Rechtbank Midden-Nederland, 30-03-2017 / 16/653009-16 en 16/040320-16 (tul) (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:1542

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een willekeurige voorbijganger. Uit het niets heeft verdachte het slachtoffer aan haar haren vastgegrepen, meerdere keren geslagen en meerdere keren op het hoofd en tegen haar lichaam getrapt, terwijl zij op de grond lag. Dit is zeer ernstig zinloos geweld, waarbij een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank gelast dat verdachte voor de termijn van 1 (één) jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-30
Publicatiedatum
2017-12-28
Zaaknummer
16/653009-16 en 16/040320-16 (tul) (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/653009-16 en 16/040320-16 (tul) (P)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 maart 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1970] te [geboorteplaats] (Turkije),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] [woonplaats] ,

preventief gedetineerd in P.I. Flevoland – HvB Almere Binnen.



1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J. el Hannouche, advocaat te Utrecht.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. van Haaren en van hetgeen verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


primair: op 17 december 2016 te Hilversum heeft geprobeerd om [aangeefster] van het leven te beroven door met zijn voet tegen haar lichaam en hoofd te trappen, terwijl zij op de grond lag;


subsidiair: op 17 december 2016 te Hilversum heeft geprobeerd om [aangeefster] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn voet tegen haar lichaam en hoofd te trappen, terwijl zij op de grond lag;


meer subsidiair: op 17 december 2016 te Hilversum [aangeefster] heeft mishandeld door met zijn voet tegen haar lichaam en hoofd te trappen, terwijl zij op de grond lag.





3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4De beoordeling van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, gelet op de aangifte, de getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer heeft geslagen en geschopt. Verdachte heeft door zijn handelen en meer in het bijzonder door meermalen te trappen op de voorzijde van het hoofd, net boven de ogen en op de neus, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou kunnen overlijden, zodat sprake is van voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van (voorwaardelijke) opzet op doodslag dan wel zwaar lichamelijk letsel, nu verdachte nimmer willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door zijn handelen.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


Op 17 december 2016 is aangeefster op haar fietst gestapt en is zij naar huis gaan fietsen.

Eenmaal op de Larenseweg ter hoogte van de school de Opmaat zag zij een groepje jongeren staan. Zij zag vervolgens een manspersoon aan haar kant op het fietspad van de weg staan. Zij zag dat deze man tegen de groep jongeren aan het schreeuwen was. Vervolgens hoorde zij de man tegen haar schreeuwen ‘ben jij een van hun’. Zij hoorde dat de man maar bleef schreeuwen ‘hoor je erbij, hoor je erbij’. Zij zag dat de man op haar af kwam lopen. Eerst met een rustige pas en niet veel later begon de man te rennen. Zij voelde dat de man die op haar af kwam rennen haar met twee handen bij haar haren pakte en hier heel hard aan trok. Zij voelde dat de man haar begon te slaan. Aangeefster voelde dat zij werd geslagen op haar rechterarm, rechterkant van haar hoofd en toen verloor zij haar stabiliteit en kwam zij hard op haar rechterzij op de grond terecht. Aangeefster voelde vervolgens dat zij twee à drie keer in haar buik geschopt werd. Vervolgens voelde zij dat zij op haar hoofd werd geschopt. Zij voelde dat zij ook tegen haar hoofd drie of vier keer werd geschopt. Zij voelde pijn in haar hoofd en kaak en het werd zwart voor haar ogen.


Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij zich op 17 december 2016 op de openbare weg bevond te Hilversum. Hij fietste op de Larenseweg. Hij zag een zwerver staan. Hij verklaart dat dit in de persoon betrof die even later ook door de politie werd aangehouden. Aan de overkant van de weg zag hij een meisje fietsen. Hij zag dat het meisje op de fiets werd tegengehouden door de zwerver. Hij zag dat het meisje was gevallen. Hij zag dat de zwerver het meisje in ieder geval drie keer hard en gericht tegen het lichaam trapte op haar lichaam.


Getuige [getuige 2] verklaart dat hij zag dat de man het meisje op de grond gooide. Hij zag dat de man het meisje driemaal met volle kracht met zijn schoen tegen haar hoofd schopte. De getuige zag dat de man het meisje op een verschrikkelijk agressieve manier hard tegen haar hoofd schopte.


Getuige [getuige 3] verklaarde dat de man op een gegeven moment stil bleef staan midden op het fietspad. Er kwam een meisje aanfietsen. De man trok het meisje naar beneden. Het meisje lag op de grond, de man gaf het meisje drie trappen op haar hoofd. Twee trappen kwamen recht tegen haar neus. De laatste trap stampte de man boven op haar hoofd.


Aangeefster is op 18 december 2016 door een arts onderzocht. Die constateerde drukpijn aan neusvleugels, drukpijn aan rechterkaak gewricht, enkele rode plekjes op het voorhoofd en een duidelijke zwelling en bloeduitstorting boven de rechter slaap. De arts stelde vast dat het geconstateerde letsel goed kan passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.


Verdachte verklaarde dat hij aangeefster heeft tegengehouden en van haar fiets heeft getrokken. Verdachte heeft de haren van aangeefster vastgepakt en haar naar de grond getrokken. Vervolgens heeft hij aangeefster een trap gegeven tegen de zijkant van haar lichaam en een klap gegeven tegen de zijkant van haar gezicht.


Vrijspraak

De rechtbank is, evenals de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft geprobeerd aangeefster van het leven te beroven. Niet bewezen kan worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangeefster. Het hoofd is weliswaar een zeer kwetsbaar lichaamsdeel, maar het dossier en de letselverklaring bieden geen uitsluitsel over waar verdachte op het hoofd heeft getrapt en onder welke omstandigheden zijn schoen het hoofd geraakt heeft. De rechtbank acht van belang dat verdachte schoenen droeg, te vergelijken met sportschoenen, die naar algemene ervaring gemaakt zijn van relatief zacht materiaal. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat door de trappen tegen het hoofd en het lichaam een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer is ontstaan. Verdachte zal dan ook van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.


Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Door met geschoeide voet harde trappen tegen het hoofd – een zeer kwetsbaar lichaamsdeel – van het slachtoffer te geven, terwijl dat slachtoffer op de grond lag, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


subsidiair:

op 17 december 2016 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [aangeefster] aan haar haren heeft getrokken en vervolgens meermalen op haar lichaam en haar hoofd heeft geslagen en waarna verdachte haar vervolgens, terwijl zij op grond lag, meermalen met kracht met geschoeide voet tegen haar lichaam en haar hoofd heeft getrapt, waarbij de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:


subsidiair: poging tot zware mishandeling.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.



7De strafbaarheid van verdachte


De rechtbank heeft kennis genomen van de in het kader van deze strafzaak opgemaakte Pro Justitia-rapportages betreffende verdachte, van 17 februari 2017, opgemaakt door M.M. Sprock, psychiater, en van 21 februari 2017, opgemaakt door B. van Giessen, GZ-psycholoog. De rapporten vermelden – kort samengevat – dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van schizofrenie, een stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in het gebruik van een stimulantium (amfetamine). Daarbij werd een gebrekkige ontwikkeling vastgesteld in de vorm van antisociale persoonlijkheidstrekken. Bij verdachte is sprake van ernstige oordeels- en kritiekstoornissen in de vorm van denkstoornissen waarbij betrokkene handelde vanuit paranoïde overtuigingen. Daarbij is vanuit de psychotische kenmerken sprake van agitatie en impulsdoorbraken, zodat hij niet in staat was zijn agressie-impulsen onder controle te houden. Verdachte had weliswaar zicht op het wederrechtelijke van zijn handelen, maar hij werd in zo ernstige mate geleid door waanbelevingen dat geconcludeerd kan worden dat hij zijn wil niet in vrijheid heeft kunnen bepalen. Daarom wordt geadviseerd om verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen en hem te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar.


De rechtbank neemt de conclusies van de rapporteurs over en volgt hun advies. Het bewezen geachte kan verdachte daarom wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet worden toegerekend. Verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.



8Motivering van de maatregel


8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis (hoog beveiligde forensische kliniek) voor een termijn van één jaar.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het advies van de psycholoog en psychiater te volgen en een maatregel tot opname in een Forensisch Psychiatrisch kliniek in het kader van artikel 37 Sr op te leggen, zij het in een kliniek die niet hoog beveiligd is, zodat verdachte de nodige vrijheden kan genieten.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van een willekeurige voorbijganger. Uit het niets heeft verdachte het slachtoffer aan haar haren vastgegrepen, meerdere keren geslagen en meerdere keren op het hoofd en tegen haar lichaam getrapt, terwijl zij op de grond lag. Dit is zeer ernstig zinloos geweld, waarbij een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de invloed die het incident op het slachtoffer en de directe omstanders zal hebben gehad, wakkert een dergelijk feit gevoelens van onveiligheid in de samenleving aan, nu deze mishandeling heeft plaatsgevonden op de openbare weg.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 februari 2017, waaruit blijkt dat hij meerdere keren is veroordeeld voor mishandelingen.


De rechtbank heeft kennis genomen van de voornoemde Pro Justitia-rapportages waaruit blijkt dat verdachte in verband met zijn ziekelijke stoornissen als ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De rapporteurs stellen dat de kans op recidive op de korte termijn laag is, maar deze zal snel oplopen naar matig tot hoog als verdachte het gebruik van medicatie staakt, hij verslavende middelen gaat gebruiken en weer op straat gaat leven.

Verdachte heeft geen steunsysteem waar hij op kan terugvallen. Een klinische opname in een hoog beveiligde forensische kliniek wordt geadviseerd in het kader van artikel 37 Sr ter verdere stabilisatie (optimaliseren van medicatie, aandacht voor middelengebruik, vergroten ziektebesef/ziekte-inzicht) en resocialisatie. Het is van belang dat hij een verslavingsbehandeling krijgt en dat hij een agressieregulatietraining volgt. In de resocialisatiefase zal aandacht besteed moeten worden aan een geschikte woonplek, financiën en dagbesteding.


Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de verdachte betreffend reclasseringsrapport van Tactus verslavingszorg van 2 maart 2017 opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] , waaruit blijkt dat de reclassering het advies van de psychiater en psycholoog volgt.


De rechtbank zal voornoemde adviezen volgen en bepalen dat verdachte voor de termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst. Het is aan het ministerie om te bepalen in welke kliniek en in welk regime verdachte opgenomen zal worden.



9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 6154,28. Dit bedrag bestaat uit € 154,28 materiele schade en € 6000,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.


De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de onevenredige belasting van het strafproces.


De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen in verband met het ontbreken van voldoende onderbouwing.


De rechtbank wijst in ieder geval een deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding toe. De rechtbank heeft bij het bepalen van dit bedrag gelet op de toegewezen immateriële schadevergoeding in soortgelijke zaken. De rechtbank wijst daarom de vordering tot het bedrag van € 750,00 toe, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 december 2016 tot de dag van volledige betaling.


De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 december 2016 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 15 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 januari 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/040320-16 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 10 mei 2016 van de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van één maand, met bevel dat van deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.


Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 2 juni 2016 aan verdachte is uitgereikt.


Gebleken is dat de voorwaardelijk opgelegde straf op 7 februari 2017 ten uitvoer is gelegd. De officier van justitie is daarmee niet-ontvankelijk in haar vordering.



11Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37, 39, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



12Beslissing


De rechtbank:


Vrijspraak

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.


Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair: poging tot zware mishandeling.


Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.


Maatregel

Gelast dat verdachte voor de termijn van 1 (één) jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst.

Beslissingen benadeelde partij

wijst de vordering van [aangeefster] toe tot een bedrag van € 750,00;


veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016 tot de dag van volledige betaling;


verklaart [aangeefster] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 750,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;


bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd voor zover hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.


Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/040320-16:

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering.





Dit vonnis is gewezen door

mr. E.H.M. Druijf, voorzitter,

mrs. K.J. Veenstra en M.C. Stoové, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Völkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2017.


mr. Stoové is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


BIJLAGE: de tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat:


Primair:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangeefster] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [aangeefster] aan haar haren heeft getrokken en/of vervolgens meermalen op haar lichaam en/of haar hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [aangeefster] van haar fiets is gevallen en/of waarna verdachte haar vervolgens, terwijl zij op grond lag, meermalen met kracht met geschoeide voet

tegen haar lichaam en/of haar hoofd heeft getrapt/geschopt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;



Subsidiair:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [aangeefster] aan haar haren heeft getrokken en/of vervolgens meermalen op haar lichaam en/of haar hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [aangeefster] van haar fiets is gevallen en/of waarna verdachte haar vervolgens, terwijl zij op grond lag, meermalen met kracht met geschoeide voet tegen haar lichaam en/of haar hoofd heeft getrapt/geschopt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;



Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 17 december 2016 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [aangeefster] aan haar haren heeft getrokken en/of vervolgens meermalen op haar lichaam en/of haar hoofd heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [aangeefster] van haar fiets is gevallen en/of waarna verdachte haar vervolgens, terwijl zij op grond lag, meermalen met kracht met geschoeide voet tegen haar lichaam en/of haar hoofd heeft getrapt/geschopt, waardoor voornoemde [aangeefster] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. PL0900-2016389792, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 46). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , 17 december 2016, p. 4.
3 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , 17 december 2016, p. 5.
4 Proces-verbaal van aangifte [aangeefster] , 17 december 2016, p. 6.
5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , 18 december 2016, p. 21.
6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , 18 december 2016, p. 19.
7 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , 25 januari 2017, p. 45.
8 Letselbeschrijving door A.H. Postmus, forensisch arts GGD Gooi & Vechtstreek, 18 december 2016, p. 16.
9 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2017.
10 Foto’s hiervan bevinden zich in het dossier, p. 36-40