Rechtbank Midden-Nederland, 31-05-2016 / UTR 15/5831


ECLI:NL:RBMNE:2016:3057

Inhoudsindicatie
Bijstand, gehuwd, duurzaam gescheiden leven, Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, Pw. Samenvatting: Uit de rechtspraak volgt dat bij gehuwden de status van gehuwd zijn leidend is, tenzij het tegendeel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig volgt dat in het geval van eiser sprake is van duurzaam gescheiden leven. Eiser heeft als reden voor de aanwezigheid van zijn echtgenote bij hem gegeven dat zij hem (medisch) verzorgt, wat als een zakelijke overeenkomst moet worden en niet is ingegeven door liefde. Deze beroepsgrond kan eiser niet baten. De omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn niet van belang. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij wilde trouwen omdat hij nog nooit eerder getrouwd is geweest en hij er zijn moeder een plezier mee deed. Voor een zakelijke overeenkomst ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten. Eiser kan dan ook niet als ongehuwd worden aangemerkt en was geen zelfstandig subject van bijstand. Verweerder hoefde niet ambtshalve te beoordelen of eiser en zijn echtgenote in aanvulling op haar Wia-uitkering aanspraak konden maken op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden nu een daartoe strekkende aanvraag niet voorlag. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2016-05-31
Publicatiedatum
2016-06-16
Zaaknummer
UTR 15/5831
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 15/5831


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. van Miltenburg),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: P.C. van der Voorn).



Procesverloop


Bij besluit van 12 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eiser per 22 april 2015 ingetrokken en over de periode van 22 april 2015 tot en met 31 mei 2015 een bedrag van € 1.249,08 aan teveel betaalde bijstand teruggevorderd.


Bij besluit van 7 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eveneens was aanwezig mevrouw [A] ( [A] ), echtgenote van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontvangt sinds 1 maart 2011 een uitkering op grond van de (thans) Participatiewet (Pw). Eiser is al bijna tien jaar bevriend met [A] . [A] woont in [woonplaats] . Zij ontvangt een uitkering op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) ter hoogte van € 1.143,62. Eiser woont sinds een aantal jaren met behulp van Housing First in een huurwoning van Portaal. Op 22 april 2015 zijn eiser en [A] in het huwelijk getreden.


2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van zijn huwelijk met [A] op 22 april 2015. Van een duurzaam gescheiden huishouding op grond waarvan moet worden aangenomen dat eiser en [A] afzonderlijk een eigen leven leiden als ware zij niet met elkaar gehuwd is volgens verweerder geen sprake. Verweerder heeft daarom het recht op bijstand van eiser ingetrokken.


3. Eiser heeft niet weersproken dat hij het huwelijk met [A] niet heeft gemeld. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het recht bijstand ten onrechte heeft ingetrokken omdat volgens hem uit de feiten en omstandigheden ondubbelzinnig blijkt dat hij en [A] duurzaam gescheiden leven. De reden dat [A] vaak bij eiser is, is gelegen in het feit dat zij hem (medisch) verzorgt en hem vervoert naar en begeleidt bij afspraken in onder meer het ziekenhuis. Zij zijn in het huwelijk getreden omdat eiser nooit eerder getrouwd is geweest en hij dit nog wilde doen. Daarbij deed eiser ook zijn moeder een plezier. Eiser en [A] hebben altijd de intentie gehad om duurzaam gescheiden te leven. Ieder voor zich hebben zij hier hun redenen voor.


4. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet (Pw) wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.


5. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

Verder heeft de CRvB overwogen dat de echtelijke samenleving kan bestaan zonder dat van samenwonen sprake is. In het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van het huwelijk de betrokkenen de intentie hebben - al dan niet op termijn - een echtelijke samenleving aan te gaan, maar niet valt uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven moet worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Daarbij zijn de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 13 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3487).

Bij gehuwden is de status van gehuwd zijn dus leidend, tenzij het tegendeel ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt (zie de uitspraak van de CRvB van 25 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8122, overweging 4.3).


6. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig volgt dat in het geval van eiser sprake is van duurzaam gescheiden leven. Daarbij overweegt de rechtbank dat, anders dan bij de gezamenlijke huishouding, waarvoor het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning (samenwonen) een noodzakelijke voorwaarde is, voor duurzaam gescheiden leven niet doorslaggevend is of de echtgenoten al dan niet samenwonen. Bepalend is of de echtelijke samenleving al dan niet verbroken is. Die echtelijke samenleving kan – zoals onder 5 overwogen – bestaan zonder dat van samenwonen sprake is.


7. Voor de beoordeling of eiser en [A] vanaf de huwelijksdatum duurzaam gescheiden leven is het volgende van belang. Eiser heeft blijkens het verslag van de telefonische hoorzitting verklaard dat [A] zo ongeveer drie à vier keer per week bij hem is. [A] is ook altijd aanwezig als eiser naar het ziekenhuis moet en zij helpt eiser bij zijn (medische) verzorging. Eiser heeft verder verklaard dat [A] een sleutel van zijn woning heeft. Wanneer [A] bij eiser is dan kookt hij voor haar. Verder heeft eiser verklaard dat zij nu en dan samen de stad in gaan, na hun huwelijk op reis zijn geweest en dat zij ook in het verleden samen op vakantie zijn geweest.


8. In het licht van deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser en [A] ieder afzonderlijk hun eigen leven leiden als waren zij niet met de ander gehuwd.

[A] is immers vaak bij eiser en zij doen ook buiten de noodzakelijke (medische) verzorging alledaagse dingen samen, zoals eten, naar de stad en op vakantie gaan. De nadere toelichting ter zitting dat [A] met eiser naar de stad gaat omdat hij anders niet buiten komt doet niet af aan het feit dat zij deze activiteit samen ondernemen. Hetzelfde geldt voor eisers verklaring ter zitting dat de reis die zij hebben gemaakt na hun huwelijk geen huwelijksreis was maar een gewone vakantie. Feit blijft dat zij samen op vakantie gaan wat een relevant feit is voor de beoordeling van de vraag of eiser en [A] ondanks hun huwelijk – duurzaam gescheiden leven.

Eiser heeft als reden voor de aanwezigheid van [A] gegeven dat zij bij hem komt om hem (medisch) te verzorgen, wat als een zakelijke overeenkomst moet worden gezien en niet is ingegeven door liefde. Deze beroepsgrond kan eiser niet baten. Zoals hiervoor onder 5. is vastgesteld en overwogen zijn volgens vaste rechtspraak van de CRvB, de omstandigheden die tot een bepaalde leefvorm hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie in dat verband niet van belang. Eisers stelling dat zijn huwelijk moet worden gezien als een zakelijke verbintenis onderschrijft de rechtbank bij gebrek aan een nadere toelichting, die ontbreekt, evenmin. Eiser heeft bovendien verklaard dat hij wilde trouwen omdat hij nog nooit eerder getrouwd is geweest en hij er zijn moeder een plezier mee deed. Voor een zakelijke overeenkomst ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten.


9. In het licht van deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser en [A] ieder afzonderlijk hun eigen leven leiden als waren zij niet met de ander gehuwd.

De overige omstandigheden zoals het ontbreken van een financiële verstrengeling, het gegeven dat eiser en [A] ieder beschikken over een eigen woning met een daarbij behorend kostenpatroon acht de rechtbank in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden niet van doorslaggevend gewicht. Of eiser en [A] al dan niet de intentie hebben om – op termijn – te gaan samenleven is voor de beoordeling of sprake is van duurzaam gescheiden leven niet van belang. Zoals hiervoor onder 5. overwogen, volgt uit de rechtspraak van de CRvB dat ook zonder dat sprake is van samenwoning of de intentie daartoe, sprake kan zijn van echtelijke samenleving.


10. Nu eiser en [A] niet als duurzaam gescheiden levend kunnen worden aangemerkt, kon eiser gedurende de in geding zijnde periode niet als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw en evenmin als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt, zodat hij niet langer recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft dan ook de bijstand van eiser terecht op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw ingetrokken.


11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, gehouden was de gemaakte kosten van bijstand van eiser terug te vorderen. In wat eiser heeft aangevoerd zijn geen dringende redenen gelegen die verweerder op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw, aanleiding hadden moeten geven om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 17 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1796). De enkele niet nader onderbouwde stelling van eiser dat sprake is van moeilijke financiële omstandigheden en dat hij het zich niet kan permitteren om zijn vaste lasten niet te voldoen omdat hij in juni 2016 het huurcontract op zijn eigen naam krijgt, is daartoe onvoldoende.


12. Eiser heeft tot slot nog aangevoerd dat als hij en [A] wel een gezamenlijke huishouding zouden voeren, het op de weg van verweerder had gelegen om aan eiser een aanvullende bijstandsuitkering toe te kennen in plaats van de hele uitkering stop te zetten vanaf 22 april 2015.


13. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de bijstand van eiser heeft ingetrokken omdat hij geen zelfstandig subject van bijstand was. Hij ontving daarom ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder hoefde in het kader van de intrekking, anders dan eiser meent, niet ambtshalve te beoordelen of eiser en [A] in aanvulling op de Wia uitkering van [A] aanspraak konden maken op (aanvullende)bijstand naar de norm voor gehuwden. Een daartoe strekkende aanvraag lag immers niet voor.


14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

31 mei 2016.





griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.