het cumulatieprincipe. Bij de beoordeling van de oneerlijkheid van de bedingen in concreto moet mede worden betrokken dat het hier gaat om twee contractueel verboden gedragingen van uiteenlopende aard. Indien de beide boetebedingen op zichzelf niet oneerlijk zijn, zal dat in beginsel ook niet gelden voor de cumulatie daarvan.


De feiten waarvan bij de beantwoording van de prejudiciële vraag kan worden uitgegaan

4.26.

De feiten waarvan bij de beantwoording van de prejudiciële vraag kan worden uitgegaan, liggen in het voorgaande besloten. Kort gezegd komen zij op het volgende neer. [verzoeker] heeft aan [verweerder] woonruimte verhuurd. In de huurovereenkomst staat onder meer een verbod op onderverhuur, versterkt met een boetebeding (zie voor de tekst daarvan hiervoor in 4.1). Niettemin heeft [verweerder] , met schending van dit verbod, de onderhavige woonruimte naar zijn eigen verklaring 21 maal onderverhuurd aan derden in de context van door hem uitgeoefende AirBnB-activiteiten. [verzoeker] heeft thans conservatoir derdenbeslag onder de ING Bank doen leggen ten laste van [verweerder] , met name tot verhaal van zijn vordering uit het boetebeding dat is verbonden aan het onderhavige contractuele verbod. Het beslag strekt bovendien tot voldoening van een achterstallige huurtermijn die volgens [verweerder] inmiddels is voldaan, alles met rente en kosten.

Naast het onderhavige verbod, met daaraan verbonden een boetebeding, bevat de huurovereenkomst nog twee andere verboden die zijn gesanctioneerd met een boetebeding. Deze bedingen zijn hiervoor in 4.13 geciteerd. De verboden die in deze twee andere bepalingen zijn geformuleerd, zijn niet overtreden.


Vraag van uitleg

4.27.

Hoe dient richtlijn 93/13, en meer in het bijzonder het daarin besloten beginsel van cumulatieve werking, te worden uitgelegd bij de beoordeling of de schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt (hierna: boetebeding), onevenredig hoog is in de zin van punt 1, onder e), van de bijlage bij die richtlijn, in een geval waarin het gaat om boetebedingen die zijn verbonden aan diverse tekortkomingen van uiteenlopende aard welke zich naar hun aard niet gezamenlijk hoeven voor te doen, en dat in het concrete geval ook inderdaad niet doen.


Het verlangde loonbeslag; verdere gang van zaken

4.28.

Al het vorenstaande betekent dat voorshands het beslag dat in opdracht van [verzoeker] is gelegd onder de ING Bank ten laste van [verweerder] , niet wordt opgeheven. Anderzijds wordt ook nog niet onvoorwaardelijk toestemming voor die beslaglegging verleend. In de omstandigheid dat dit beslag doel heeft getroffen omdat het salaris van [verweerder] juist op die bankrekening was bijgeschreven, in samenhang met het feit dat [verweerder] ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de achterstallige huur over oktober inmiddels is voldaan, wordt aanleiding gezien het verzoek om daarnaast loonbeslag onder zijn werkgever te mogen leggen, voorshands te weigeren.

De verdere beoordeling van het geschil wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de Europese Unie van de hiervoor in 4.27 vermelde prejudiciële vraag. De griffier van deze rechtbank wordt verzocht alle processtukken aan het Hof van Justitie te doen toekomen.



5De beslissing

De voorzieningenrechter


5.1.

stelt het Hof van Justitie van de Europese Unie de onder 4.27 vermelde vraag van uitleg van richtlijn 93/13;


5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze beschikking is gegeven door mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, bijgestaan door C.J.J. Buys, griffier, op 29 november 2018.


Coll. MV