Rechtbank Midden-Nederland, 30-03-2017 / UTR 16/4038


ECLI:NL:RBMNE:2017:1746

Inhoudsindicatie
Julianacomplex te Bilthoven, Dudok-architectuur. Aanvraag om het Julianacomplex aan te wijzen als gemeentelijk monument is door verweerder afgewezen. Beroep gegrond, geen sprake van zodanig concrete belangen bij herontwikkeling dat zij reeds in de procedure omtrent de aanwijzing als gemeentelijk monument van belang zijn.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-30
Publicatiedatum
2017-04-13
Zaaknummer
UTR 16/4038
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/4038


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2017 in de zaak tussen

Vereniging van Eigenaren Julianaflat II, te Den Haag, eiseres

(gemachtigde: F. van Dijk),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Hoogenboom en ir. J. Kragting).



Procesverloop


Bij besluit van 24 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om het Julianacomplex te Bilthoven aan te wijzen als gemeentelijk monument afgewezen.


Bij besluit van 18 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. H.P. de Keizer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen



1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Bij brief van 22 april 2014 heeft eiseres verweerder verzocht het Julianacomplex aan te wijzen als gemeentelijke monument. Gemachtigde van eiseres heeft in de vergadering van 25 november 2014 van de monumentencommissie een toelichting en presentatie gegeven op haar verzoek tot aanwijzing als gemeentelijk monument. De monumentencommissie heeft op 28 november 2014 advies uitgebracht waarin zij zich op het standpunt stelt dat het Julianacomplex vanuit stedenbouwkundig, architectonisch en cultuurhistorisch opzicht van lokaal belang is voor gemeente De Bilt. Het Julianacomplex heeft zoveel waarden in zich dat het in aanmerking dient te komen om aangewezen te worden als gemeentelijk monument.


Bij brief van 6 mei 2015 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat zij voornemens is haar verzoek af te wijzen. Tegen dit voornemen heeft eiseres haar zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals weergegeven onder Procesverloop.


2. Met het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt het Julianacomplex niet als gemeentelijk monument aan te wijzen.


3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Erfgoedverordening De Bilt 2010 (de verordening) wordt onder gemeentelijk monument verstaan: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, uniciteit, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; (…).


Ingevolge artikel 2 van de verordening wordt bij de toepassing van deze verordening rekening gehouden met het gebruik van het monument.


Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. Ingevolge het tweede lid, vraagt het college advies aan de monumentencommissie, voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt. (…).


4. De rechtbank stelt vast, zoals dat ter zitting uitdrukkelijk is besproken, dat partijen niet in geschil zijn over de monumentwaardigheid van het Julianacomplex. Partijen verschillen van mening over de vraag of de aanwijzing als gemeentelijke monument geweigerd had kunnen worden.


5. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een zaak als beschermd gemeentelijk monument. Die vrijheid vindt haar begrenzing in de verordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechter toetst de (afwijzing van de aanvraag om) aanwijzing terughoudend; ter beoordeling staat of het college in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, tot de (afwijzing van de aanvraag om) aanwijzing heeft kunnen komen.


6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft zich inmiddels meermalen uitgelaten over de belangenafweging bij het al dan niet aanwijzen van een gebouw als rijks-, of gemeentelijk monument. In haar uitspraak van 23 februari 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AS7216, overweegt zij dat de aanwijzing van een complex als rijksmonument niet betekent dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop van – een deel van – het complex geen doorgang kunnen vinden. Niet is gebleken dat de plannen van appellanten zodanig concreet waren dat de Staatssecretaris daaraan bij de gehandhaafde aanwijzing niet in redelijkheid voorbij kon gaan. Problemen met betrekking tot de mogelijkheid van herbestemming kunnen eerst aan de orde komen bij de belangenafweging die in het kader van een vergunningsprocedure als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1988 moet plaatsvinden. Daarbij wordt tevens gewezen op de mogelijkheid van schadevergoeding op grond van artikel 22 van de Monumentenwet 1988. In haar uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:2014:857 overweegt de ABRS dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat een financieel belang onvoldoende grond is om van aanwijzing af te zien en dat de aanwijzing als beschermd monument niet inhoudt dat ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop geen doorgang kunnen vinden. Een uitzonderingssituatie deed zich voor in de uitspraak van 3 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7564. In dat geval oordeelde de ABRS dat de door appellante (een parochie) aangevoerde belangen bij herontwikkeling zodanig concreet waren dat zij reeds bij de aanwijzing van belang zijn en niet eerst bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor sloop van de kerk aan de orde dienen te komen.


7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij toekenning van de monumentale status aan het betreffende complex, de beoogde herontwikkeling niet kan doorgaan. Dit leidt tot groot financieel nadeel. Aanwijzing als gemeentelijk monument leidt tot extra financieel risico omdat het de vraag is of bij verkoop van het pand de aankoopwaarde van destijds volledig gedekt kan worden. Het aangekochte pand zal weer verkocht moeten worden omdat de gemeente niet de intentie heeft om als verhuurder van een winkelpand op te treden als er geen sprake meer zal zijn van een herontwikkeling. Verweerder stelt zich tevens op het standpunt dat wel sprake is van een concrete herbestemming. De gemeente heeft het pand aangekocht met het doel te herontwikkelen. Hiertoe zijn alle kaders, te weten het masterplan, beeldkwaliteitplan en bestemmingsplannen op- en vastgesteld. Uit die intentie en de doorvertaling daarvan in de ruimtelijke kaders blijkt dat het hier gaat om concrete plannen. De belangen kunnen niet anders dan nu worden meegewogen bij de beslissing over de monumentenstatus en niet pas bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in art 10 van de Erfgoedverordening. Dat er nog geen ontwikkelaar is geselecteerd doet daar niet aan af.

Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestemmingsplan onherroepelijk is en geen deel uit maakt van deze procedure. Al hetgeen verband houdt met de inhoud van het bestemmingsplan of de directe gevolgen daarvan, onder andere planschadeclaims, kan niet in deze procedure aan de orde komen. Het mogelijke verlies aan woongenot, privacy en dergelijke had in de bestemmingsplanprocedure aan de orde moeten komen. De erfgoedverordening is er niet op gericht om planologische bouwmogelijkheden via een achterdeur ter discussie te stellen of ongedaan te maken.


8. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat herontwikkeling in die zin concreet is dat een bestemmingsplan en andere documenten gericht op herontwikkeling zijn vastgesteld. Er is nog geen projectontwikkelaar aangewezen. Het onderhavige plan is het laatste project van alle plannen die de gemeente wil doorvoeren. Realisatie van dit plan is gepland voor eind 2018/begin 2019.


9. De rechtbank overweegt dat geen sprake is van zodanig concrete aangevoerde belangen bij herontwikkeling dat zij reeds in de procedure omtrent de aanwijzing als gemeentelijk monument van belang zijn. De rechtbank is bovendien van oordeel dat hier geen sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRS van 3 april 2013 en dat de hoofdregel van toepassing is. Het financiële belang van verweerder, nog afgezien van het beperkte inzicht dat verweerder hierover gegeven heeft, is onvoldoende grond om van aanwijzing als gemeentelijk monument af te zien.


10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank aan beoordeling van de overige gronden niet toe.


11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien aangezien voor de verdere besluitvorming een nadere beoordeling van verweerder vereist is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.


12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2016;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R. in `t Veld, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. van Ekris, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.