Rechtbank Den Haag, 18-12-2018 / AWB - 17 _ 8668


ECLI:NL:RBDHA:2018:15461

Inhoudsindicatie
Op 24 augustus 2016 heeft de IND het Nederlanderschap van eiser ingetrokken omdat er vermoedens waren dat eiser betrokken is geweest bij de genocide in 1994 in Rwanda en hij dit bij verlening van het Nederlanderschap heeft verzwegen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit in bezwaar vernietigd en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat het besluit om het Nederlanderschap in te trekken er niet meer is. Hoewel verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende redenen had om onderzoek te doen naar eisers rol tijdens de genocide in Rwanda, is het resultaat van het onderzoek onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat de individuele ambtsberichten waarop de besluitvorming is gebaseerd onvoldoende informatie bevatten voor de conclusie dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit maakt dat verweerder zijn besluitvorming niet enkel op deze ambtsberichten kon baseren en het Nederlanderschap van eiser niet kon intrekken omdat eiser (een) voor de verlening daarvan relevant(e) feit(en) heeft verzwegen. De (summiere) inhoud van de ambtsberichten, het feit dat het onderzoek naar eiser al lange tijd heeft geduurd en het feit dat sinds de ambtsberichten jaren zijn verstrekken, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er geen reële kans is dat nader onderzoek voldoende informatie zal opleveren waardoor er wel ernstige redenen zouden zijn om te vermoeden dat eiser betrokken was bij de genocide in Rwanda. Voor de rechtbank is dit reden om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen.
Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2018-12-18
Publicatiedatum
2019-01-18
Zaaknummer
AWB - 17 _ 8668
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JV 2019/60
Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht


zaaknummer: SGR 17/8668


uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2018 in de zaak tussen
[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. C.M. Buisman),


en


de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).



Procesverloop


Bij besluit van 24 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken.


Bij besluit van 14 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


De rechtbank heeft bij de minister van Buitenlandse Zaken de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan de bij de besluitvorming betrokken individuele ambtsberichten van 27 augustus 2013 en 23 januari 2014.


De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 16 maart 2018 de onderliggende stukken bij de individuele ambtsberichten opgestuurd en de rechtbank met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat de kennisneming van bepaalde gedeelten van de overgelegde documenten tot de rechtbank beperkt dient te blijven.


Bij beslissing van 4 april 2018 heeft de geheimhoudingskamer van deze rechtbank geoordeeld dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.


Partijen hebben ingestemd met het verzoek van de rechtbank om mede op grondslag van de vertrouwelijke gedeelten van de overgelegde documenten uitspraak te doen.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was R.A. Visser aanwezig namens verweerder.


Overwegingen


1. Eiser is op [geboortedatum] 1964 geboren te Gitamare, Rwanda. Op 9 augustus 1994 is hij Nederland ingereisd en op 31 augustus 1994 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 31 oktober 1995 is hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Nadien is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en bij Koninklijk Besluit van 9 augustus 2011 is hem het Nederlanderschap verleend.


2. Verweerder heeft met het primaire besluit het Nederlanderschap van eiser ingetrokken omdat eiser tijdens zijn toelatingsprocedure en de latere naturalisatieprocedure gezwegen zou hebben over zijn rol in de genocide in Rwanda in 1994, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze informatie relevant was voor de vergunningverlening en voor het verlenen van het Nederlanderschap. Verweerder stelt op basis van de individuele ambtsberichten van 27 augustus 2013 en 23 januari 2014 dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen en/of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag van Genève van 1951 (Trb. 1954, 88) betreffende de status van vluchtelingen, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76; hierna: het Vluchtelingenverdrag). Uit de ambtsberichten blijkt dat eiser de opdracht kreeg van [Z] (prefect) om burgers ‘gevoelig te maken’ om hun Tutsi-buren te doden door zichtbaar voorzien van een wapen de stad in te gaan, hij een groep heeft toegesproken die nadien ‘We will kill them all’ schreeuwde en eiser een groep de opdracht heeft gegeven voor de moord op [X] , een Tutsi. Volgens verweerder zijn deze handelingen – het opdracht geven tot een moord en opruiing – misdrijven die aan te merken zijn als genocide nu deze hebben plaatsgevonden in de aanloop naar en tijdens de genocide in Rwanda. Nu eiser deze relevante feiten heeft verzwegen, dient volgens verweerder zijn Nederlanderschap ingetrokken te worden op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap en werkt deze intrekking terug tot de datum van de verlening van het Nederlanderschap, waarna eiser terugvalt op zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Met deze gedragingen zijn er volgens verweerder bedenkingen tegen eisers verblijf ontstaan dan wel bestaan er ernstige vermoedens dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Verweerder ziet in het kader van de belangenafweging geen aanleiding om zwaarder gewicht toe te kennen aan eisers belang bij het behoud van zijn Nederlanderschap dan aan het algemeen belang om frauduleus handelen te corrigeren. Tot slot ziet verweerder geen aanleiding om aan artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) te toetsen, omdat dit artikel niet ziet op geschillen over de nationaliteit.


3. Verweerder heeft eisers bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.


4. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verweerder reden had om (nader) onderzoek te doen naar eisers handelen tijdens de genocide in Rwanda.


4.1.

Eiser stelt – kort samengevat – dat dit niet het geval is, nu na verlening van zijn asielvergunning geen nieuwe feiten naar voren zijn gekomen die voldoende aanleiding vormden voor nader onderzoek.


4.2.

Uit het voornemen blijkt dat verweerder in 2008 heeft besloten om een extra screening uit te voeren in zaken van Rwandese asielzoekers – onder wie eiser – en hun rol in de Rwandese genocide. Aanleiding voor deze screening was dat in de loop der tijd meer informatie beschikbaar werd over de genocide en de daarvoor verantwoordelijke personen dan in de eerste jaren na de genocide. Zo verscheen er meer informatie op het internet en kwam door het Rwandatribunaal meer gedetailleerde informatie naar boven. Ook onderzoeken in Rwanda door het ministerie van Buitenlandse Zaken resulteerden in bruikbare informatie over personen betrokken bij de genocide. Naast deze algemene redenen voor onderzoek blijkt uit het voornemen dat verweerder indicaties had die specifiek op eiser zien. Zo heeft eiser in het verleden (publiekelijk) uitlatingen gedaan over personen die door het Rwandatribunaal zijn veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de genocide. In de [krant] heeft eiser zich positief uitgelaten over de zanger [zanger] , die door het Rwandatribunaal is veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. Verder heeft eiser een getuigenis afgelegd voor de verdediging van J.P. Akayezu (burgemeester van Gitarama). Laatstgenoemde is door het Rwandatribunaal veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Verder heeft eiser verklaard lid te zijn geweest van de Mouvement Démocratique Républicain (MDR) en is hij voorzitter van Codac, een organisatie van Rwandezen in Nederland.


4.3.

De rechtbank stelt voorop dat Nederland geen vluchthaven dient te zijn voor personen ten aanzien van wie er ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven of ernstige misdrijven of handelingen, zoals bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Deze internationale verplichting maakt dat verweerder belang heeft om deze personen geen verblijfsvergunning (of het Nederlanderschap) te verlenen. Het asielrecht is bedoeld om hen die vluchten voor onrecht te beschermen en niet bedoeld voor hen die gerechtigheid ontvluchten. Ook de positie van slachtoffers van deze personen afkomstig uit hetzelfde land die in Nederland bescherming hebben gevonden, kan hiermee in het geding komen. De rechtbank verwijst in dit kader naar paragraaf C4/3.11.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (de Vc 2000). Dit geldt ook voor het verkrijgen van het Nederlanderschap. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (de Rijkswet) in samenhang met artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet.


4.4.

Deze internationale verplichting in samenhang met de verplichting van eiser om naar waarheid gegevens te verstrekken en geen relevante gegevens te verzwijgen – zoals bedoeld in artikel 31, vierde lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap –maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder een ruime bevoegdheid heeft om (nader) onderzoek te doen naar personen die in Nederland een verblijfsvergunning asiel hebben verkregen en het Nederlanderschap. De omstandigheid dat na de genocide in 1994 door tijdsverloop en ontwikkelingen als het internet en het Rwandatribunaal meer informatie beschikbaar is geworden over de genocide en personen betrokken bij de genocide rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek. In het geval van eiser bestonden daarnaast individuele indicaties die er mogelijk op wezen dat hij gegevens had achtergehouden. Zo heeft hij publiekelijk uitlatingen gedaan die er mogelijk op wijzen dat hij tijdens zijn asielprocedure en bij zijn verzoek om naturalisatie een andere voorstelling heeft gegeven van zijn rol tijdens de genocide. Hoewel het eiser vrijstaat om in het kader van zijn recht op vrijheid van meningsuiting steun te betuigen aan personen die vervolgd worden vanwege betrokkenheid bij de genocide en uiteindelijk door het Rwandatribunaal zijn veroordeeld, betekent dat niet dat eisers uitlatingen niet door verweerder in diens afweging om wel of geen onderzoek te doen betrokken kunnen worden. Daarbij weegt mee dat eiser er zelf voor heeft gekozen om zich tegenover de [krant] uit te laten over de strafvervolging van [zanger] bij het Rwandatribunaal en hem een vrijheidsstrijder heeft genoemd. De gevolgen van deze keuze dienen dan ook voor eisers rekening te komen. Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn getuigenis voor het Rwandatribunaal, aangezien dit vertrouwelijk was, maakt het bovenstaande niet anders nu dit daar los van staat.


5. Nu verweerder onderzoek mocht doen, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het resultaat van dat onderzoek de conclusie rechtvaardigt dat eiser gezwegen heeft over een feit dat relevant was voor de verlening van het Nederlanderschap, namelijk of er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.


5.1.

Eiser betoogt dat dit niet het geval is, nu de individuele ambtsberichten waarop verweerder zich baseert niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaffen. Volgens eiser kon verweerder zich niet baseren op deze ambtsberichten.


5.2.

De rechtbank stelt voorop dat bij een belastende beschikking als het intrekken van een verleend Nederlanderschap, alsmede bij het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, de stelplicht en de bewijslast op verweerder rusten. Het is dan ook aan verweerder om te stellen en om aannemelijk te maken dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – 1(F) misdrijven. Weliswaar hoeft de veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet te worden bewezen volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar dat neemt niet weg dat deze veronderstelling wel feitelijk moet worden onderbouwd en zorgvuldig moet worden gemotiveerd. In dit kader verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 3 juli 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7860).


5.3.

Verweerder heeft zijn besluitvorming gebaseerd op de individuele ambtsberichten van 27 augustus 2013 en 23 januari 2014. De vragen die geleid hebben tot de individuele ambtsberichten en de teksten van de individuele ambtsberichten zijn opgenomen in de bijlage en maken onderdeel uit van de uitspraak.


5.4.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat een (individueel) ambtsbericht aangemerkt dient te worden als een deskundigenadvies, waarbij verweerder in beginsel van de juistheid van de inhoud van het ambtsbericht mag uitgaan. Vereist is wel dat een ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, aan welke die informatie is ontleend.


5.5.

De rechtbank is van oordeel dat de individuele ambtsberichten die door verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag zijn gelegd niet de conclusie rechtvaardigen dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen of gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. De individuele ambtsberichten bevatten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten om te concluderen dat er ernstige vermoedens bestaan dat eiser de opdracht heeft gegeven voor de moord op [X] , een Tutsi. Zo is het bestaan van [X] op geen enkele wijze aangetoond of aannemelijk gemaakt. Vrijwel ieder nader gegeven omtrent deze persoon ontbreekt, terwijl de ambtsberichten met een naam en woonplaats van deze persoon aanknopingspunten bevatten voor nader onderzoek. Verweerder heeft geen verklaring gegeven waarom dit nader onderzoek niet heeft plaatsgevonden. Verder bevatten de twee getuigenverklaringen waarop het vermoeden is gestoeld weinig details (zo ontbreekt een nadere tijdsaanduiding of locatie van het gestelde incident), ontbreekt steunbewijs en roepen de getuigenverklaringen, gelet op de onderliggende stukken, vragen op. Voorts blijkt uit het aanvullend ambtsbericht van 23 januari 2014 dat de moord op [X] niet op andere wijze kan worden bevestigd. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat in een situatie als tijdens en na de genocide officiële registratie van het overlijden van personen problemen kent, ziet de rechtbank niet in waarom geen nader onderzoek is gedaan naar het lot van het vermeende slachtoffer nu dit ook op andere wijze inzichtelijk kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door een officiële registratie van zijn vermissing. Daar komt bij dat niet in geschil is dat eiser niet bekend is bij of veroordeeld is door de Rwandese rechtspraak (waaronder de gacaca-rechtbanken). Deze omstandigheden maken dat de rechtbank van oordeel is dat de individuele ambtsberichten onvoldoende feiten bevatten om tot de conclusie te komen dat een persoon met de naam [X] is vermoord en dat eiser hiertoe opdracht heeft gegeven.


De tegenwerping dat eiser de burgerbevolking heeft opgeruid door een toespraak te houden en door zich gewapend te tonen in de stad om op deze manier burgers gevoelig te maken voor het doden van Tutsi’s is naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende onderbouwd. Dat eiser van de burgemeester in Kigali hiertoe opdrachten kreeg, is slechts gebaseerd op de verklaring van één getuige. Deze zelfde getuige heeft verklaard dat eiser een groep heeft toegesproken, waarna deze groep ‘We will kill them all’ schreeuwde. Daarnaast zijn er twee verklaringen dat eiser in Taba een wapen droeg. Deze verklaringen, de stukken die ten grondslag liggen aan de individuele ambtsberichten in acht genomen, overtuigen de rechtbank niet van de betrokkenheid van eiser bij opruiing. Dat in het ambtsbericht van 23 januari 2014 staat dat het bewapenen van veel leiders en burgers gebeurde bij wijze van geplande strategie, om burgers aan te zetten tot crimineel gedrag en dat het feit dat eiser als intellectueel persoon een wapen droeg de legitimiteit van criminaliteit in het land liet zien, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel met betrekking tot de eiser verweten opruiing nu dit te algemeen van aard is. In dit kader vindt de rechtbank van belang dat geen van de getuigen verklaringen kon afleggen over de verantwoordelijkheden en activiteiten van eiser binnen de MDR en eisers rol dus niet is geconcretiseerd. Mede hierom is het enkele feit dat eiser lid was van de MDR – wat vooral gekoppeld lijkt te worden aan het feit dat eisers hele familie lid was van de partij en zijn vader van 1991 tot 1994 districtsleider was van de MDR in Taba – naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Nu eiser behoorde tot de groep van intellectuele personen, lid was van de MDR en zoon van de districtsleider van de MDR, acht de rechtbank in dit verband niet onbelangrijk dat eiser als kennelijk vooraanstaand persoon in de processen voor de gacaca-rechtbanken en voor het Rwandatribunaal nooit als verdachte naar voren is gekomen.


5.6.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de individuele ambtsberichten onvoldoende informatie bevatten om tot de conclusie te komen dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen of handelingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Dit maakt dat verweerder zijn besluitvorming niet op enkel deze ambtsberichten kon baseren en het Nederlanderschap van eiser niet kon intrekken omdat eiser (een) voor de verlening daarvan relevant(e) feit(en) heeft verzwegen.


6. Deze conclusie maakt dat de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Uit het oogpunt van een finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het primaire besluit te herroepen. De rechtbank is ervan overtuigd dat wanneer verweerder, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw zou moeten beslissen op eisers bezwaar er geen ander besluit zou volgen. De rechtbank komt tot deze overtuiging omdat de ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken zowel aan het primaire als het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd en het ministerie van Buitenlandse Zaken reeds aanvullend onderzoek heeft verricht wat heeft geresulteerd in het laatste ambtsbericht van 23 januari 2014. Gezien de (summiere) inhoud van de ambtsberichten, het feit dat het onderzoek naar eiser al lange tijd heeft geduurd – de vragen die hebben geleid tot het ambtsbericht van 27 augustus 2013 zijn medio 2010 al gesteld aan de directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid – en het feit dat sinds de ambtsberichten reeds jaren zijn verstrekken, is de rechtbank van oordeel dat er geen reële kans is dat nader onderzoek een afdoende grondslag zal opleveren voor de onder rechtsoverweging 5.6 vermelde conclusie. Hierbij neemt de rechtbank bovendien in aanmerking dat het gaat om een voor eiser zeer ingrijpend besluit, terwijl eiser ten gevolge van de lange duur van de procedure inmiddels geruime tijd in onzekerheid verkeert.


7. Gelet op het voorgaande, behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.


8. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het griffierrecht aan eiser te vergoeden.


9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004.- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).


Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;


- vernietigt het bestreden besluit;


- herroept het primaire besluit;


- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;


- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.004,-; en


- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzitter, en mr. J.L.E. Bakels en mr. A.E. Dutrieux, leden, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2018.





griffier voorzitter













Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.




Bijlage


De vragen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van 11 juni 2010.


Algemene vragen m.b.t. 1F betreffende alle bovengenoemde personen:

1. Wat is er (…) in Rwanda bekend met betrekking tot het verblijf van betrokkene in Rwanda en het gedrag van betrokkene ten tijde van de genocide in Rwanda van april tot juli 1994?


2. A) Is betrokkene in Rwanda, in het kader van de gacaca-procedures of anderszins, beschuldigd van betrokkenheid bij misdaden samenhangend met de genocide van 1994? Zo ja,

B) Waarvan is betrokkene precies beschuldigd, in welk verband en door wie?

C) Heeft er onderzoek plaatsgevonden naar de beschuldigingen en zo ja door wie en wat waren hiervan de resultaten?


Specifieke vragen betreffende eiser

3. Wat is er (…) bekend over de verhouding tussen [eiser] en de door het ICTR veroordeelde [B] ?


4. A) Is het juist dat [eiser] lid is geweest en functies heeft vervuld binnen de MDR? Zo ja, welke functie(s) en gedurende welke periode?

B) Kunt u (…) een beschrijving geven van de activiteiten/handelingen die in de periode dat [eiser] actief is geweest binnen de MDR door het onderdeel/de onderdelen van de MDR waarbinnen hij actief is geweest zijn verricht? Kunt u aangeven wat de feitelijke betrokkenheid was van betrokkene bij deze activiteiten/handelingen? Indien u geen specifieke informatie heeft over de persoon van betrokkene als zodanig, maar wel relevante informatie heeft over een persoon, die werkzaam is geweest in de betreffende periode in een soortgelijke functie als betrokkene, verzoek ik u deze informatie tevens te verstrekken.

C) Is bekend tot welke factie van de MDR betrokkene behoorde nadat de MDR uiteen was gevallen in een gematigde factie onder leiding van Faustin Twagiramungu en de meer radicale Hutu power factie?



Het individueel ambtsbericht van 27 augustus 2013 van het ministerie van Buitenlandse Zaken.


1. Eén bron stelt dat betrokkene gedurende zijn verblijf in Kigali in 1994 van de burgemeester in Kigali opdrachten kreeg de stad in te gaan om burgers ‘gevoelig te maken’ voor het doden van hun Tutsi-buren. Hij en de leden van zijn groep droegen wapens. Dezelfde bron heeft betrokkene in april 1994 in Cyahafi (2 kilometer van Kigali-stad) gezien samen met [colonel] . In Cyahafi heeft betrokkene een groep toegesproken, die na de toespraak ‘we will kill them all’ schreeuwde. Hij zou tevens op de hoogte zijn geweest van het transport van de vele Tutsi-lijken op vrachtwagens van de gemeente Kigali. Twee andere bronnen bevestigen dat [eiser] in Taba een wapen droeg.


Twee bronnen zijn ervan getuige geweest dat betrokkene opdracht gaf voor de moord op [X] , een Tutsi afkomstig uit hetzelfde dorp (Taba) als [eiser] .


2. A) Betrokkene is in Rwanda in het kader van de gacaca-procedures niet beschuldigd van betrokkenheid bij misdaden samenhangend met de genocide van 1994. De vraag of betrokkene anderszins beschuldigd is, kan niet worden beantwoord.


B-C) Gelet op het antwoord bij vraag 2a komen deze vragen te vervallen


3. Er is geen biologische band tussen [eiser] en [B] . Zij kennen elkaar doordat ze uit hetzelfde dorp afkomstig zijn en beiden zijn intellectuele en invloedrijke personen (opinieleiders) in de regio. Ze hebben volgens de geraadpleegde bronnen nooit samengewerkt, maar hadden dezelfde missie: het beschermen van het regime door het propaganderen van de ideologie om alle Tutsi te elimineren.


4. A) Uit onderzoek is gebleken dat betrokkene lid was van de MDR. De hele familie was volgens diverse bronnen lid van deze partij; de vader was van 1991 tot 1994 districtsleider van de MDR in Taba. Het is bij de bronnen niet bekend welke functie [eiser] heeft vervuld en gedurende welke periode hij lid was van de MDR.


B) Deze vragen kunnen niet worden beantwoord.


C) De bronnen verklaren dat betrokkene na het uiteenvallen van de MDR de radicale Hutu power factie koos van de MDR.



Aanvullende vragen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 oktober 2013.


1. In uw IAB stelt u onder punt 1 dat ‘betrokkene gedurende zijn verblijf in Kigali in 1994 opdrachten kreeg van de burgermeester van Kigail’. In de onderliggende stukken van het IAB is echter sprake van opdrachten van ‘de prefect’. Rwanda kende destijds de prefectures Kigali Ville en Kigail Rurale. Beide prefectures hadden een prefect. Prefectures waren onderverdeeld in communes en iedere commune had een burgemeester (bourgmestre).


Van wie precies kreeg betrokkene opdrachten? Was dat de burgemeester (bourmestre) van Nyarugenge commune, [Y] ? Of van [Z] ? Of was het van iemand anders en zo ja van wie dan, welke burgemeester van welke commune?


2. In uw IAB stelt u eveneens onder punt 1 dat betrokkene ‘in Taba’ een wapen droeg. Ook stelt u dat betrokkene opdracht gaf voor de moord op [X] , een Tutsi afkomstig uit ‘hetzelfde dorp (Taba)’ als betrokkene.


Bedoelt u met ‘het dorp Taba’ de commune Taba? Of bedoelt u daadwerkelijk een dorp Taba. Mocht u een dorp Taba bedoelen kunt u dan aangeven onder welke prefecture en welke commune dat dorp Taba destijds viel? Kunt u ook toelichten wat het dragen van een wapen in de context van de gebeurtenissen ten tijde van de genocide voor betekenis had?


3. In uw IAB stelt u eveneens onder punt 1 dat betrokkene in april 1994 gezien is ‘in Cyahafi samen met Kubwimena Silas’.


Is betrokkene ook in de commune Taba (prefecture Gitarama) gezien samen met Kubwlmana Slias?


4. In uw IAB stelt u eveneens onder punt 1 dat betrokkene ‘opdracht gaf voor de moord op [X] , een Tutsi afkomstig uit hetzelfde dorp (Taba) als betrokkene.’ Uit de onderliggende stukken blijkt dat moord op [X] ook daadwerkelijk gepleegd is. In de commune Taba zijn volgens uiteenlopende bronnen ten tijde van de genocide in Rwanda minimaal 2000 tot wellicht 7000 mensen omgebracht.


Kunt u bevestigen dat de moord op [X] ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden? Kunt u aangeven of de etnische achtergrond van de vermoorde [X] een rol speelde bij de moord op hem? Kunt u aangeven waarom hij werd vermoord?


Het aanvullend individueel ambtsbericht van 23 januari 2014 van het ministerie van Buitenlandse Zaken.


1. Betrokkene kreeg de opdrachten van [Z] .


2. Hiermee wordt de commune Taba bedoeld. Eén bron verklaart dat de autoriteiten gedurende de genocide veel leiders en burgers hebben voorzien van wapens. Dit speelde een grote rol in het aanzetten van gewone burgers tot crimineel gedrag. Het feit dat betrokkene als intellectueel persoon een wapen droeg, maakte hem een voorbeeld en liet de legitimiteit van criminaliteit in het land zien. Dit was een geplande strategie. Door het betrekken van de grote massa kon het moorden versneld worden en kon de weerstand bij burgers ten opzichte van de genocide verminderd worden.


3. [colonel] is niet bekend bij de drie geraadpleegde bronnen in de commune Taba.


4. Twee bronnen hebben verklaard getuige te zijn geweest van de moord op [X] . Of de moord op [X] ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden kon op andere wijze niet bevestigd worden. Volgens één bron heeft de etnische achtergrond van [X] een rol gespeeld bij de moord. Er is geen nadere informatie hieromtrent beschikbaar.